Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

‘De laatste der Mohikanen’…

‘De laatste der Mohikanen’…

Hoe leuk zou het zijn als je bij het schrijven over de broeders van Saint Louis in Laren nog een broeder zou kunnen vinden die in Laren ‘heeft gestaan’! Deze wens ging in vervulling. Via via hoorden we dat er in Oudenbosch nog een broeder-op-leeftijd woonde, die anderhalf jaar in Laren les heeft gegeven op de R.K. Jongens U.L.O.-school (in de volksmond: de SintJans-ulo). Nadat zijn coördinaten bekend waren, is er een afspraak gemaakt.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 129 [2014-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.
Half december reden Mieke en Hans Sanders-Schepers naar Brabant om deze broeder te ontmoeten. Het ging om Peter Webbers (op zijn Engels uitgesproken). ‘Nooit van gehoord’ zullen velen zeggen, maar als men weet dat deze zelfde Peter in Laren Broeder Canisius was, gaan er vast lichtjes branden. Mieke en Hans brachten eerst een bezoek aan het Regionaal Archief West Brabant alvorens naar het adres van Peter Webbers te gaan. Mieke (degene die interviewde) had zich in de weken daarvoor terdege voorbereid en daarom konden ze zowel gericht zoeken in het archief als gericht de vragen stellen. Hans - haar echtgenoot - was haar technische man ter plaatse. Het lange en warme interview hebben we hier moeten samenvatten, van harte hoop ik dat de tekst geen geweld is aangedaan! Graag laat ik Peter en Mieke aan het woord!
Antoinetty van den Brink

Mieke en Hans Sanders-Schepers

Een vrolijk uitziende man staat op de stoep zijn pijpje te roken. We besluiten aan hem te vragen of we bij het goede adres zijn. Ik draai het raampje open en… hij noemt onze naam: Peter Webbers staat ons op te wachten. “Hoogbejaarder dan ik, dat kan bijna niet hè?” zegt hij, terwijl hij lacht. Deze hartelijke en open ontvangst kleurt gelijk de rest van de morgen. Peter – niet in habijt, wat wel mijn verwachting en misschien hoop was – steekt gelijk van wal met aan te geven dat hij zich zorgen maakt over het weinige dat hij zou kunnen vertellen. “Het gesprekje kan heel kort, immers, ik heb er maar anderhalf jaar gewoond en gewerkt”. Peter Webbers (1928) werkte eerst in Roosendaal en van 1949 tot 1953 in Rotterdam. Vanaf 1 september 1953 tot 31 december 1954 geeft hij les aan de jongens­ulo in Laren. Wij kennen hem als broeder Canisius. Als hij overgeplaatst wordt naar Canada in 1955 zal hij deze naam veranderen in Peter.

Vooruitlopend op onze ontmoeting heeft broeder Peter een foto laten vergroten die hij gevonden heeft van het veertigjarig jubileum van de Broeders in Laren (1914-1954). Aan de hand van deze foto zal een aantal broeders de revue passeren en komen er ook herinneringen op. In schoonschrift lezen we het fotobijschrift uit 1954: ‘De broeders van St. Louis 40 jaar in Laren’.

De broeders van St. Louis 40 jaar in Laren: Eerste rij, v.l.n.r.: Broeder overste Ignatius Post; Broeder Dominicus Saut, stichter van Laren; Broeder Venantius de Roos, oud-overste; Broeder Amantius Veel, oud-overste en Broeder Philibert van Doornewaard. Tweede rij, v.l.n.r.: Broeder Nazarius Romijn; Broeder Achilles Domen; Broeder Hermanus Deneef; Broeder Monulfus van de Broek; Broeder Ludwinus Bakker; Broeder Bonvonutus de Graaf; Broeder Albericus van Botten; Broeder Fernando Snelting; Broeder Leontius van Elsdingen; Broeder Possenti Lammers; Broeder Gerulphus Krans en Broeder Canisius Webbers. Op de foto ontbreken broeder Bellarminus Mars en broeder Benjamin Sneekes. Zij kwamen pas in augustus 1954 bij het nieuwe schooljaar.

“Kijk, dat is broeder Dominicus Saut, hij is de eerste overste”. Mijn oog valt op een klein zijden hoofddeksel in de vorm van een bolkap, dat broeder Dominicus draagt. Broeder Peter vertelt dat dat een Soli-Deo is (alleen voor God af te nemen) en in de volksmond een ‘solideetje’ heet. De kruisvaarders riepen: “Soli Deo Basta!” Op dezelfde rij zien we broeder Amantius en broeder Venantius die beiden zes jaar overste zijn geweest in Laren en broeder Ignatius die in 1954 overste was. De oud-oversten kwamen allemaal naar Laren voor de viering van het veertigjarig jubileum.

“Naast al deze oversten zit broeder Philibert van Doornewaard. Philibert dat is MCC! Elke Laarder uit die tijd kent hem”. Peter heeft Philibert goed gekend aangezien ze beiden muzikaal waren. (Peter speelde zelf piano) Iedere keer dat Peter – na 1955 – Nederland bezocht, ging hij ook langs bij alle broederhuizen. Ging u elk jaar naar Nederland? “Eerst gebeurde dat om de zes jaar, daarna werd het vijf, toen om de drie en de laatste paar jaar ging ik bijna elk jaar”. Op mijn vraag of dat een geldkwestie was, antwoordde Peter dat je eigenlijk sober moest leven. Dat was een feit en daarom hadden ze die regels. Het was zoals het was. Zijn oog valt weer op de foto. “Nazarius Romijn, heel bekend in de handarbeidwereld. Hij nam ook door heel Nederland examens af.” 

“En die, die was ook goed bekend in Laren: broeder Achilles Domen, ‘die van het voetbal’. Hij is geen broeder gebleven, maar in de jaren zeventig uitgetreden.” 

Is uittreden een ramp binnen de broedergemeenschap? Het antwoord was heel kort: “Ja!”. Op mijn volgende vraag of ze dan wel je vriend bleven, hakkelde Peter een beetje. “Het was eigenlijk not done. Er werd wel contact gehouden, maar niet officieel zal ik maar zeggen”. De vertrekkende broeder staat dan opeens los van de broedergemeenschap waar hij tig jaren in heeft verkeerd en waar vriendschappen zijn gesloten. Er werd vaak nog wel geprobeerd zo iemand te behouden voor de gemeenschap, maar als het eenmaal zover is, heeft dat geen enkele zin meer. Peter beaamt dat het te vergelijken is met het verbreken van een huwelijk bij gewone burgers en stapt naadloos over naar broeder Hermanus Deneef. “Een heel gezellig man, afkomstig uit het Limburgse Gulpen, maar hij werd hoofd van een lagere school voor jongens buiten Laren en Hermanus stond erop dat hij ook dáár in de eerste klas les kon geven”. 

Door Hermanus komen we op het geven van onderwijs in het algemeen. Zijn gemengde klassen leuker dan alleen jongens? Peter gaf in Canada les aan klassen met zowel jongens als meisjes. Hij had geen voorkeur voor gemengd of alleen jongens. Als we over deze tijd spreken, mijmert hij glimlachend terug naar die tijd. Lesgeven vond hij heel leuk! Hij mist het niet, aangezien hij het de laatste jaren wel een beetje gezien had. Hij trad op zijn tweeënzestigste vervroegd uit het onderwijs. 

“Deze kent u helemaal niet”, en wijst op broeder Monulphus. “Hij zorgde voor de huishoudelijke schoonmaak en zo, maar hij is niet zo lang gebleven in Laren.” “Dit is broeder Ludwinus Bakker, zeker beter bekend bij de Larense bevolking. Een goed onderwijzer en ook een muzikaal onderwijzer. Drie jaar vóór Peter werd Ludwinus broeder. ‘Hij is drie jaar ouder’ heet dat. Heeft dus niets met leeftijd te maken maar met het moment van toetreden tot de broederschap”. “Bespeelde hij instrumenten?”, was mijn volgende vraag. “Nee, behalve piano geen andere instrumenten, maar hij was een uitstekend koordirigent, hoewel hij – naar ik me herinner – geen koor in Laren heeft gehad”.

Dit is een mooi moment om aan broeder Peter te vragen of hij weet wie het koor voor de Goede Herder parochie heeft opgericht. Heel bescheiden komt het antwoord: “Dat ben ik!” “Niet als broeder Peter, maar als broeder Canisius. In de zomer van 1954 kwam de pastoor en vroeg mij of ik een koor wilde voorbereiden voor de Goede Herder. Ik heb het maar een klein half jaar gedaan want toen ging ik weg uit Laren. Van de pastoor kreeg ik een getuigschrift mee voor de autoriteiten in Canada”.

Hoe hij het aanpakte is een leuk verhaal dat ik graag deel. Broeder Peter vertelt: “Er waren wat jongens. Waren het jongens of waren het jongens en meisjes? Dat weet ik niet meer, maar in ieder geval waren er wat leerlingen van de school, wiens ouders natuurlijk daar bij de toekomstige parochie zouden gaan horen en die kinderen werden dan naar mij gestuurd. We hadden een plaats om te repeteren, maar waar precies dat weet ik niet meer. Het was ergens in de buurt van de Goede Herder, aan de rand van Laren waar de hei begon en er was een café en in de zaal van het café gingen wij repeteren. Een paar ouders fronsten daarover wel de wenkbrauwen!” en hij lacht voluit! (red. Café Puik aan de Smeekweg). “Eens per week werd daar geoefend na schooltijd. Er werden geen stemtesten afgenomen, we begonnen gewoon te zingen. Kerkliederen waarvan het de bedoeling was dat die gezongen gingen worden bij de openingsmis van de nieuwe kerk.”

Peter (Webber) met enkele leerlingen, St. Mary te Tabora, Tanzania.

In het logboek van de broeders staat op 25 december 1954 te lezen: ‘Broeder Canisius en broeder Benjamin zongen met het knapenkoor van de nieuwe kerk in de twee stille missen van de nachtmissen in de basiliek’. Broeder Benjamin en broeder Bellarminus kwamen – zoals gezegd – in augustus 1954 naar Laren. Broeder Peter herinnert zich Bellarminus totaal niet, hoewel de naam wel is blijven hangen. Ook Bellarminus trad uit en toen hij opa was heeft hij een boekje geschreven over zijn leven als broeder. Dat is waarschijnlijk de reden waarom de naam nog bekend voorkomt.

In ditzelfde logboek lezen we over… autorijlessen van broeder Canisius. ‘19 december 1954, broeder Canisius, die al enige rijlessen heeft gehad, gaat weer rijden. Enige broeders, waaronder broeder-overste wagen hun leven en maken de reis mee. Een van hen heeft in doodsangst gezeten.’ 

Broeder Peter verhaalt vervolgens over de opleiding tot broeder. Aangezien er ook over Lambert Calis een artikel in dit kwartaalbericht staat waarin dit ter sprake komt, slaan we dat hier even over en laten Peter vertellen over wat hij weet over de oorlogsjaren in Laren. Inderdaad weet hij dat de Duitsers zowel het broederhuis als de school hadden geconfisqueerd. Volgens hem woonden de broeders o.a. in het gebouw van het Wit-Gele kruis aan de Sint Janstraat en de klassen vonden elders in Laren onderdak. In het archief troffen wij inderdaad een lesrooster aan waarop er ‘gegoocheld’ werd om alle klassen toch nog van leslokalen te voorzien. Er waren noodscholen op de Sint Janstraat 50, lokaal Ackerstate I en II, bij de familie G. Gieskens, lokaal Schapendrift 16, lokaal de Rijt 14, lokaal Sint Janstraat 18. Lokaal Heideveldweg 62, bij de familie Clijnk en een lokaal bij Hotel Hamdorff. Later zouden er ook noodleslokalen zijn bij o.a. Tapijtfabriek Van den Brink & Campman en bij Tapijtfabriek Willard, maar die staan (nog) niet op de lijst van de broeders. De lessen lichamelijke oefening werden gegeven op het LVV-terrein aan de Doodweg.

In het archief vond ik een formulier waarop ‘leefregels’ stonden aangegeven. Onder andere over het aantal te roken sigaren en ook wanneer je die mocht roken en over het aantal gangen op het menu. Dit was afhankelijk van eerste, tweede of derde klas feestdagen. Zo is Kerst een eerste-, Hemelvaart een tweede- en Sint Nicolaas een derde-klas feestdag. Broeder Peter geeft aan dat dat vrij snel na de oorlog veranderde, maar in een gemeenschap – en zeker als er meerdere gemeenschappen in Nederland zijn- is het wel handig als je regels hebt.

We gaan weer terug naar de foto die nog steeds voor ons op tafel ligt. “Dit zijn broeder Benvenutus (zat later in de ziekenboeg voor broeders die verzorging nodig hadden) en broeder Ludwinus. En deze, broeder Fernando Sneltink was jonger dan ik. Hij werd al heel snel onderwijzer van handarbeid. Het was een goeie kerel, die jong gestorven is. Hier broeder Albericus, een goed onderwijzer. Deze laatste is niet als broeder gestorven en vervolgens noemt hij nog drie namen van uitgetreden broeders, waaronder broeder Leontius. Op mijn vraag of dat er niet veel zijn, antwoordt hij heel spits: “Kunt u uit uw jongere tijd drie families noemen waarvan een huwelijk is gestrand?” Op mijn bevestigende antwoord reageert hij: “Tuurlijk! En het gebeurde dus wel, maar niet frequent. Met name in de jaren zestig en zeventig, maar daar was alles vrij hé?” Hij krabbelt op zijn voorhoofd en ik vraag hem of hij hoofdpijn heeft en wil stoppen. Waarop hij lachend antwoord: “Nee, maar er staat geschreven en gedrukt: je moet krabben waar het jukt!” 

Naar aanleiding van broeder Philibert, bespreken we het constant verplaatst worden. Broeder Peter was twee maanden in Rotterdam, een jaar in Roosendaal, toen vijf jaar Rotterdam en vervolgens anderhalf jaar in Laren voor zijn vertrek naar Canada, zes jaar en later Tabor in Tanzania, voor drie jaar. Broeder Philibert heeft een onwaarschijnlijk lange tijd in Laren gezeten, bijna zevenendertig jaar! Dat is heel apart, want de uitdrukking in die tijd was dat je een ‘koffer op wieltjes had’, steeds bereid moest zijn om je biezen te pakken en elders opnieuw te beginnen. “Een jonge boom moest verplant worden”, zeiden ze, “dat is gezond!” Het feit dat je ‘thuiskwam’ bij broeders van dezelfde congregatie hielp uiteraard wel! 

Tijdens de oorlog werden de scholen in noodlokalen ondergebracht zoals de klas van Broeder Perpetuüs in de schuur van J. de Leeuw op De Rijt 14 (1943).

We zijn nog steeds niet door alle broeders heen. Broeder Possenti Lammers, heette later in Canada Francis. Possenti was ook geen onderwijzer, maar “hij en Monulphus, waren ons wel de baas!” Als er iets gebouwd moest worden of iets in de tuin aangelegd, dan was Possenti erbij. “Een gewiekste man. Als we iets opperden, zei hij: ’Mmm, stupid teachers!’ Daarnaast staat broeder Gerulphus Krans. Hij was hoofd van de ulo-school. Er ‘stonden’ bij elkaar maar drie broeders op de ulo omdat er maar drie klassen waren.” De school lag aan de achterkant van het broederhuis aan het eind van een lange tuin. Broeder Canisius gaf Frans, Duits en Engelse les. Hij had LO-akten voor deze talen en broeders die MO-akte hadden gaven hem dan weer les. Hij woonde onder het dak, in een van de kleine dakkapellen van het broederhuis. Aanvankelijk was het broederhuis gebouwd voor acht à negen broeders, maar in de beginjaren vijftig woonden er zo’n veertien à vijftien broeders. Of hij het lastig vond om klein te wonen ten opzichte van anderen die een grote kamer hadden? Hij haalt zijn schouders op. Je hebt gelofte van soberheid afgelegd en tuurlijk is het wel eens pijnlijk, maar zo is dat nu eenmaal. Het gaat niet zozeer om de huisvesting, maar om de mensen met wie je woont. Je bent allemaal op dezelfde manier gevormd en bent daarin voor elkaar herkenbaar, waar je ook was: thuiskomen! 

“En dan gaan we nu stoppen”, zegt onze technische man, waarop broeder Peter het laatste woord heeft: “Amen!”.


Het volledige interview van Mieke en Hans Sanders-Schepers is zeer de moeite waard om te lezen. Hoewel ik het heb ingekort, is wel de ‘ik’ – vorm gehandhaafd om op deze wijze zo dicht mogelijk bij de ontmoeting in Oudenbosch te blijven. Voor Mieke hoefde haar naam niet genoemd: wij dachten daar anders over! (AvdB)