Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren
035-629 49 45
info@historischekringlaren.nl

Schildersclub ‘De Tien’ (3)

Schildersclub ‘De Tien’ (3)

In 1903 gestart met een succesvolle expositie in Hilversum, trekt de in Laren gevestigde Club de Tien het land in met de werkstukken van haar leden. Niet de ideologische samenhang, maar juist de verscheidenheid in werk en uitvoering van de kunstschilders trekt volle zalen belangstellend en koopgraag publiek vanuit de gegoede burgerij. In 1910 debuteert schildersclub De Tien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De tentoonstelling loopt van 18 september tot 16 oktober en wordt wegens succes verlengd tot en met 23 oktober 1). Ze herbergt maar liefst 229 schilderijen, tekeningen, etsen, etc. 2) Een geweldige hoeveelheid. Vergelijkt men dat met een hedendaagse tentoonstelling van de Kunstenaarsvereniging Laren – Blaricum in het Singermuseum waar de ruim veertig leden hooguit een honderdtal werken exposeren, dan is het aantal ingebrachte werken per kunstenaar overdonderend. Andere tijden natuurlijk. De wijze van presenteren is nu veel spaarzamer. In 1910 hingen de wanden vol, in rijen onder en boven elkaar.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 142 [2017-4] . Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Peter C.L. van der Ploeg

Deel 3: Club De Tien piekt in 1910

Een doorbraak voor rare snijbonen met fladderdassen: Club De Tien exposeert in 1910 voor het eerst in Laren! “De schilders zijn tegenwoordig niet meer onpractisch. Zij hebben lang den naam gehad van slechte kooplui en losbollen en drinkebroers (wat zij nooit geweest zijn); maar sinds zij evenals andere burgers aan hun maatschappelijke verplichtingen voldoen, kan ’t niemand verwonderen dat ook bij hen den lust tot verbetering hunner omstandigheden opkwam.” 3)

Volgens Krabbé zijn de schilders al in 1905 geen losbollen, nooit geweest zelfs. In de herinnering van Laren’s burgemeester Van Nispen van Sevenaer was het evenwel geen makkelijk volk om mee om te gaan. Na zeven succesvolle jaren lukt het Club De Tien om (eindelijk?) een tentoonstelling te organiseren in de thuishaven Laren. De Club bezocht al talrijke steden zoals Groningen, Arnhem, Deventer, Haarlem, Rotterdam, Nijmegen, Dordrecht en Middelburg. Maar nu is dan toch het moment aangebroken om de Laarders en de vele zomertoeristen kennis te laten maken met dit productieve gezelschap. Het viel nog niet mee om een en ander voor elkaar te krijgen, zo lees ik in een kleurrijke anekdote.

De Brink bij de Laarderstraatweg. Rechts Het Bonte Paard. Linksachter het meestershuis en de openbare dorpsschool. Club De Tien exposeerde hier in de zomers van 1910 tot en met 1913. In 1914 werd dit pand afgebroken 7).

Bij de officiële opening van de zomertentoonstelling in Hamdorff in 1934 haalt Jonkheer H.L.M. van Nispen van Sevenaer (1879-1958), langdienende burgemeester van Laren (van 1909 tot 1943 en van 1945 tot 1946) 4), de volgende geschiedenis op betreffende Club De Tien:

“Spr. (Spreker, toevoeging PvdP) herinnert zich hoe in 1910 voor het eerst bij de gemeente een aanvraag binnenkwam van de schildersclub “De Tien”, om in de Openbare school een tentoonstelling te mogen houden. De aanvraag moest in den gemeenteraad behandeld worden. Het viel echter niet mee om met de kunstenaars te onderhandelen, want dat waren toen rare snijboonen met lange haren en fladderdassen en als je ze een vinger reikte, namen zij de heele hand. De kunstenaars vonden toen een verdediger in Jan Hamdorff, die warm voor hen pleitte en het er in den raad doorkreeg, dat de schilders hun tentoonstelling mochten houden. Later is hij altijd een groote vriend van de schilders gebleven en heeft altijd voor hen gewerkt en hun materieele belangen zooveel als in zijn vermogen lag, behartigd.” 5) Aldus de verslaggever van de krant, waarbij ik opmerk dat de heer Jan Hamdorff daarbij niet voorbijging aan zijn eigen belang. Interessant om te vermelden is dat hier (in 1910) naar aanleiding van de tentoonstelling van De Tien in de Openbare Lagere school ook het zaadje wordt geplant dat vanaf 1913 ontkiemt en leidt tot de grote jaarlijkse kunsttentoonstellingen in Hotel Hamdorff. “Het was in die tijd van club ‘De Tien’ onder Legras, die overal in den lande tentoonstellingen hield, op welke exposities ook flink verkocht werd en deze feiten zullen Jan Hamdorff ook zeker geïnspireerd hebben bij zijn plan tot het stichten van een tentoonstellingslokaliteit in Laren.” 6)

Links: Advertentie expositie Club De Tien, De Gooi- en Eemlander: nieuws- en advertentieblad, 03-08-1910, id. 6-8-1910, id. 10-8-1910.

Roosje van Lelyveld en haar album
De dochter van Théodore van Lelyveld past in de kunstgeschiedenis met haar album dat zij op 28 september 1911 van haar vader kreeg en waarin zij tussen 1911 en 1919 uitingen van diverse kunstenaars verzamelt. Het gaat zowel om tekeningen, liedjes, gedichten, aquarellen enz. Ook enkele (voormalige) leden van Club de Tien leverden een bijdrage zoals H.J. Wolter en O. van Tusschenbroek. Schitterende uitgave met facsimile van Roosje’s originele album, echt de moeite waard en misschien nog -net als mij is gelukt- via marktplaats of anders antiquarisch te verkrijgen. Roosje van Lelyveld en haar album, Lien Heyting, Sander Bink, Leo Janssen produkties, ©2008

Het grote portret “Roosje van L.” 150 x 77 cm, zoals het te zien was op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam in 1910. In de catalogus opgenomen als no. 153 Roosje van L. In december 2012 voor € 1100,- verkocht via veilinghuis Zadelhoff in Hilversum.

De eerste tentoonstelling van Club De Tien in Laren duurt van 31 juli tot en met 21 augustus 1910. In dit jaar debuteren de kunstenaars Théodore van Lelyveld (de vader van de beroemde Roosje van Lelyveld) en Willem van Nieuwenhoven. Zij vervangen Frans Langeveld en David Schulman die de Club hebben verlaten. Portretten van Willem van Nieuwenhoven (1879-1973) 8) intrigeren mij. In veel van zijn portretten zie ik een zelfde type oud baasje afgebeeld met baard en zonder baard. Wie is de vader, wie is de zoon? Zijn vader, de beeldhouwer Hendricus Gerardus van Nieuwenhoven (1851-1927) bleek vaak bereid voor zijn zoon te poseren. Nu eens als schoenmaker dan weer als drinkende of kersen etende man. Is dit zijn vader? Misschien zijn alle baardmannetjes zelfportretten. Het is me niet duidelijk. De schilderijen zijn niet gedateerd. Een zoektocht op het internet biedt geen uitkomst, daar galeries, die werk van Van Nieuwenhoven sr. verhandelen meestal onverkort te tekst van De Valk Lexicon Kunstenaars Laren-Blaricum 9) overnemen en zelf geen gegevens toevoegen. Helaas is de informatie van dit digitale Lexicon niet altijd foutloos en jammer genoeg al jarenlang niet geactualiseerd. Nieuwe ‘oude’ informatie is wel te vinden o.a. op de website van het historisch archief van De Laarder Courant De Bel. 10) Van Nieuwenhoven senior bereikt een hoge leeftijd en bij elke mijlpaal besteedt de krant aandacht aan weer een jubileum. Dat gebeurt als hij zijn zestigste verjaardag viert en zo verder elke vijf jaar. Niet dat Van Nieuwenhoven dat zelf per se wil- daar is hij volgens die berichten te bescheiden voor, maar toch duik ik in het jubileuminterview ter ere van zijn drieënnegentigste verjaardag nog een interessant pareltje op betreffende Club De Tien. “Nu wilde het toeval dat bij de aankomst (in Laren; toevoeging PvdP)) van Van Nieuwenhoven een plaats in de “Club”- die altijd uit tien schilders moest bestaan- was opengevallen. Hij meldde zich aan, en na beoordeling van zijn werk werd hij tot de “Club” toegelaten.” (…) Dan vertelt Van Nieuwenhoven: “Zitting hebben in Club De Tien bood verschillende voordelen. De belangrijkste was wel dat, de vereniging een kunstkenner in dienst had, die met de schilderijen van de leden in glaskisten naar alle grote steden in ons land reisde en daar kleine exposities hield. Iets dat indertijd in de steden volslagen onbekend was. Er werd dan ook altijd, wat voor ons natuurlijk erg belangrijk was, grif gekocht.” 11) Bij zijn zestig- en zeventigjarig jubileum vertelde Van Nieuwenhoven aan de krant dat Club De Tien twee vaste verkopers in dienst had. De heren Hartoff en Wenselaar uit Blaricum. Inderdaad deze club heeft “een enigszins zakelijke opzet”. 12)

6 portretten van Willem van Nieuwenhoven.

in het Stedelijk Museum Amsterdam
Op zondagmiddag 18 september om 14.00 uur opent de tentoonstelling van Club De Tien in het Stedelijk Museum in Amsterdam 13). Aanvankelijk gepland tot en met 16 oktober, echter wegens succes verlengd tot en met 23 oktober. Het is een buitengewoon omvangrijke tentoonstelling. Verdeeld over zeven zalen zijn maar liefst 229 kunstwerken te zien van 9 leden. Carel Dake jr. was er vanaf mei 1910 niet meer bij en opmerkelijk genoeg toont Otto van Tusschenbroek slechts 1 schilderij. Een recensent schrijft daarover: “Feitelijk zijn het er ditmaal maar negen en daar de negende slechts één stuk heeft geëxposeerd zouden de heeren kunnen spreken van ‘met z’n achten’. Daar de stukken over zeven zalen zijn verspreid, kon bijna ieder eigen werk bijeen houden, wat natuurlijk voor het oeuvre zelf en voor den beschouwer mede een voordeel is.” 14) Met andere woorden je kunt hier evengoed spreken van acht solotentoonstellingen. Van deze tentoonstelling is een catalogus 15) bewaard gebleven. Ik heb het aantal van de inzending per kunstenaar gestaffeld om een indruk te krijgen van de productiviteit van de individuele leden.

Door het exposeren in het Stedelijk komt het werk van de Club De Tien ook onder ogen van gerenommeerde kunstcritici als Grada Hermine Marius (1854-1919) en professor Carel Lodewijk Dake (1857-1918). Beiden zijn opgeleid aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. In 1890 werd Dake hier benoemd tot hoogleraar. Beide recensenten zijn ook praktiserende kunstenaars, hetgeen hun waarnemingen een interessant perspectief biedt. Dake’s zoon C.L. Dake jr. nam van juni 1909 tot aan mei 1910 deel aan zes tentoonstellingen van Club De Tien. Als zijn vader de Club recenseert, is Dake jr. al vertrokken.

Het is curieus ten opzichte van de andere deelnemers dat Otto van Tussenbroek slechts 1 olieverfschilderij presenteert. In de catalogus vermeld als no. 229 Rozen. Uit de recensie van Marius blijkt dat het te midden van veel andere stukken toch opvalt “…van Tussenbroek (laat) een mooi streven naar compleetheid zien in zijn ‘Witte Rozen’.” 16) In 1911 neemt Van Tussenbroek ook deel met slechts 1 schilderij aan de tentoonstelling in het Stedelijk Museum getiteld: ‘Het Wrak’. De Club als geheel zendt 152 werken in. 17) Toch levert Van Tussenbroek 5 schilderijen en 12 tekeningen aan voor de tentoonstelling van 1913 18). Het betreft alle impressies van Parijs waar hij tussen 1908 en 1916 meermalen verbleef. 19) Aan het begin van haar recensie van de tentoonstelling van 1910 verwijst kunsthistoricus en kunstcriticus Grada Hermina Marius (1854-1919) afgaande op het krachtige beeldmerk waarmee Club De Tien zich presenteert naar de XX van Brussel. “Op den naam af zou men vol verwachting het Stedelijk Museum binnengaan. De X! Wel, dat moest iets zijn als indertijd de XX in Brussel: een vereeniging van jonge schilders, die een nieuwe formule in de kunst gevonden hadden en voor wier revólutionnair werk de deuren der bestaande expositie-vereenigingen onverbiddelijk gesloten bleven. Hoe zou bij ons de vernieuwing in de kunst zijn, zou het een streven naar vorm zijn, of een poging om aan de kleur een steviger basis te geven ? Helaas, bij het binnenkomen ziet men, dat hier niets anders is dan een vereeniging met het materieele doel: ten toon te stellen, en dat de meesten dezer schilders reeds jaren lang in Arti of Sint-Lucas exposeerden.” 20)

Een zaal met schilderijen met daarachter een leeszaal in het Stedelijk Museum circa 1900. (Foto: Benjamin Stomps).

Club De Tien brengt weliswaar geen vernieuwing in de kunst, maar toch is hier sprake van een triomf voor de club van oprichter August Legras, die met haar werkwijze grote successen boekt. Tentoonstellingen houdt men in het hele land en nu toch zeker als hoogtepunt deze spectaculaire en omvangrijke tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. De club heeft zich als merk gevestigd, grote naamsbekendheid opgebouwd en een positie verworven in de kunstwereld. Ook huidige reclamemakers zouden zich niet generen voor het succes dat Club De Tien bereikt met haar ‘branding’. Het gaat daarbij om het vergroten van je bekendheid door het vermelden of afbeelden van je merknaam en logo onder meer door adverteren en het verwerven van vrije publiciteit. Club de Tien scoort enorm met haar beeldmerk.

Naar aanleiding van de poster publiceerde het humoristisch-satirisch tijdschrift ‘De Ware Jacob’ al in juni 1906 een satirisch artikel over Club De Tien, ongetwijfeld voortkomend uit de pen van Joop Siedenburg (1875-1961), de latere directeur van kunsthandel Buffa. Hij is ook de plaaggeest van Nico van Harpen en zijn Larensche Kunsthandel met de stukken die hij schrijft onder de naam Hein Duvel in de Nieuwe Gooi- en Eemlander in 1907. 21)“Heel het Gooi en Eemland hing vol met plakaten, waarop in rood gedrukt een groote nul met een kruis er in, het zoo zinrijke embleem van de Club „De Tien”. Een enorme menschenmassa verdrong zich voor deze hoogst artistieke affiches, kennis nemende van het feit, dat in het tentoonstellingsgebouw op het Melkpad te Hilversum, eene expositie van de kunstgewrochten van genoemde Tien werd gehouden.”

Staffel geëxposeerde werken Club De Tien in Stedelijk Museum Amsterdam 1910.

Eclatant verkoopsucces voor Breman
Opvallend is dat Co Breman al 24 van de 27 door hem geëxposeerde werken naar Engeland verkoopt nog voordat de tentoonstelling in het Stedelijk is begonnen. De Gooi- en Eemlander bericht hierover: “De geheele inzending van den heer Co Breman (…) werd reeds aangekocht. De collectie is bestemd voor Engeland.” 22) Weliswaar vallen drie van de stukken buiten deze grote aankoop van een waarschijnlijk Engelse kunsthandelaar, het blijft een indrukwekkende verkoop waarmee een voor die tijd enorm bedrag is gemoeid. Laten we aannemen dat elk schilderij voor 300 gulden wordt verkocht: fl. 300,00 in het jaar 1910 heeft een “koopkracht” van fl. 7 325,78 (€ 3 324,30) in het jaar 2016. Het totaal is dan 24 x 300 gulden= 7200 gulden. Fl. 7 200,00 in het jaar 1910 heeft een “koopkracht” van fl. 175 818,84 (€ 79 783,11) in het jaar 2016. 23) In de vorige aflevering bleek dat bij de verkoop in juni 2017 van Breman’s schilderij, daterend omstreeks 1910, ‘Bloeiende bomen in het Gooi’ € 18.750,- werd opgehoest nog exclusief veilingkosten van ca. 30%. Maar gingen de schilderijen van Breman wel naar Engeland? In een interview ter ere van zijn zeventigste verjaardag vertelt hij aan een verslaggever van Laarder Courant De Bel over zijn contact met een in Laren destijds zeer bekende Jacob Hamburger. “Dit was een zeer kunstzinnig man; hij studeerde desondanks Rechten, doch wijdde zich tevens aan de litteratuur, de schilderkunst en aan de muziek. De heer Hamburger heeft zijn studie eraan gegeven en is kunsthandelaar geworden; hij begon met op een tentoonstelling van “De Tien” in Amsterdam mijn inzending van 24 schilderijen te kopen .” 24) In een ander interview herinnert Breman zich: “Ik was lid van Club De Tien die toen in het Stedelijk museum in Amsterdam exposeerde en had een kleine hoekzaal voor mijn werk alleen. Daar komt Hamburger plotseling binnen, tezamen met Max Mossel (1871-1929, toevoeging PvdP) den violist die later naar Londen ging. Die beiden vragen me of ik alles wat daar hing zou willen verkopen en voor welke prijs. Ik dacht niet anders of ze hielden me voor de gek. Maar ze meenden het en kochten de inhoud van het hele zaaltje. En Later heeft hij ook nog herhaaldelijk werk van me gekocht.” 25) In het zelfde jaar 1910 trouwt Breman met de Amsterdamse kunstschilderes Lizzy Schouten en vertrekt samen met haar voor twee jaar naar Italië.

Afbeelding van een originele poster die in 1910 in Dordrecht is gedrukt bij ‘Boek en steendrukkerij voorheen Mork & Geuze’. Afmeting 80 cm x 112 cm. Gebruikt bij de tentoonstelling bij Pictura in Dordrecht. Met dank aan www.iaddb.org – International advertising & design database organisatie-, die het digitaal bestand beschikbaar heeft gesteld.

Verder met de recensies
Dake complimenteert August Legras in zijn recensie en noemt ‘Zonreflex’, “…een buitengewoon goed schilderij, zuiver geschilderd en zeer goed van kleur.” 26) Het spijt me dat ik dit werk niet kan laten zien, want als collega-schilder Dake zo duidelijk zijn oordeel geeft, kan het niet anders dan een heel bijzondere prestatie zijn. Ik heb er geen afbeelding van gevonden, maar hoop dat dit schilderij nog eens tevoorschijn komt. Boeiend en aangrijpend is Dake’s interpretatie van het werk dat Herman Heijenbrock heeft ingezonden. Zijn visie is die van arbeid in onterende omstandigheden, waar Heijenbrock mijn inziens het tegendeel aan zijn publiek wil laten zien met de ‘glorieuze’ opkomst van de overweldigende industrie, die hij eerder bewonderend weergeeft dan afkeurend. “Hij zoekt altijd zijn inspiratie in omgevingen, die de meeste menschen gaarne vermijden. In fabrieken, walswerken en mijnen. Het is daar altijd naar en smerig. Honderden en duizenden slaven werken er dag en nacht in rook en stank, onder helsch geraas en gegil, in verzengende hitte, soms in voortdurend levensgevaar. Maar die geweldige tragiek, die ons de angst om het hart doet slaan, diè geeft Heijenbrock ons voorlopig nog niet. Hij geeft ons kijkjes in fabrieken. Zijn figuren zijn grotesk en onvoldoende geteekend. Van zwakke expressie. Misschien zal de kunstenaar bij voortdurende studie dat alles later beter begrijpen en weergeven. Voorlopig moeten wij respekt hebben voor zijn ijver en doorzettingsvermogen.” 27) Marius is het eens met Dake over Heijenbrock’s figuren … “zijn zwakste zijde” …, maar merkt op dat deze … “iets krachtiger worden.” Bovendien stelt ze: “De belangrijkste zaal is zeker die van Heijenbrock. Zoo het niet allemaal mooi in het vierkant gezette schilderijen zijn, die hij geeft, de meeste zijn toch interessante illustraties uit het zwarte land en uit de grootindustrie, die men met belangstelling bekijkt.” 28) De recensent van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant beoordeelt de figuren van Heijenbrock net iets anders. Hij bewondert: “o.a. het mooie “Pays Noir”, de “Lava Steengroeve” en eenige der typische koppen uit de mijnwereld, de machinist, de kolenarbeidster e.a. mooi geteekend en geestig gekleurd. Heijenbrock verplaatst ons steeds in de wereld van den arbeid, zoo in als buiten de fabriek.” 29)

Drie voorbeelden van Heijenbrock’s pastels. 1) Lava steengroeve in de Eifel 2) In de mijn 3) Kolenzoekster in het donker.

Marius en Dake zijn het ook met elkaar eens wat betreft de (grote) werklust van leden van de club. Ze vinden elkaar ook in hun oordeel wat betreft de kwaliteit die niet voor alle leden gelijk is. Marius schrijft “… al mochten sommigen verlangen dat de quantiteit wat minder en de qualiteit wat meer was, degelijke studie is ieder niet gegeven.” Waar Dake zijn