Mijn opa Frans Smit

Mijn opa Frans Smit

Frans Smit, Laren NH

Ik heb mijn opa helaas niet gekend, want hij overleed in 1989, bijna 7 jaar voordat ik geboren ben, in februari 1996. Mijn opa is niet echt oud geworden, 71 jaar en een makkelijk leven heeft hij niet altijd gehad als ik de verhalen hoor, die mijn vader en mijn ooms en tantes over hem hebben verteld.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 150 [2019-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Stijn Smit vertelt over Frans Smit 

Opgetekend door Cees Meijer

Stijn Smit

Mijn opa Frans Smit is op 23 juli 1918 geboren in de Lindenhoeve aan de Van Nispenstraat. Hij was de oudste zoon van Hendrik (Hein) Smit, die er met zijn gezin van zes kinderen woonde en werkte. Ik denk dat mijn opa heel trots zou zijn geweest, als hij geweten had dat zijn geboortehuis nu de Larense Oudheidskamer is. Mijn vader Frank is dat in elk geval wel. Hij heeft meegewerkt aan de realisatie ervan.

Opa was een echte erfgooier, net als zijn vader die bekend stond als ‘Rode Hein’. Dat kwam niet door zijn haarkleur, wat veel mensen denken, maar door zijn rode gelaatskleur. Zijn opa, Hendrik Smit, was bestuurslid van de vereniging Stad en Lande van Gooiland (erfgooiersvereniging). Mijn opa heeft zo’n tien jaar in de Lindenhoeve gewoond. In 1928 verhuisde het hele gezin naar de Boekweitskorrel 18.

Tuin Lindenhoeve 1927: opa in ‘t midden op ‘t  paard, links zus Riek, rechts zus Bep, staand links zus Gijs en rechts zus Em.

Boerenleven en fabriek
Het boerenleven was zijn lust en zijn leven. Maar de boerderij ging naar zijn broer. Opa werkte enige tijd aan de aanleg van stroomkabels in Noord Brabant en kon toen meer verdienen bij de Balatum in Huizen. Dat bedrijf maakte behang en vloerzeil (Balatred). Voor de productie van behang werden ook partijen oude boeken gebruikt. Tot plezier van zijn kinderen nam hij geregeld wat boeken mee naar huis. Mijn vader en zijn jongere broers zaten al ’s morgens vroeg beneden te wachten op zijn thuiskomst uit de nachtdienst, in de hoop dat hij boeken mee had genomen. 

De fabriek noemde opa altijd zijn gevangenis. Maar klagen deed hij niet gauw. Op de meest moeilijke momenten kon je hem horen zeggen: ‘Het gaat goed, we moeten verder, jochie.’ Het boerenleven ging ten koste van een opleiding, want al als jongetje moest hij voor dag en dauw mee koeien melken op de meent en viel daardoor wel eens op school in slaap. Al had hij interesse genoeg en kon hij goed rekenen, hij bleef een ongeschoold arbeider. 

Opa in de papier­fabriek van de Balatum te Huizen met collega’s en machines.

In de oorlog leerde hij de vriendin van zijn zus Riek kennen: Jopie (Jo) Koppen. Die waren beiden in betrekking aan de Noolseweg. In 1947 zijn ze in “Malbak” (Blaricum) getrouwd. Eerst woonden ze nog in bij de ouders van Jopie Koppen aan de Laarderweg in “Emenes”. Daarna kregen ze een huisje aan het Kermisterrein, de ‘ouwe hut’ naast de brandstoffenhandel van “Schurfie” Koster. Mijn opa en oma woonden er met hun drie oudste kinderen: ome Harry, tante Marga en ome Rudie (later Ruthger). Aan hun verblijf daar kwam een einde, toen de nieuwbouw aan de Schietspoel werd opgeleverd in 1955. Het gezin van Frans en Jo breidde zich uit met mijn vader Frank, en daarna nog drie ooms: Ronald, René en André. Begin jaren zestig verhuisden opa en oma met hun zeven kinderen naar ’t Tuintje. Hier is het achtste kind geboren, mijn tante Jacqueline. Na het overlijden van opa is oma in de nieuwbouw boven de Jumbo komen wonen, praktisch naast de plek waar ze ruim 50 jaar eerder introk. 

Sterkste man van Laren
In Laren wilden de jonge mannen zich op een gegeven moment meten wie de sterkste man van het dorp was. Gezamenlijk trokken ze naar de plaatselijke smidse van Gert Vos met als doel het aambeeld van de smid te verplaatsen. Dat bleek voor velen te hoog gegrepen. Mijn opa kwam, zag en overwon: hij tilde tot verbazing van de aanwezigen met gemak het aambeeld op, zette het na enige tijd weer neer en verliet de smidse, de aanwezigen beduusd achterlatend.

Ik heb ook gehoord dat mijn opa model heeft gestaan voor het beeld van ‘de schaapherder’, dat op het grasveldje naast de Hervormde kerk staat, aan de Naarderstraat. De beeldhouwer Willy Mignot, die een lange tijd in Laren doorbracht, kende mijn opa via een gemeenschappelijk kennis. Willy zocht voor zijn beeldhouwwerk een man met stevige en grote werkhanden. Hij vond mijn opa uitstekend geschikt, waarna hij voor Mignot model heeft gestaan. 

Logisch, dat zo’n harde werker als mijn opa flink kon eten. Zo gebeurde het dat opa een keer pannenkoeken ging eten bij zijn schoonzus, die goed haar best had gedaan met een mooi crêpe-achtig resultaat. Terwijl zij de hand legde aan het laatste baksel, was opa al begonnen. Tot haar verbazing zei hij: ‘Wat een dikke pannenkoeken, zeg’. Verbaasd keek ze om en zag tot haar grote schrik dat hij vijf pannenkoeken op elkaar had gelegd en deze naar binnen werkte.

Landje in de Eng
Opa werkte in drieploegendienst, dus niet dagelijks van 9 tot 5, maar wekelijks wisselend. Steeds ging hij met de fiets het Huizerhoogt op. Dat maakte wel dat hij een deel van de dag moest slapen, maar het gaf hem ook de ruimte om een deel van de week te besteden aan tuinieren. Lange tijd werkte hij met Raven of met Van der Veer samen in de tuin bij particulieren. In een tuin aan de Hilversumseweg heeft hij het bovenstel van een waterput gemetseld. Later heeft hij verschillende klanten zelf aangehouden. Zoals meneer en mevrouw Volz aan de Hoog Hoefloo en (oude) mevrouw Gerritsen aan de Engweg.

Ook zijn eigen moestuin onderhield hij graag. Hij had een landje in de Eng, naast het voetbalveld van LVV. Het stond er vol met bonen, wortel, sla en rabarber. Het groeide als kool. Oma was blij dat er voldoende was om de tien monden te voeden. Maar ze zag er tegenop om het zand te wassen uit de groente, en verzuchtte dan ook als opa met een nieuwe lading aankwam om het doorschieten voor te zijn: ‘weer andijvie!’. Opa had op zijn akker altijd zijn eigen drank mee: in een grote beugelfles gefilterde koffie aangelengd met water. Op het land mocht hij graag vertellen van vroeger: van wie het land was, wat er met die en die in de familie gebeurd is, hoe de Spaanse griep had huis gehouden en wat de toestand van de wereld was. Zijn betogen waren altijd gelardeerd met: ‘Ik bedoel maar, ik wil maar zeggen, ik zeg maar zo, …’

Hij las de Gooi- en Eemlander en ook de boeken van Gerard Koekoek. Die hield er wat hem betreft nog al eens een eigen mening op na, die niet strookte met die van hem.

Later heeft opa van de akker een weiland gemaakt. Met een eigen koetje. Eerst jaarlijks een nieuwe, die in het najaar gedekt en verkocht werd. Van de melk werd voor ieder pudding gekookt. Mijn oom René vertelde dat opa een koe heeft gehad waar je op kon liggen. ‘Heel triest was dat een kalf overleed, ik huilde en pa was ontdaan, ik zal dit nooit meer vergeten. Ik mis hem nog elke dag.’ 

Toen Fiona – dat is één van mijn oudere nichten – werd geboren, was opa er als de kippen bij. Hij ging iedere zondag op z’n fiets naar Soest en had dan een melkemmertje bij zich, natuurlijk met melk van de eigen koe voor zijn kleinkind. ‘Dat is goed voor het meissie!’, was steevast zijn opmerking. Met z’n grote werkhanden hield hij heel voorzichtig Fiona vast. Ze paste in één hand, en stak dan Fiona heel voorzichtig in de binnenzak van z’n colbertje!

Door het buitenleven van opa liet hij de zorg voor de kinderen over aan oma. “Je moet altijd goed naar je moeder luistere.”, was zijn parool. Ook de schoolkeuze liet hij aan haar over, al twijfelde hij wel over het nut. Hij was mild voor zijn kinderen. Slechts één oom herinnert zich dat hij een keer een schop onder zijn kont kreeg met klompen aan (maar daar had hij het ook wel naar gemaakt).

Geloof was voor hem ook een ankerpunt. Katholiek, trouw KVP-stemmer. En jaarlijks natuurlijk Sint Jan. Hij zat in de Goede Herderkerk bij de openingsdienst die ook op TV is uitgezonden. En vond het onbegrijpelijk dat deze kerk al zo kort nadien moest worden gesloopt. Zondags was het altijd na de kerk op bezoek bij de schoonouders. Dan bijpraten met na de koffie een borreltje en een koppie soep. En dan weer op Laren an.

Opa met koe en Sandertje in weiland naast moestuin.

“Monte Crailo”
Voor opa was Laren de wereld. Hij moest dan wel naar Huizen voor zijn werk op de Balatum, maar ook dat ligt in erfgooiersland. Echt op vakantie ging het gezin Smit niet. Opa wilde enkel naar “Monte Crailo”. Wel dagjes uit, met de NBM naar Artis of Dierenpark Rhenen, naar Amsterdam of verder naar het strand van Scheveningen of Egmond. 

Ome Ronald vertelde: ‘Voordat we Artis naderden kochten we bij een lokale melkboer, die speciaal voor ons soort toeristen op zondag open was Exota limonade. In een sixpack zaten zes verschillende smaken en het was altijd vechten wie de donkerste kleur mocht hebben. Dat was namelijk de lekkerste. De flesjes boven op de broodjes, puntkadetjes, dat was een feest.’ 

Pas laat is opa naar zijn zus gegaan. Die is na de oorlog onder Parijs in betrekking geraakt en heeft daar met een Brabander een bestaan opgebouwd. Onderweg in midden-Frankrijk kon hij met iedereen een gesprek aangaan. Hij heette Frans, maar kon in de taal geen woord uitbrengen, maar op fietstochten daar had hij menige interessante ontmoeting.

Tijdens de zondagse wandeling, een verplicht onderdeel van de rustdag, kwamen opa en ik, zo vertelde een oom, altijd allerlei mensen tegen. ‘Vader sprak iedereen aan ongeacht de status van de persoon die hij voor zich had of het nu een burgemeester was of een zwerver. Dat onderscheid was voor hem niet van belang. Deze benadering van mensen heb ik in mijn latere leven overgenomen.’ 

Dokters
Mijn ooms en tantes hadden ook veel verhalen over de panische angst die opa had voor dokters. Hij dokterde graag zelf. Zo is er het verhaal dat opa op een keer tijdens een autorit met zijn vingers vastzat tussen de deur. Opa en oma hadden geen eigen auto en lieten zich voor verjaarsbezoek buiten Laren dan ophalen door één van hun kinderen. Mijn oom Fred had niet gezien dat opa met zijn rechterhand de bovenkant van de autodeur vasthield en gooide de deur dicht. Toen opa naast mijn oom zat te piepen, dacht-ie eerst dat zijn schoonvader hem weer in de maling probeerde te nemen en hij reed dus gewoon door, maar vroeg toch maar even: man waarom zit je nu zo te piepen? ‘Mijn vingers zitten om de deurstijl!’, was opa’s antwoord. Mijn oom stopte meteen en liep om auto heen: En ja, hoor: portieren voor en achter volkomen gesloten met daartussen om de deurstijl duidelijk zichtbaar vier vingers! Mijn oom wilde direct naar een dokter. Maar opa reageerde meteen: ‘Breng ons maar gewoon naar t’ Tuintje. Het loopt wel los!’ Zijn vingernagels waren snel zwart door de bloeduitstortingen. Maar daar had hij weer een probaat huismiddeltje tegen; een heet gemaakte roestige spijker die hij zo door de nagels snoeide! Alles was beter dan een dokter!

Maar in 1975 kreeg hij een ongeluk en kon hij niet meer ontsnappen aan de artsen. Opa had ook een hondje, Sandertje, en ging vaak met ‘m fietsen. Op een zondag fietsten ze op de hei achter het kerkhof. Opa ging links van een paaltje, maar Sandertje ging rechts en trok zo opa van zijn fiets. Hij viel plat op zijn rug, wat zeer pijnlijk was. De volgende ochtend ging hij met een zere rug op de fiets naar de Balatum, maar kwam eerder thuis, want hij zag groen en geel van de pijn. Dinsdag toch maar naar het ziekenhuis. Daar werd een röntgenfoto gemaakt maar toen de arts met de uitslag kwam (een gebroken rug) was opa’s reactie: ‘Ik moet eerst naar huis, ik moet nog voor mijn koetje zorgen.’

Maar het was een geluk bij een ongeluk, opa werd afgekeurd en hoefde niet meer bij de Balatum te werken. Hierdoor genoot hij nog mooie jaren in zijn dorp, in zijn moestuin, met oma naar zijn zus en zwager in Frankrijk. 

Helaas werd opa op zijn 66ste dement en verbleef sindsdien in diverse verpleeghuizen in Laren. Ten slotte kwam hij in de Stichtse Hof terecht. Van de man, die een stalen kracht en een ijzeren geheugen had, was ten slotte weinig meer over. Hij overleed op 27 oktober 1989, wat de verjaardag van ome Ruthger is.

Opa werd begraven op het St. Janskerkhof en bijgezet in het graf van zijn ouders: Hendrik en Johanna Smit. Het duurde nog meer dan twintig jaar, tot 2010, dat ook zijn vrouw, mijn oma Smit, weer met haar man werd herenigd.