Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren
035-629 49 45
info@historischekringlaren.nl

Schildersclub ‘De Tien’ (4)

Schildersclub ‘De Tien’ (4)

Deel 4: Dames worden lid en het einde van Club De Tien (slot)

Het symbool van het Romeinse getal tien heeft een magische uitstraling. Dat is vandaag zo bij de introductie van de nieuwste ‘smartphone’ van multinational Apple en ruim 100 jaar geleden was dat zo bij de eerste Gooische schildersvereniging Club De Tien. De overeenkomst tussen deze zo verschillende tegenpolen is de kracht van hun marketing.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 143 [2018-1] . Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Peter C.L. van der Ploeg

De Club afficheert zich met een krachtig logo: een rode Romeinse X in een rode cirkel. Misschien een verwijzing naar symbolische kunst. Club De Tien oprichter en president August Legras neemt in de zomer van 1912 voor de laatste keer deel aan een tentoonstelling van de club die hij in 1903 heeft opgericht. De club bestaat gewoonlijk uit een tiental schilders, woonachtig in het Gooi, meestal Laren of Blaricum. Hun werk is heel divers van sprookjesachtige, symbolische voorstellingen tot aan industriële afbeeldingen. Juist door verscheidenheid en uitgekiende marketing weet de club in de periode 1903 tot aan 1918 veel publiek te trekken naar tentoonstellingen die door heel Nederland worden georganiseerd. Een groot succes. Er wordt veel werk verkocht. Desondanks is het verloop onder de leden groot. In de vijftien jaar van het bestaan van de club verandert de samenstelling regelmatig en in totaal hebben 35 verschillende schilders meegedaan. Vrijwel uitsluitend mannen, maar dat verandert in 1913 als de eerste schilderes een plek krijgt. 

Waar is Legras?
Ineens is hij verdwenen. Legras is een actieve, ondernemende man, die toch niet zonder reden zijn club zal verlaten. Het blijkt dat Legras in oktober 1911 naar Kairouan, de oude hoofdstad van Tunesië, is afgereisd. Hij verblijft daar in ieder geval enkele maanden en beschrijft zijn observaties in een boeiende reeks brieven die periodiek verschijnt in het Algemeen Handelsblad. Uit zijn gepubliceerde brieven valt af te leiden dat Legras van 1911 tot en met voorjaar 1913 ten minste drie reizen heeft gemaakt waarvan hij verslag doet. Tijdens zijn tweede reis van april tot en met juni 1912 schrijft hij zijn brieven vanuit Ghardaia, een Berberse oasestad in Algerije. Bij zijn laatste reis, van december 1912 tot en met februari 1913, correspondeert hij vanuit Tunis. 

In 1911 toonde Legras slechts twee stukken op de tentoonstelling van Club De Tien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van 10 februari tot en met 6 maart laat hij in een duotentoonstelling met Johan Gebhard (1865-1927) 1) bijna honderd schilderijen, schetsen en tekeningen zien 2) van zijn reis in 1911. Het werk verkoopt goed. Maar liefst 35 schilderijen en enkele tekeningen gaan van de hand. Volgens de recensent van het Katholieke Landelijke Dagblad het Centrum een teken: “Dat de werken van August Legras begreepen en gewaardeerd worden…” 3) Het succes leidt tot deelname aan een tentoonstelling bij de Utrechtse Kunsthandel Caramelli en Tessaro waar Legras acht Afrikaanse werken exposeert van 8 tot 22 april 1912. 4) 

Stilleven met visch en fruit. Volgens criticus Henri van Calker, die het schilderij ziet op de tentoonstelling bij de Vrijmetselaars in Hilversum in 1915, blijkt uit dit werk dat Legras een uitnemend tekenaar is. Hij schrijft: ”…waarvan de stofuitdrukking, zoowel van den tinnen schotel als van de visschen vooral, onverbeterlijk genoemd mag worden.” 9)

Legras is in april alweer vertrokken naar Ghardaia, ongetwijfeld profiterend van de opbrengst van zijn schilderijenverkoop. Na terugkeer van zijn reis in augustus/september 1912, neemt hij deel aan een tentoonstelling in Zwolle 5). In december 1912 reist Legras naar Tunis waar hij in ieder geval tot en met februari 1913 verblijft. Mei 1913 presenteert de Amsterdamse Kunsthandel Buffa een dertigtal werken van Legras. Recensent C.L. Dake schrijft hierover in zijn verslag: “Bij Buffa exposeert Auguste Legras, de Arabierenvriend. Als men Legras gekleed ziet in zijn burnoe, de kap over den zwartharigen kop en de voeten in woestijnschoenen, dan ziet hij er echter uit dan menig onvervalschten Berber uit Noord-Afrika. Vele malen en maanden achtereen is hij reeds in Algerië ver in het binnenland, geweest en ’t leven onder een tent prefereert hij, denk ik, boven dat in een steenen huis. Hoewel hij gehuwd is met een blonde Christenvrouw, geboortig uit het land tusschen Schelde en Dollart, noemde hij toch zijn eeniggeboren zoon Mohammed. Het is dus geen wonder, dat hij de onderwerpen zijner kunst, uitsluitend is gaan zoeken in het Afrikaansche land en het is dan ook daarmede, dat hij succes heeft gehad.” 6) Burnoe = Lange kapmantel. 

In 1914 heeft August Legras van 15 tot en met 25 oktober een solotentoonstelling in het concertgebouw van Hengelo. De catalogus noemt 22 voornamelijk Noord-Afrikaanse titels maar ook ‘Bosch met schapen’ en ‘Stilleven met visch en fruit’. Op bijgaande prijslijst worden deze twee aangeboden voor respectievelijk fl. 800 en fl. 450,-. De verkoopprijzen voor de andere titels variëren van fl. 150 tot fl. 2000,- 7). Voor een indicatie van de vergelijkende geldwaarde toen en nu het volgende voorbeeld: fl 500.00 in het jaar 1914 heeft een “koopkracht” van fl. 11 711.84 (€ 5 314.60) in het jaar 2016 8).

Met de verre en maanden durende reizen, het uitwerken van zijn schetsen, het voltooien van schilderijen en onderhouden van zijn menagerie plus bijkomende tentoonstellingsactiviteiten is te begrijpen dat Legras er gewoonweg niet meer aan toekomt ook deel te nemen aan de tentoonstellingen van Club De Tien. Want het zal toch niet zo zijn geweest dat hij zijn Club meed vanwege aantredende vrouwelijke leden?!

Christine van der Willigen sluit aan
“Het is toch een zonderling land, beter; het zijn -zonderlinge landen de Noord-Afrikaansche Staten. Het is alles zoo heel anders dan in Europa, dat toch zoo vlakbij is; men leeft hier in ideeën die wij Europeanen in de middeleeuwen hadden.”10), schrijft Legras in 1911. Toch zijn de denkbeelden van Legras nog niet geheel afgestemd op ontwikkelingen in Europa. Terwijl in Nederland en andere landen al jarenlang door arts en feministe Aletta Jacobs (1854-1929) en anderen wordt gestreden voor de wereldwijde invoering van het vrouwenkiesrecht is het nog een echte mannenwereld. Club De Tien is een mannenclub. Legras heeft bezwaren om vrouwen toe te laten. 

Chris van der Willigen, Anemonen, aquarel 1913, collectie H.A. van Manen (foto PvdP NoordVeluws Museum, Nunspeet).

Op donderdagvond 13 april 1939 opent Herman Heijenbrock in de Openbare Larense Bibliotheek de tentoonstelling van het nagelaten werk van Christine van der Willigen (1850-1931) met een toespraak. Hij memoreert aan de periode dat beiden lid waren van Club De Tien: “Ik meen(…) dat zij de eerste vrouw is geweest in de Club van Tien” (…).Haar toetreding had nogal wat beroering gebracht, daar de president, Auguste Legras, zich daar beslist tegen had verklaard. ‘Geen vrouwmenschen in de Club’, zeide hij, ze kunnen je toch niet helpen bij het uitpakken en het ophangen, enz.” en vervolgt de verslaggever van de krant het betoog van Heijenbrock: “Temidden van het ontluikende feminisme van die dagen is zij tòch in de club gekomen en na haar nog meerdere knappe vrouwen en goede kameraden.” 11) Heijen­brock vergist zich hier, maar doelt waarschijnlijk op groeperingen van kunstenaars die de opvolger zijn van Club De Tien, waaraan volop vrouwelijke kunstenaars deelnemen. Club de Tien heeft gedurende haar bestaan echter niet meer dan twee vrouwelijke leden gekend. Christine van der Willigen, die deelneemt sedert de tentoonstelling van De Tien in Rotterdam in januari 1913 en Adrienne Broeckman-Klinkhamer (1876-1976) vanaf december 1915 bij de tentoonstelling in Zwolle. Adrienne is in 1906 getrouwd met de schilder Anne Broeckman, die in 1907 participeert in de in dat jaar opgerichte en opgeheven coöperatieve kunstwinkel van Club De Tien 12) Anne Broeckman neemt slechts vier keer deel aan de tentoonstellingen van Club De Tien en wel in de periode 1906/1907.

Het is niet zo dat er geen vrouwelijke schilders zijn van goed kwaliteitsniveau. Zoals bijvoorbeeld momenteel een schitterende tentoonstelling in het Noord Veluws Museum in Nunspeet laat zien. ‘Vrouwen uit de kunst! 13) Deze tentoonstelling loopt tot en met 4 maart 2018 en toont bijzonder mooie schilderijen van o.a. Anna Lehmann (1876-1956), Jo Koster (1869-1944), Suze Robertson (1855-1922) en anderen. Een van die vrouwen ‘Uit de Kunst’ is Chrisje van der Willigen. Evenals veel schilderende vrouwen van haar generatie stamt ze uit een gegoed milieu. Zij is de dochter van de arts, schrijver en kunstverzamelaar Adriaan van der Willigen (1810-1876). De reislustige Christine verwerft vooral bekendheid met haar bloemstillevens, terwijl zij ook wel landschappen schilderde. Nadat zij in 1906 in Laren komt wonen, volgt ze lessen bij Heinrich Krabbé, die al vanaf 1907 lid is van Club De Tien en haar wellicht als nieuw lid heeft voorgedragen.

Kunstcriticus Nathan Wolf (1872-1942) torpedeert in zijn recensie – in het door hem in 1909 opgerichte geïllustreerde weekblad De Kunst- een bijdrage van Christine. Nadat De Wolf een stilleven van fruit en vruchten van Tjeerd Bottema prijst op uitmuntende kwaliteiten, stelt hij: “Tegenover dit stilleven van Bottema lijkt mij dat van mej. Van der Willigen een misgreep. Schijnbaar heeft zij eens modern willen doen, zonder te bedenken ‘dat ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is’, – en het forceeren van haar kunnen is dan ook falikant uitgekomen. Echter, Wolf vervolgt zijn observatie met: “Haar Cinia’s (no. 30) zijn véél beter. Zelfs geven zij aanleiding tot vergelijking met een schilderij van Cinia’s van Toon de Jong (no. 14), waar het karakter der bloemen geforceerd is zóó dat het lijkt of zij uit kurk of hout gesneden zijn!” 14) Wolf eindigt zijn recensie met: “En eindelijk Krabbé, de voorzitter der Club, die een móói schilderijtje zond van zijn dochtertje Grietje.” 15) De afwezige president Legras heeft een vervanger.

Portret van Christina Abigael van der Willigen (1850-1931) door Adrienne Broeckman-Klinkhamer (Afb. in ‘De vrouw en haar huis’, 15(1921), P.48. Opgestoken Grijzend Haar) 18).

Bij haar tweede deelname aan de tentoonstelling van de Club De Tien in het Stedelijk Museum Amsterdam in februari 1913 krijgt Chrisje er van langs van recensent Gio:
“Mej. Van der Willigen, om met de eenige vrouw te beginnen, werkt nog precies als een paar jaar geleden, toen zij met twee anderen een tentoonstelling had: vlot werk, maar ruw en ongeacheveerd, wel sterke kleuren maar lang niet altijd tot een mooi geheel geworden, niet tot kunst verwerkt. Mej. V.d. Willigen werkt blijkbaar heel hard, zij zond maar eventjes een kleine tachtig werken: wanneer zij een volgende maal er eens tien zond, waarop zij even lang en even ijverig gewerkt had als op deze tachtig?” 16)

Ook professor Carel Dake is niet enthousiast: “Mej. Van der Willigen is geweldig vlijtig en vlug. Maar zij brengt het niet verder dan tot vrij oppervlakkige schetsen, hoewel erkend moet worden dat er hier en daar veel pittigs in haar werk is. De aquarellen zijn goed van kleur en frisch aangewasschen. Maar bloemen hebben behalve kleur, toch ook fijne vormen en zijn van teedere fragile stof, en dat stof-uitdrukken, dat weergeven van het lieflijke van haar modellen, lukt mej. V.d. Willigen zelden. Toch zag ik verscheidene aanzetten met genoegen en vind ik zelfs veel kranigs in de anemonen geëxposeerd onder no. 181. In Chartres maakte zij een mooi olieverfstudie, in Brugge een goede tekening en in Carcasonne een vlot opgeschreven waterverfteekening. Toch mochten er onder de 77 werken wel meer zijn geweest, die zich door eenige compleetheid onderscheidden.” 17)

Gerard J.J. de Boer, De Vliegende Hollander, circa 1910, op 19 november 2017 verkocht op Kunstveiling.nl

Verbeeldingsfilosoof
Gelijktijdig met Van der Willigen arriveert Gerard Johannes Josephus de Boer (1874-1935) als nieuw clublid. “Gerard J. de Boer is de man van de idyllische landschappen met figuren, vrouwen gegroepeerd om een vijver e.d., eenigszins romantisch werk, dat een zekeren zwier heeft. Ik ben benieuwd of de groote Herfst (no. 1), dat aantrekt door mooie kleur, verder doorgevoerd en gestoffeerd dat zijn De Boer’s stukken bijna altijd – zoo goed zal worden als het in zijn tegenwoordigen staat schijnt te beloven.” 19) Zo beschrijft recensent Gio de inzending van De Boer in het Stedelijk Museum. 

Theosofie
Theosofie = is een metafysische religieuze filosofie die stelt dat alle religies pogingen van een goddelijke macht zijn om de mensheid tot grotere perfectie te brengen. Daarom stelt de theosofie dat elke religie een deel van de waarheid in zich heeft. 21)
“De kerngedachte van de theosofie is dat alle wezens in essentie één zijn, want alles komt voort uit dezelfde onkenbare bron. Alles leeft en ontwikkelt zich – van de kleinste deeltjes tot planten, dieren, mensen, planeten, sterren en melkwegstelsels. Elk van deze is in zijn kern goddelijk, en evolueert, afhankelijk van zijn ontwikkelingsgraad, op spirituele, mentale, psychische, etherische en fysieke gebieden van bewustzijn en substantie.” 22)

Van Gerard de Boer is weinig informatie te vinden. Bij het RKD (Rijksinstituut voor kunsthistorische documentatie) wordt hij wel als kunstenaar geregistreerd, maar de informatie is schaars. Hij wordt genoemd als mede-oprichter van de Vereeniging Kunstenaars der idee. Van deze groepering biedt het RKD geen nadere gegevens. De tentoonstellingsgids van het Haags Gemeentemuseum vertelt wel over deze groep. “In 1911 voert een klein groepje Nederlandse kunstenaars het woord idee in hun vaandel, door zich kunstenaren der idee, of ook wel Schilders der gedachte te noemen.” 20) De naam van de Boer wordt vermeld en daar blijft het bij. Zijn ster is niet hoog geklommen. Hij is een zo goed als vergeten kunstenaar. 

In haar boek ‘De Wereld in een dorp’ wijdt Lien Heyting een paragraaf aan de ‘Kunstenaren der idee’. Zij legt een verbinding tussen de theosofie en een aantal kunstenaars in Laren en Blaricum.

Bij deze Theosofische beweging zijn meerdere leden van Club De Tien betrokken: Herman Heijenbrock, Co Breman, Gerard de Boer en Anne Broeckman. 23) De laatste neemt alleen in 1907 deel aan enkele tentoonstellingen en doet mee met de coöperatieve kunstwinkel. Later komen we ook zijn vrouw nog even tegen bij De Tien. 

Al zijn de recensenten nooit lovend over alle deelnemers en al hun inzendingen, altijd weer prijst men de verscheidenheid die Club De Tien biedt aan het liefhebbende publiek: Wolf: “Gezamenlijk: een toonstelling waar voor ieders gading is.” De recensent in het Nieuws van den Dag: “In haar geheel biedt de tentoonstelling van ‘De Tien’ dus groote verscheidenheid.” 24) En Dake: “Het zijn ‘vogels van diverse pluimage’, die allen met dat, hier meer, daar minder, schitterend gevederte, reeds meermalen het Nederlandsch publiek naar hunne tentoonstellingen hebben gelokt, dan hier, dan daar, een veer hebben laten zitten (in de handen van de kunstliefhebbers) en altijd vlijtig bezig zijn het verlies te herstellen.”

Ansichtkaart van Panoramagebouw Amsterdam, het gebouw werd in 1935 gesloopt.

De periode van de 1e Wereldoorlog
In 1914 mobiliseert Nederland het leger en enkele schilders worden opgeroepen waaronder Willem van Nieuwenhoven. “Alles ging best, (met Club De Tien – toevoeging PvdP) toen in 1914 de mobilisatie kwam. Evenals Knip en Meyer werd ook Willem van Nieuwenhoven opgeroepen en op een fort geplaatst. Met den Blaricumschen schilder Johan Meyer heeft hij toen tot groot vermaak van de troep de cantinemuren van het fort Nigtevegt met soldateske schilderingen versierd.” 25)

Wilhelm A. Knip (1883-1967), laatst aansluitende lid van Club De Tien, neemt slechts twee keer deel en wel aan de voorlaatste en de laatste tentoonstelling van De Club. 

Johan Meijer(1885-1970), overwegend landschapsschilder die zowel in Laren en Blaricum woonde en werkte. 

In 1914 exposeert Club De Tien nog op zes locaties in Nederland, in 1915 zijn er slechts twee tentoonstellingen. Verschillende factoren spelen een rol. De invloed van de oorlog in de buurlanden. Hotel Hamdorff organiseert vanaf 1913 jaarlijks een grote tentoonstelling en daar nemen veel kunstenaars uit Laren en Blaricum aan deel, ook leden van Club De Tien. Ook zal de ziekte en uiteindelijk het overlijden van August Legras op 1 november 1915 het hart uit de Club hebben gehaald. 

In 1916 volgen nog twee tentoonstellingen. In april in Leeuwarden en in oktober voor de laatste maal in Laren, ditmaal in de Openbare Leeszaal. In 1917 neemt Club De Tien afscheid van het oosten van het land met tentoonstellingen in Hengelo en Enschede. In april 1918 valt het doek definitief met de allerlaatste tentoonstelling in het Panoramagebouw in Amsterdam. 

De dood van Legras in 1915
Een aantal mannen richten in 1896 in Hilversum een Vrijmetselaarsloge op. Een van hen is August Legras. 26) De naam voor dit gezelschap wordt “De Gooische Broederschap”. Aanvankelijk komt men bijeen in Hotel Wilhelmina en vanaf omstreeks 1905 in gebouw ‘De Vereeniging’.

“Te Laren is op 51-jarige leeftijd overleden de bekende kunstschilder Aug. Legras” 29).

In juli 1915 organiseerde de loge van Vrijmetselaars een tentoonstelling in het gebouw ‘De Vereeniging’ in Hilversum ter ere van hun zieke broeder. Het zal zijn voorlaatste tentoonstelling bij leven zijn. 27) Het merendeel van de geëxposeerde werken, schrijft recensent Henri van Calker: “…voert ons naar Noord-Afrika, naar Tunis en Algiers, waar, onder een tropische zonnehitte, een staalblauwe, wolkenlooze lucht strak staat gespannen boven blanke moskeeën en wijde woestijnvlakten, en waar de oude, heilig-vereerde graven rijzen der oude ‘vorsten en der marabouts*.” Van Calker prijst Legras met de wijze waarop hij met zijn schilderijen de kijker laat kennismaken met landen die voor de meeste mensen onbekend zijn en wijst op het grote lichtverschil tussen Afrikaanse en Nederlandse luchten. “Behalve dit Oostersche werk exposeert Le Gras nog een aantal stillevens en dieren, onderwerpen, die mèt het eerstgenoemde steeds de liefde van dezen schilder gehad hebben en in niet mindere mate dan dit bij zijn Oostersch werk het geval is, blijkt uit deze stillevens en dieren, welk een uitnemend teekenaar Le- Gras is.” 28)

* Een maraboet (Arabisch: ) is in de islamitische traditie in de Maghreb en in West-Afrika een ascetisch persoon, die gezien wordt als een soort wijsgeer, maar die ook wel als een heilige man wordt beschouwd. Met maraboetisme wordt het geheel van traditionele magische praktijken aangeduid waarin maraboets gespecialiseerd zijn. Hiertoe behoren onder andere het waarzeggen en het vervaardigen van amuletten. 

Op 1 november 1915 overlijdt de 51-jarige August Legras. 

Het laatste Club De Tien lid
Adrienne Broeckman-Klinkhamer wordt in 1915 het tweede dameslid en zij doet mee aan de laatste zes tentoonstellingen van de Club. Haar debuut is bij de tentoonstelling in december in De Harmonie in Zwolle. Het is de eerste tentoonstelling na het overlijden van Auguste Legras en de club verschijnt met 8 deelnemers. In de krant wordt haar werk beschreven: “De ‘Inktzwam’ is een penteekening èn door ’t onderwerp èn door de uitvoering aantrekkelijk. Bijzonder sierlijk zijn de lijnen en kleuren op ‘de Kleine Zeemeermin’ (gekleurde plaat) en ook de ‘Sprookjeswereld’ is geestig van conceptie en teekening.” 30) Haar onderwerpen komen overeen met de romantische kenmerken van de Kunstenaars der Idee. Adrienne trouwde in 1906 met Anne Mar