Laren in de bezetting

Laren in de bezetting

Geboren in Laren in 1933 op het Oosterend uit ouders waarvan de vader aannemer was en de moeder dochter van een vooraanstaande agrariër uit Eemnes groeide ik op als de oudste van een tiental spruiten (een niet ongewoon aantal voor die tijd). Mijn gehele leven heb ik in Laren doorgebracht: kinderjaren, school, sport en veertig jaar als de eerste dierenarts van ons dorp (eerst in een villa op de hoek Zevenend/St.Jansstraat op de plaats waar nu de SNS en Albert Heijn hun vestigingen hebben). Later praktiseerde ik op het Mauvezand en in de voormalige protestantse kleuterschool. Daarna in het AMVJ-gebouw op Torenlaan 27, waar nu mijn zoon de werkzaamheden voortzet.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 132 [2015-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Bert Snelder

Eén van mijn oudste herinneringen is een Zeppelin die overvloog. Dat moet in 1937 zijn geweest, want bij mijn weten is de laatste, de Hindenburg, in dat jaar bij de landing op Lakehurst bij New York in brand gevlogen. In 1939 begonnen met het oog op mogelijke calamiteiten de mobilisaties, waarbij militairen werden ondergebracht in lokaliteiten die daarvoor geschikt leken. Bij ons in de buurt was dat de boerderij van Teus van de Schout op Oosterend 4. Bij wijze van volkomen misplaatste ongein heeft een vaderlandse gevechtsdienaar een touw over een halve deeldeur gedaan en mij aan de andere kant geprobeerd aan mijn nek omhoog te trekken. Ik ben het nooit vergeten. Op vrijdag 10 mei begon de oorlog. Ik herinner me mijn vader, die als tijdelijk gezagsdrager voor die buurt optrad en als teken daarvan een zwart schildje om zijn arm droeg met de tekst “blokhoofd”, wat al behoorlijk oorlogs klonk. Zijn taak was het om burgers die zich tijdens een luchtalarm op de openbare weg waagden naar binnen te sturen. Bij mijn weten is dat één keer gebeurd in die dagen. Ik ging toen toch naar buiten en zag nog net een verdwaald vliegtuigje, alvorens ik door vaders weidse gebaren weer naar binnen werd gedirigeerd. 

Van de eerste oorlogsjaren staat mij niet veel meer bij, behalve dan dat ons huis vol met verf werd gegooid, vermoedelijk door in zwart uniform gehulde boven ons geplaatsten, omdat mijn vader een affiche van de Nederlandsche Unie (een organisatie die zich niet zo zeer tegen de bezetter dan wel tegen de NSB keerde) op de ruit in de voorkamer had bevestigd. Wat ik mij verder herinner was dat onze schoolgebouwen werden geconfisqueerd als legerplaats voor de bezetters. De leerlingen werden ondergebracht in gedeeltelijk vrijstaande villa’s, zoals Ackersaete op St. Jansstraat 50 of soms in schuurtjes, zoals achter de winkeltjes aan de Rijt, naast het woonhuis van meester Bakker, of aan de Schapendrift in een nog bestaande berging, of achter het gebouw van het Witgele kruis op St.Jansstraat 29. 

Illustratie uit het boekje ‘O, dat wintertje ‘45’ door v. Ribbentel-Magerbuick. Archief Gerda Meulenkamp.

Weinig gebeurde er toen nog. Wel verdwenen plotseling twee dames op het Krommepad die tot die tijd als ware weldoensters de buurtkinderen op zaterdagmiddagen voor poppenkastvoorstellingen uitnodigden, begeleid met ranja en andere versnaperingen. Op de ramen van de lokale taveernes verschenen biljetten met de tekst “Voor joden verboden”. Bovenop de Doodweg, waar nu een middelbare school is, stond het Joodse weeshuis de Berghstichting. Ik herinner mij dat de jonge kinderen op de hei liepen en als hongerige spreeuwen de kriekenboompjes kaal plukten. De vruchtjes smaakten zoet, maar tegelijkertijd ook zeer bitter. Ik begrijp nu pas waarom ze deze aten. Er was gewoon niets anders. Wat ook anders werd, was het optreden van de bezetter. Er verschenen regelmatig grote lijsten in de (steeds kleiner wordende) kranten met namen van gijzelaars die gefusilleerd werden. Ook werd iedereen al spoedig verplicht zijn radiotoestel in te leveren plus alles wat van koper was. Ernstiger was dat ook de gebedshuizen hun galmende aanwezigheid kwijt raakten. De klokken werden ingevorderd. Het bewijs hiervan is nog zichtbaar. Na enig turen kunt u de klokvormige littekens ontwaren, die halverwege de gevels van beide torens van onze basiliek aangeven langs welke weg het kostelijke brons verdwenen is, om gebruikt te worden voor de vervaardiging van geheel ander lawaai-makend instrumentarium. Het klokgelui zelf werd vervangen door op een plaat opgenomen klokgeluiden die met luidsprekers via de galmgaten het schraperige geluid tot ieders tevredenheid niet veel verder verspreidden dan het kerkplein. 

Lastig was ook dat de meeste gebruiksgoederen niet meer verkrijgbaar waren, hetgeen ook bleek uit mijn verkeersdiploma (mijn eerste!), dat vermeldt dat het alleen theorie-examen betrof, omdat het materiaal om de fietsvaardigheid te toetsen niet aanwezig was. Ook kleding en schoeisel waren niet meer te koop. Dit bood ruim baan aan vervaardigers van klompen, zoals Lammert Zaal aan de Kerklaan, en kleding, zoals de heren Zeegers aan de Brink. Alles werd schaars, voedingsmiddelen, brandstof etc. Dat vereiste een enorme distributieorganisatie, want niets ging zonder “de bon”. Algemeen werden tekorten voelbaar. Nu bleek, hoezeer het kinderverleden van mijn grootvader als boerenzoon zijn nut bewees. Achter de timmerfabriek die hij begin vorige eeuw gestart was op het Oosterend, had hij een kleine schuur gebouwd waarin hij – geheel illegaal natuurlijk – op deskundige wijze jaarlijks enige varkens grootbracht. Zo zorgde hij ervoor, dat onze voedselvoorraad een stevige aanvulling kreeg. Ik zie hem nog op een kwade dag briesend bij ons binnenkomen, want een van de aan hem toevertrouwde dieren was die nacht gestolen. Het toeval wilde dat het die nacht had gesneeuwd en de dader – om geluidsoverlast te vermijden – de buit al ter plekke het zwijgen had opgelegd. Het bloedspoor bleef te volgen tot op de drempel van zijn woning. Mijn grootvader heeft zeer zeker de gannef op het foute van zijn handelwijze gewezen, maar of hij daarmee het gebraad terug heeft gekregen valt zeer te betwijfelen. Aangifte was nu eenmaal onmogelijk. Hij zou ook het andere dier zijn kwijtgeraakt of nog erger.

Toen was daar plotseling Dolle Dinsdag. Het gerucht ging dat de geallieerde legers aan een grote opmars waren begonnen. Ze waren al in Breda, een uur later in Rotterdam, nog een uur later in Gouda. Nog iets later stond een menigte op het kruispunt van de Hilversumseweg en de Rijksweg joelend de in allerijl vluchtende NSB-ers uit te zwaaien, maar vooral om de eerste Amerikaanse tank te kunnen begroeten die toch spoedig uit de richting van Hilversum mocht worden verwacht. Maar het liep anders dan iedereen verwachtte. Het ergste zou nog beginnen: weliswaar waren in het zuiden van het land grote vorderingen gemaakt, maar het zette niet door en het gevolg was dat de toegangswegen voor onze voedselbronnen en brandstof werden afgesneden. Een inktzwarte winter kondigde zich aan. Met allerlei hulpmiddeltjes werd geprobeerd in de eerste behoeften te voorzien, kaarsen, indien nog te krijgen, carbidlantarentjes met explosiegevaar, en natuurlijk hadden we in het Gooi nog een rijke houtvoorraad. In het laatste kwam snel verandering. Want gewapend met zaag en handkar begon eenieder die daartoe nog de kracht bezat met de grootste kaalslag die onze regio ooit gekend heeft de natuur te ontmantelen. Mijn broer en ik hebben vooral het bos aan het Raboes, waar nu het scoutingcentrum is gevestigd, flink aangetast (recht tegenover de villa waar de Ortskommandantur zijn zetel had!). Weliswaar werd met de doodstraf gedreigd om illegaal kappen in te dammen, maar tot uitvoering is het nooit gekomen, omdat het tot een ontvolking van ons dorp zou hebben geleid.

Iets anders dat ik me herinner, was dat ik op Kerstavond van 1944, terugkerend van een bezoek aan mijn oma op het Zevenend, een aanhangwagen onbewaakt op het kermisterrein zag staan. Nieuwsgierig de inhoud inspecterend zag ik een voertuig geheel gevuld met briketten, natuurlijk bestemd voor de bezettende macht. Fluks naar huis en samen met mijn broer en zusje en kinderwagen terug! Mijn broer hield de wacht ter hoogte van het huidige Brinkhuis, terwijl ik plunderend onder het dekzeil de zwarte blokken aan mijn zusje doorgaf tot de toegestane lading verre was overtroffen. Ongemerkt thuisgekomen heeft de buit de feestweek een extra dimensie gegeven. Nog denk ik wel eens aan de mogelijkheid dat we betrapt waren. Kohlen klauen hoorde wel tot de hoogst mogelijke vergrijpen, die je de bezetter kon aandoen.

Terugkomend op de distributie is gebleken dat Nederlanders een inventief volkje zijn. Er volgde een hevige ruilhandel met de toen nog talrijke agrariërs van ons dorp. Akkers waar de aardappelen waren gerooid, werden nog eens zorgvuldig na geplozen. Daarbij bleek hoe perfectionistisch de oogsters voor ons al waren geweest, want na een gehele ochtend verwoed graven resulteerde dat in een strandemmertje gevuld met krieltjes ter grootte van een erwt. Het spaarde in ieder geval veel schilwerk uit. Ook gebeurde het dat op een van de dagen rond Kerst mevrouw De Leeuw van de zuivelhandel op de hoek Mauvezand/Torenlaan een grote ketel met erwtensoep belangeloos uitdeelde in de hal van wat nu de dierenkliniek is. Alsnog hulde! Een andere voedselbron boden de veehouders uit Eemdijk die – als ze hun vee moesten melken – via het pontje naar de overkant van de Eem gingen, hun afgewerkte producten als karnemelk en taptemelk mee terugnamen en dat voor weinig te koop aanboden. Gelukkig wisten er maar weinigen van. Anders zou de spoeling wel erg dun zijn geworden. Eenmaal was ik te laat en keerde onverrichterzake naar huis. Het liep tegen het einde van de oorlog. Bij het passeren van het tolweggetje tussen Eemnes en Blaricum stonden aan het toen nog bestaande hek twee Duitse militairen. Tot mijn grote vreugde kregen ze blijkbaar medelijden met dat jongetje met die lege melkflessen en bevalen ze een juist van het melken terugkerende veehouder gratis mijn lege vaatwerk te vullen. Protest van de boer hielp niet. Een eerste aanzet tot “Wiedergutmachung” zullen we maar zeggen. In die tijd was bijna niets meer te krijgen. De voedselverstrekking voor een gehele week bestond uit een half brood, een kilo aardappelen, 3 kilo suikerbieten (waaruit mijn moeder in de wasketel een potje waterige stroop destilleerde en van de resterende pulp nog enigszins eetbare koekjes vervaardigde) en ten slotte nog een halve liter melk, waarmee gezien de kleur oncontroleerbaar flink gesjoemeld was. Verder niets: geen zout, geen suiker, koffie of thee en al die andere producten die slechts waren gebleven als herinneringen aan een ver verleden. Hoe en waaruit onze deegkneders het zogenaamde brood vervaardigden is mij onbekend, maar ik weet wel dat het ter beschikking komende Zweedse wittebrood smaakte zoals we dat nu verwachten van de lekkerste cake.

De laatste oorlogsdagen kenmerkten zich o.a. door de voedseldroppings uit laagvliegende Amerikaanse bommenwerpers (bij ons boven de Westerheide). Bommenwerpers die we tot dan toe alleen kenden van hoog nachtelijk geronk, waaruit we er enkele keren eentje brandend neer zagen storten: één vlak achter het kerkhof aan de Laarderweg, waar vele brokstukken verspreid lagen. Eenmaal heeft een toestel zijn dodelijke lading over ons dorp uitgestrooid wat tot veel schade heeft geleid in de omgeving van Beiemansweg en Melkweg. Ook een van onze medebewoners werd hierbij gedood.

En dan was daar de bevrijding! Op vrijdag 4 Mei bleek iedereen nog in het bezit van de vaderlandse vlag en kon het feestvieren en het zoeken naar de schuldigen beginnen. Ik zie nog de Duitse militairen zitten op het kermisterrein, wachtend op hun transport (er waren er toch nog heel wat overgebleven). Ook grote groepen BS-ers (waar kwamen die ineens vandaan?) rukten op naar hetzelfde kermisterrein. Aan de andere kant werd een meisje dat een verhouding met een Duitser gehad had als “moffenmeid” te schande gezet, kaal geknipt en vervolgens op een boerenkar met een vaderlandse vlag in haar capuchon door het dorp gereden en joelend achtervolgd door een wraakzuchtige menigte. Ik was toen te jong om alles te beseffen, maar oud genoeg om het nooit te vergeten en het later in mijn leven een plek te geven.

Moge het hier geschrevene meehelpen de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog ook bij de jonge generatie levend te houden en de voorgenomen instelling van een nationale bevrijdingsfeestdag op 5 mei ondersteunen.