Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren
035-629 49 45
info@historischekringlaren.nl

Schildersclub ‘De Tien’ (2)

Schildersclub ‘De Tien’ (2)

Als we het vandaag de dag hebben over goedverkopende kunstenaars spreken we van ‘culturele ondernemers’. Artiesten die zichzelf /of hun kunst gericht voorschotelen aan een uitgelezen publiek en kunnen leven van de opbrengst. De kunst van het ondernemen is ook een kunst en soms een hele toer. De oprichter van Club De Tien, de Blaricummer August Legras, slaagt er met de marketingtechnieken van die tijd goed in om een waarderend en kopend publiek aan te boren.

Peter C.L. van der Ploeg

Deel 2 De reizende verkoopmachine van August Legras

Het gat in de markt wordt mede met de kunst van Club De Tien gevuld. De eerste tentoonstelling wordt gehouden in de ‘soeploods’, het gebouw der spijsuitdeeling in Hilversum, op uitnodiging van ‘de vereeniging ter bevordering van het vreemdelingenverkeer’. De tentoonstelling is dadelijk een succes en daarna volgen vele geslaagde tentoonstellingen door heel Nederland. Club De Tien heeft 15 jaar bestaan van 1903 tot en met 1918. Over de hele periode hebben in totaal 35 leden deelgenomen aan meer dan 70 tentoonstellingen. De Club vertegenwoordigt geen bepaalde kunststroming. Het werk der leden is gevarieerd en niet verbonden aan een bepaalde ideologie. Wel beschikt men over het vermogen om met het uiteenlopende werk positieve publiciteit te genereren, publiek te trekken en daarmee de verkoop te stimuleren.

August Legras
In het Singermuseum kunt u tot en met 24 september een schilderij zien van August Legras. Zijn schilderij: ‘Straat in Tunis’ is namelijk onderdeel van de tentoonstelling ‘Meesters van de Oriënt’. Singer laat slechts één werk van Legras zien, desalniettemin kan hij zeker gerekend worden tot de Oriëntaalse meesters. In het bijschrift naast het schilderij vertelt het museum dat Legras met financiële ondersteuning van de oprichter van het Heinekenbrouwerij, Gerard Heineken, in staat was Afrikaanse landen aan de Middellandse Zee te bezoeken. Ik had u dat graag net even eerder verteld dan het Museum. Helaas voor mij was de tentoonstelling er vòòr mijn tweede artikel. Ik kan u echter wel laten weten aan welke publicatie deze gegevens zijn ontleend. Namelijk aan de catalogus van de overzichtstentoonstelling die na de dood van Legras in het voorjaar van 1916 werd gehouden in het Stedelijk Museum in Amsterdam. In het voorwoord schrijft de Hilversumse kunstcriticus en graficus R.W.P. De Vries: “… en dank zij de steun van wijlen de heer Heineken, kon in 1891 een langgekoesterde wensch in vervulling komen, en trok hij (Legras) voor ’t eerst naar Afrika.” Een heel bijzonder exemplaar van deze catalogus is in te zien bij het Rijksinstituut voor Kunsthistorische Documentatie, kortweg RKD. Het is de persoonlijke catalogus uit de nalatenschap van de Blaricumse kunstenares Lou Loeber (1894-1983), eerste en enige leerling van Legras in de jaren 1913 tot zijn overlijden in 1915 1). Het bladeren in ‘haar’ catalogus heeft me ontroerd. De tentoonstelling is omvangrijk; 217 werken worden opgesomd waaronder een aantal die de vrucht zijn van zijn Noordafrikaanse reizen. Lotnummer 207 is een schilderij getiteld: ‘Straat in Tunis’. Het is heel goed mogelijk dat 100 jaar geleden ditzelfde schilderij, nu te zien in het Singer, destijds was geëxposeerd in het Amsterdamse Stedelijk Museum.

Straat in Tunis – August Legras
Detail Straat in Tunis – August Legras

Geboeid door het mecenaat van Gerard Heineken heb ik het zeer onderhoudende boek van Annejet van der Zijl 2): ‘Gerard Heineken. De man, de stad en het bier’, gelezen in de hoop daar meer over te weten te komen. Het boek is een aanrader vanwege de geschreven sfeer van die tijd, al geeft het slechts beperkte aanwijzingen over de betrokkenheid van Heineken met de kunstsector. 

Inmiddels heb ik een reisverhaal van Legras getraceerd uit de beginperiode van zijn Afrikaanse avonturen. Ik laat u kennismaken met een gedeelte van zijn aangrijpende verslag van een godsdienstig feest te Am-Selin (Algerije).

August Legras is in 1892 de gast van Caid Ali Ben el Bey en woont een godsdienstig feest bij. Legras is onder de indruk van het dansen, met name de heftigheid waarmee de ‘oude’ vrouwen hun dans vertolken. Zo beschrijft hij het gebeuren in zijn reisverslag: ‘Deze hebben bij het dansen hun gelaat ontbloot. Heel kalm is het begin. Zonder een spier van het gezicht te vertrekken, zonder een arm te bewegen, draaien ze als automaten in het rond, de handen op den buik. Langzaam aan worden de bewegingen wat vlugger, draaien ze wat sneller rond, botsen ze soms tegen elkaar aan en beginnen de armen door de lucht te zwaaien. De vrouwen worden opgewonden door den dans. Hun oogen beginnen te staren, zien woest vooruit, steeds wilder gaat het toe; nu vliegen ze elkaar aan, altijd op de maat der muziek, scheuren elkaar de kleederen van het lichaam, de haren rukken ze uit ‘t hoofd, krabben, bijten elkaar tot bloedens toe, gillen krijschen en vliegen als door den duivel bezeten in ’t rond. Daar valt de eerste uitgeput neer, en ’t lichaam blijft nog voortschokken op de maat der muziek. Nog één valt en een derde en ze richten zich weer op , en altijd doller en woester draaien en gillen en bloeden de nu gewonde half naakte furiën, omringd door de steeds even kalm, even standvastig zwijgende Arabieren. Wanneer ze allen zijn neergevallen van uitputting ligt daar op de grond een hijgende, bloedende en kreunende menschenmassa, weinig gelijkende op de vrouwen in feestdos van zooeven. Dan houdt de muziek stil. Familieleden schieten toe, elk doet zijn best de afgebeulde schepsels weer op dreef te brengen, en tien minuten later is elk der furiën weer vrouw geworden.’ 3)

Het opwindende dansen dat Legras zo beeldend in taal vastlegt, heeft hem kennelijk teveel in beslag genomen om aan het schetsen van het spektakel toe te komen. Ik heb er geen tekening of schilderij van kunnen vinden. Zijn reisverslag is wel geïllustreerd met bijgaande afbeelding.

Godsdienstig feest te A-Selin, Geera

Waarom viel de eerste generatie van Club De Tien al zo spoedig uiteen? 

  • Was het een overhaast opgerichte gelegenheidscombinatie?
  • Stapte kunstenaars soms over naar de in 1905 opgerichte Larensche Kunsthandel?
  • Waren er andere oorzaken? 

In de pers meldt o.a. de Telegraaf dat de samenstelling van de club De Tien verandert door de dood van Henk de Court Onderwater “… en tengevolge van verbintenissen van vier anderen elders, heeft de Club vijf leden verloren”. 4)

Als ijkpunt voor de samenstelling van Club De Tien kan de jaarlijkse zomertentoonstelling dienen. Vanaf de oprichting in 1903 tot en met 1913 telkens gehouden in Hilversum. Toch blijft het door de aanhoudende wisselingen lastig het verloop bij te houden. Zulks blijkt ook wel uit de commentaren van de recensenten in die periode. Ook de rectificatie in de krant betreffende de tien deelnemers aan de tentoonstelling van Club De Tien in Kunstzaal Prakke te Nijmegen in januari 1909. Van de in het eerste bericht vermelde tien schilders blijft in het herstelbericht alleen de naam van August Legras over, aangevuld met de negen actuele leden. 5) Salomon Garf, Co Breman, Toon de Jong en Dirk Ocker zijn in 1905 de toetredende leden.

Aan de tentoonstelling van 1905 in Hilversum nemen met in totaal 48 werken deel: Emanuel van Beever met 4 stuks, Gerrit van Blaaderen 4, Co Breman 4, Salomon Garf 2, Johan Gebhard 6, August Legras 8, Toon de Jong 6, Dirk Ocker 4, Jan Anthonius van Schooten 7 en Jhr. Snoeck 3. 6) 

In 1906 is de samenstelling al weer anders. Van Blaaderen, Snoeck, Garf en van Beever en ook Wolter (nam deel van 1903 tot en met januari 1905) zijn al weer vertrokken, anderen nemen hun plaats in en zo gaat het ook in 1907. Een speciale vermelding maak ik voor de zoon van de beroemde, bewierookte Anton Mauve. Anton Rudolph Mauve, ook wel Anton Mauve jr. (1872-1962) maakte in 1907 kort deel uit van Club De Tien en heeft evenals Willem Knip (1883-1967) in 1918, slechts twee keer met een tentoonstelling meegedaan. Tijdens mijn onderzoek heb ik meermalen gedacht dat Club De Tien spontaan werd opgericht om te voldoen aan een verzoek van de Hilversumse VVV. Hoewel ik deze spontane totstandkoming zeker niet uitsluit, heb ik te weinig indicaties gevonden om dat definitief te concluderen. Sommige schilders verkopen werk via De Larensche Kunsthandel van Van Harpen en nemen in die tijd ook deel aan de Club De Tien tentoonstellingen. Evenzo neemt men ook deel aan de tentoonstellingen van andere clubs als het Amsterdamse Arti et Amicitae. Zeker is dat diverse leden van tijd tot tijd van standplaats veranderden. Misschien maakte de goede verkoop het voor sommige schilders lastig voldoende werk te produceren om bij een volgende tentoonstelling met iets nieuws te komen en haakte men daarom af. Het ontbreken van een gezamenlijke ideologie is beslist een factor die mijns inziens meespeelt bij de vele wisselingen in de samenstelling van Club De Tien. 

De tweede generatie van Club De Tien circa 1905/06. Schema samengesteld door auteur op basis van diverse bronnen.

De portefeuille
De Club maakte ook gebruik van een ‘rondreizende portefeuille’ met tekeningen van de leden. Op deze manier groeit in het land de naamsbekendheid van Club De Tien. Het idee van dit soort kunstbeschouwingen is niet nieuw, o.a. het schilderkunstig genootschap Pulchri Studio werkte er al langer mee. 

Vrouw met emmer van H.J. Wolter

Voor club De Tien was het Hendrik Jan Wolter, lid van het eerste uur en ook lid van Pulchri, die het initiatief nam. De portefeuille wordt vanaf 15 december 1904 ingezien in Alkmaar, ’s Hertogenbosch en Nijmegen. 7) In de steden Nijmegen en ’s Hertogenbosch vinden later ook daadwerkelijk tentoonstellingen plaats. Wolter (1873-1952) blijft echter maar kort bij De Tien. De talentvolle en productieve Wolter staat nog aan het begin van een lange carrière. In 1904 vestigt hij zich in Laren waarna hij in 1914 na een aantal verblijven in Engeland, vooral in Cornwall, in Amsterdam gaat wonen. Daar wordt hij van 1923 tot 1938 professor aan de Academie voor Beeldende Kunst. 8)

Toon de Jong. Ets ‘Gooi en Eemland’ ook wel genaamd: Goyergracht 1905.

De verkoopmachine van August Legras
De derde Hilversumse tentoonstelling in 1905 is weer een groot succes zoals wel blijkt uit de berichtgeving in het Algemeen Handelsblad: “De derde jaarlijksche tentoonstelling door de Gooische Schildersclub ~De Tien in hét Spijslokaal aan het Melkpad te Hilversum gehouden, heeft tot heden zulk een goed verloop gehad, dat de Club besloot de expositie een korten tijd te verlengen (zie de desbetreffende annonce in dit Ochtendblad.) Het bezoek is niet minder dan op de vorige tentoonstellingen, terwijl op verzoek de Club besloot de expositie open te stellen voor leerlingen van alle scholen tegen half geld. Van deze gelegenheid wordt vooral door oudere leerlingen een druk gebruik gemaakt. Ook wat den verkoop betreft is de tentoonstelling een succes* Van de 48 geëxposeerde schilderstukken, aquarellen en teekeningen zijn er reeds 14 verkocht, met name van S. Garf ‘Bij den Schoorsteen’, J. Gebhard ‘Ouwe Snoeper’ en ‘Voor den Kadi’, A. le Gras ‘Vadér’s Maal’, Kalf en koeienkop, Toon de Jong ‘De Eendracht’, ‘Larensch achterhuis’ (2 stuks) en ‘Gooi- en Eemland’ (2 stuks.) De beide laatste zijn etsen. Dirk Ocker ‘Moeder en Kind’ en ‘Schets.’” 9)

Tjeerd Bottema ‘Wintergezicht bij Laren’

De tentoonstelling levert ook een bijdrage aan de kunsteducatie want scholieren kunnen voor half geld naar binnen. De normale entree bedraagt 25 cent en op zondag 9 juli, waarschijnlijk de slotdag, een dubbeltje (fl. 0,10). Een kwartje (fl. 0,25) in 1905 is vergelijkbaar met een koopkracht van € 3,07 in 2016. 10)

Interessant is ook dat al halverwege de tentoonstelling 25% van de werken is verkocht waaronder 5 etsen van Toon de Jong. Hier blijkt in de verkoop het voordeel van een kunstwerk dat in een bepaalde oplage is geproduceerd. Een exemplaar exposeren, meerdere exemplaren kunnen verkopen. De kunstenaar Tjeerd Bottema die vanaf 1911 aantreedt bij Club De Tien bevestigt dat nog eens als hij uitlegt hoe hij bij de Club is gekomen: “Op zekere dag kreeg ik bezoek van een Larense collega, Legras genaamd. Hij was voorzitter van de ‘Club van Tien, een schildergenootschap van tien leden. Zij hielden geregeld tentoonstellingen van hun werk. Hij vroeg me of ik zin had om lid te worden, want er was een plaats opengevallen en ze wilden vanwege de titel het aantal leden op tien houden. Ik aarzelde, maar stemde er toch mee in. Op de eerstvolgende tentoonstelling had ik een schilderijtje, het ‘Larense boerendeel met koeien’ ingezonden. Het werd meteen verkocht. Een mooi begin, maar toch bevredigde het me niet. Opnieuw kwam het gevoel naar boven dat ik mijn eigen kind verkocht. Net als een kind is ook een schilderij eenmalig, uniek en niet te vervangen. Maar ik zag een uitweg, die langzamerhand realiteit kreeg: Ik zou gaan etsen. Etsen kan men in veelvoud drukken en als ze goed gelukt zijn verkopen, maar tevens kan men er zelf de proefdrukken van houden.” 11)

Rondom 1900 was Laren bekend als schildersdorp en in de zomers kwamen vele toeristen, kunstliefhebbers en handelaren o.a. uit Amerika om het werk van de Larense schilders te zien en te kopen. Misschien verklaart de komst van de toeristen ook de inspanningen van De ‘Vereeniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer’ te Hilversum. Die ‘heeft opnieuw op zich genomen het patronaat over eene Tentoonstelling van schilderijen van leden der bekende club ‘De Tien’’, zo is te lezen in de krant. 12) De Hilversumse ‘Vereeniging’ werd omstreeks 1902 opgericht met als volledige naam: ‘Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer en de verfraaiing van Hilversum en naaste omgeving’. 

‘Het ‘vreemdelingenverkeer’ bestond in die dagen niet zozeer uit dagjesmensen als wel uit rijke families die gedurende de zomer hun intrek namen in luxe pensions of gehuurde villa’s. De leden van de vereniging waren vooral exploitanten van hotels en restaurants en makelaars en notarissen.’ 13) 

Ook elders in het land nemen afdelingen ‘Vreemdelingenverkeer’ deel aan de organisatie van Club De Tien tentoonstellingen bijv. in 1909 in Zwolle. 14)‘In Nederland bestonden in 1910 88 afdelingen van de VVV, waarbij in totaal 429 vestigingen waren aangesloten’. 15)

De coöperatieve winkel van Club De Tien
Nico van Harpen, de journalist die kunsthandelaar wordt, verblijft in de zomer van 1903 in Blaricum. Hij wordt door enkele schilders meegetroond om te helpen bij de afbouw van een tentoonstelling van Club De Tien in het Spijslokaal aan het Melkpad in Hilversum. Met zijn levenslang blijvende belangstelling voor de kunsten en het einde van zijn loopbaan bij de Amsterdamsche Courant in aantocht, zoekt hij emplooi voor zijn tomeloze organisatietalent. Er zal een vonkje in zijn gedachten zijn overgesprongen toen hij deze tentoonstelling op zich in liet werken. ‘Schilders uit Laren en Blaricum die hun werk in Hilversum tonen en te koop aan bieden. Wat kan ik daarmee?’ Iets in deze trant zal Van Harpen hebben gedacht. Als hij zijn idee verder ontwikkelt, onderzoekt hij de mogelijkheid om met een aantal regionale schilders een coöperatieve kunsthandel te beginnen. Al snel komt Van Harpen erachter dat deze organisatievorm niet goed samengaat met de karakters van de schilders en de vraagstukken van inzet, productie, verdeling, en inbreng. Als hij in 1905 start met zijn Larensche Kunsthandel is dat voor eigen rekening en risico. 16)

Voor mij is het daarom opvallend dat Club De Tien in 1907 de krant haalt met de officiële opening van zijn coöperatieve kunsthandel. Misschien behoren de bevindingen van Van Harpen enerzijds bij de oorzaken van het korte bestaan van de ‘Onderlinge kunsthandel van Club De Tien’,terwijl anderzijds het succes van de Larensche Kunsthandel (mede) aanzet is geweest voor de leden van Club De Tien om een kunsthandel te beginnen. Ondanks de melding van De Telegraaf slechts een enkele dag na de opening van de winkel, dat: ‘Het zaakje belooft goed te gaan, er is n.l. nu reeds een schilderij verkocht van August Legras, getiteld ‘Heideplas bij Blaricum’’ 17), was het snel voorbij met de winkelactiviteiten. 

Ansichtkaart beschreven in 1908 – Laren – ’t Nieuwe Postkantoor. Het nieuwe Postkantoor werd op 25 april 1906 opengesteld voor publiek. 23)

In de winkel worden twintig werken aangeboden. De makers zijn: A.R. Mauve, August Legras, Co Breman, Herman Heyenbrock, Broekman, Dirk Meelis, David Schulman, Toon de Jong en Heinrich Martin Krabbé. 18) Van deze namen komt Broekman mij niet bekend voor. In de geschiedenis van Club De Tien is dit zijn enige vermelding. Na enig speuren kom ik uit bij de beeldhouwer en schilder Dirk Broeckman (1875-1933) die in 1906 in Laren kwam wonen, naar Loosdrecht vertrok en daarna weer in Laren terugkeerde. 19)

Advertentie Onderlinge Kunsthandel De Gooi en Eemlander.

In de traditie van Club De Tien, die met de publicatie van ingezonden brieven regelmatig aandacht winnen voor hun zaak, heeft E.R.D. Schaap een stuk geschreven over de opening en het aanbod van de Onderlinge Kunsthandel. ‘Het is zeer te waardeeren dat door de opening van dit zaaltje aan kunstliefhebbers de gelegenheid is geboden, steeds werk te kunnen zien van de leden dezer Club, waartoe enkelen der meest bekende Gooische schilders behooren.’ 20) Schaap maakt geen melding van de terughoudendheid die het artikel in De Telegraaf wel beschrijft. Het is een realistische en praktische overweging: “Marcheert de zaak niet, dan wordt de ‘Onderlinge Kunsthandel weer opgedoekt.” 21) Op 18 mei 1907 verschijnt in tenminste drie kranten 22) nog een advertentie voor de gratis toegankelijke permanente tentoonstelling van het werk der leden in de kunsthandel aan de Stationsstraat tegenover het postkantoor. Maar daarna blijft het stil en ik neem aan dat de onderlinge kunsthandel aan het einde van de proefperiode met stille trom is opgeheven. 

Een coöperatie is een onderneming die wordt bestuurd en gefinancierd door leden die gebruik maken van die onderneming. 24)
Op 12 juni 2017 verkocht het schilderij ‘Bloeiende bomen in Het Gooi’ van Co Breman