Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Japie Willard van de Pijlsteeg

Japie Willard van de Pijlsteeg

Japie was een gewone jongen uit de Pijlsteeg (Kerklaan) in de jaren rond 1900. Het was de tijd van meester van Wulfen. Trouw ging Japie op zijn klompen elke dag naar de school op de Brink van meester Johan van Wulfen, die vaak tevergeefs probeerde de jongens het tellen in het Larens af te leren. Maar dat was moeilijk, want het was gemakkelijker te tellen zoals dat thuis gebeurde: “Heen, twee, dree, vier, vaaf, zes, zeuven, hacht, negen, tien”.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 113 [2010-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Arnold van Kessel *

In de banken konden wel 4 leerlingen tegelijk zitten en als Japie of een ander – zoals zo vaak gebeurde – wel eens stout was dan trok de bovenmeester de boosdoener aan zijn oor uit de bank, de naast hem zittende leerlingen meesleurend. De oren hielden het altijd en bleven gelukkig niet achter in de handen van de bovenmeester. In een van die lange banken was ook een relikwie van Piet van de Berg, zoon van de smid. Die had een nieuw zakmes gekregen. Hij had met grote hanenpoten zijn hele naam in de nieuwe bank gekerfd: ‘Piet van de Berg’. Het was een erg lange naam en de meester werd ook erg kwaad. Piet kreeg de nodige tikken, waar men in die jaren niet moeilijk over deed. Na school was het hoog tijd om kattenkwaad uit te halen. Het station van de Gooische Moordenaar was midden op de Brink, waar later fietsenhandel Vos in kwam. Daar was altijd wel wat te beleven. Het afgelopen weekend was het ook weer raak geweest. 

Iedere zaterdagavond werden de koperen lampen van de ‘Gooische Stinkerd’ zoals de ‘Gooische Moordenaar’ ook genoemd werd opgepoetst en werden dezen onder toeziend oog van stationschef Siedenburg – altijd getooid met zijn rode pet – in de houten kist gedaan om maandagmorgen weer blinkend schoon op de hijgende loc van Henschel und Sohn uit Kassel geplaatst te worden. Enkele jongens, waaronder Japie uit de Pijlsteeg kregen in de gaten, dat de deur van de wachtkamer – nou ja wachtkamer verdiende het stinkende hok eigenlijk niet – niet op slot was. Ze kropen stiekem het hok binnen, waar naast een paar ruw houten banken de kist stond met de lampen. Vlug werden alle lampen aangestoken en de deksel op de kist gesmeten. Spoedig kwamen dikke rookwolken naar buiten door de slecht sluitende deur. “Brand” werd er alom geroepen, Laren was hier erg bang voor, vooral omdat een behoorlijke blusinrichting niet bestond, 2 brandspuiten, die met de hand bediend werden. En het reservoir werd met water gevuld door het aandragen van emmers water. Met een miezerig straaltje door een armzalig slangetje kwam er dan wat bluswater. Gelukkig viel de brand mee en Siedenburg stond met een rode neus – niet duidelijk was of deze kleur normaal was of het gevolg van een verblijf in het logement “De Hessenkar”, de voorloper van Hamdorff – boos toe te kijken. De jongens hadden het schouwspel op een afstand bekeken en vandaag zochten ze dus naar nieuwe mogelijkheden. De tram was nu net de Lijnbaan (de Rijt) opgereden en dus slenterden ze maar de Pijlsteeg in. Bij de boerderij van Fok Calis was een grote ronde mesthoop, zoals je vaak bij boerderijen zag. In het midden was een grote gele plas, die bevroren was ten gevolge van de laatste vorstnacht. Het had licht gevroren en de gele plas in de mesthoop had een ijslaagje. Japie klom voorzichtig op de hoge mesthoop. De andere jongens begonnen Japie uit te dagen. “Je durft er toch niet op te lopen, ha ha je bent een schijtert”. Tja, dat kon Japie niet op zich laten zitten. Voorzichtig zette hij zijn rechter klomp op het ijs. Het ijs hield. Hij zou die rot jochies van zijn klas wel eens even een poepie laten ruiken. Voorzichtig trok hij zijn andere klomp bij. Het ijs kraakte wel een beetje. Het eerste voorzichtige stapje gaf duidelijk de indruk dat het gele ijs wel zou houden. Dus riep hij lachend naar de andere jongens: “Zie je wel dat ik het durf”. Nog een paar stappen verder maar toen sloeg het noodlot plotseling hard toe. Het ijs begaf het en Japie zonk tot zijn schouders in de gele stinkende mestlaag weg. De jongens vonden het prachtig. Maar Japie verging het lachen. Vlug klom hij op de kant en rende naar huis. Sindsdien droeg Japie een nieuwe Larense bijnaam. In het vervolg heette hij – ter onderscheiding van anderen met dezelfde achternaam – Japie Kak-Dun. 

* Arnold van Kessel is op 27-11-2009 overleden