Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Nico van Harpen en ‘De Larensche Kunsthandel’ (1905-1921) – 2

Nico van Harpen en ‘De Larensche Kunsthandel’ (1905-1921) – 2

Nico van Harpen, de oprichter van de ‘Larensche Kunsthandel’, begint na een afgebroken opleiding al jong aan een militaire carrière, waarin hij het brengt tot onderofficier. Daarna komt hij min of meer toevallig terecht in de journalistiek. Eerst in Arnhem en daarna in Amsterdam waar hij opklimt tot hoofdredacteur en directeur van de Amsterdamsche Courant. Ondanks zijn inventiviteit en marketing­talent gaat ‘zijn’ krant ten onder in de concurrentie met de grote bladen. Van Harpen besluit dan, en zoals later blijkt met succes, de kunsthandel in te gaan. Al gauw werkt hij samen met sierkunstenaar Theo Neuhuys en kan de Larense vestiging “Villa Mauve” worden uitgebreid met een Amsterdamse afdeling in een schitterend grachtenpand.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 137 [2016-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Deel 2: Van Harpen, de Koningin-Moeder, Jan Mankes en het Vredespaleis

Peter C.L. van der Ploeg

Een lezeres van mijn eerste artikel over ‘De Larensche kunsthandel’ vertelde mij dat het lezen aanvoelde als het lezen van een detective. Inderdaad is er met het onderzoek voorafgaand aan het schrijven veel speurwerk gemoeid. Zoeken in archieven, bibliotheken, antiquarisch verkregen boeken en tijdschriften, moderne boeken, het afzoeken van het internet, bezoeken aan musea. In die betekenis is het echt detectivewerk. Het achterhalen van feiten en gebeurtenissen is hoogst bevredigend. Ik vind het plezieriger informatie zelf op te diepen uit de oorspronkelijke bronnen dan overname uit een bestaande publicatie. Al is dat wel gemakkelijker.
Aan het einde van het eerste artikel stelde ik twee vragen over sierkunstenaar Theo Neuhuys die met Van Harpen ging samenwerken in de Larense Kunsthandel. Zijn familierelatie met kunstenaars Albert Neuhuys (1844-1914) en Jozef Neuhuys (1841-1889) heb ik na het nodige zoekwerk opgehelderd. Theo bleek een neef van beiden. De tweede vraag waar Theo Neuhuys en Nico van Harpen elkaar hebben leren kennen, beantwoordde ik door enige mogelijkheden te noemen. Die zijn onjuist gebleken. Door mijn voortgaand onderzoek stuitte ik op het boek: “Kleykamp, De geschiedenis van een kunsthandel ca. 1900-1968” 1). Niet alleen is hier op bladzijde 61 te lezen dat Theo een neefje is van Albert, er is een ruim hoofdstuk gewijd aan Theo Neuhuys en de eigentijdse kunst bij Kleykamp. Bovendien wordt de samenwerking tussen Kleykamp en de ‘Larensche Kunsthandel’ aan de orde gesteld. Ook las ik hier dat Van Harpen en Theo Neuhuys elkaar kennen (dus al vóór 1904) door hun werkzaamheden voor de Amsterdamsche Courant (Het Geeltje), waaraan Neuhuys als tekenaar was verbonden. Voor dit tweede artikel over Van Harpen en zijn kunsthandel zal ik ook gebruikmaken van deze publicatie. Opmerkelijk genoeg ben ik het boek “Kleykamp” niet tegengekomen als verwijzing op de website van het RKD (Rijksinstituut voor Kunsthistorische Documentatie) onder de referentie Kunsthandel Kleykamp. Zo ziet men maar, dat ook een speurneus zoals ik niet altijd direct het juiste spoor naar de kortste weg opsnuift.

Een reactie van een andere lezer over een mogelijk bijzondere zakelijke relatie tussen Van Harpen en Theo Neuhuys dan wel met de familie Albert Neuhuys raakt me als een intrigerende gedachte. Ik zal dat nog nader onderzoeken. Bovendien herinnerde deze suggestie mij aan het huldigingsfeest ter ere van de 60-jarige Albert Neuhuys dat in juli 1904 in Laren werd gevierd. Een werkelijk groots feest. De jubilaris en zijn vrouw werden na hun terugkeer uit Amerika opgewacht op het treinstation in Hilversum door vier leden van de feestcommissie. De volgende personen maakten daar deel van uit: “Mej. A. Hugenholtz, en de heeren J. van Wulffen, voorzitter, N. van Harpen, secretaris, J. S. H. Kever, Tony Offermans, A. J. Derkinderen, L. van der Tonge en H.T. de Court Onderwater.” 2) Naast de kunstschilders zijn het de namen van Van Wulfen en Van Harpen die mij hier opvallen. Johannes van Wulfen (1838-1912) is de beroemde Larense schoolmeester, oprichter van zijn eigen school- de school van Van Wulfen- waarvan hij van 1863 tot 1907 hoofdonderwijzer was 3). Een oud-vriend van de jubilaris die indertijd een portret schilderde van Van Wulfen 4). Maar wat doet Van Harpen hier? Hij vervult de rol van secretaris van de feestcommissie. In april 1903 eindigt zijn aanstelling bij de Amsterdamsche Courant, het stadsblad dat na 284 jaar moest verdwijnen bij gebrek aan lezers. 5)
Van Harpen was een man met “vooruitstrevende denkbeelden”. Zo bericht de Telegraaf op 25 februari 1950, twintig jaar na het overlijden van Van Harpen, naar aanleiding van een innovatie op initiatief van Van Harpen:

Nieuwe sensatie
Enkele dagen later wachtte d’ Amsterdammers echter een nieuwe sensatie – die nauwelijks minder opzien baarde dan het feit van de brand zelf. Tot hun stomme verbazing zagen de abonné’s van “Het Geeltje” oftewel de “Amsterdamsche Courant” (die later in “De Telegraaf” werd opgenomen) op de frontpagina van het nummer van Maandag 24 Februari (1890) een echte foto afgedrukt van de schouwburgbrand. Het was de eerste maal dat in een Nederlandse krant een actuele foto werd gepubliceerd en de verbazing over dit “wonder van de natuurkunde” was algemeen. De mensen gristen elkaar de bladen uit de handen om de plaats te zien en inderdaad: daar zag men de brandende schouwburg in zwart en wit, de vage contouren gehuld in witte rooksluiers. Men zag de brandslangen kronkelen over het Leidseplein en zelfs een dikke gehelmde politieman met zijn vervaarlijke sabel en de handen op de rug, was duidelijk te herkennen.

Gerechtvaardigde trots
De redactie van de “Amsterdamsche Courant” was ongemeen trots op deze unieke prestatie, tot stand gekomen dank zij de vooruitstrevende denkbeelden van de actieve hoofdredacteur Nico van Harpen. Zij wijdde een hoofdartikel aan het opzienbarende feit en in onze dagen van geraffineerde reproductietechniek en razendsnelle fotoberichtgeving, waardoor het mogelijk is geworden foto’s van gebeurtenissen in andere werelddelen weinige uren, nadat zij plaats vonden, in onze kranten af te drukken, is het vermakelijk van het eerlijke enthousiasme van onze krantencollega’s van zestig jaar geleden kennis te nemen.

Koningin-Moeder Emma in 1918 geschilderd door Jan Veth (1864-1924)

Van Harpen’s relatie met Koningin-moeder Emma
Lien Heyting vermeldt in haar boek “De wereld in een dorp” op gezag van een citaat uit de Laarder courant De Bel dat “De Kunstzaal van Nico van Harpen was dermate en vogue dat de Koningin- Moeder er een vrij geregelde bezoekster werd.” Lien gaat daar niet dieper op in, maar ik ben benieuwd naar Van Harpen’s belangstelling voor de Koningin-Moeder, die duidelijk verder gaat dan de Koningin-Moeder als bezoekster van zijn kunsthandel. Prinses Adelheid Emma Wilhelmina Theresia van Waldeck-Pyrmont trad op 7 januari 1879, nog maar 20 jaar jong, in het huwelijk met de 61-jarige Koning Willem III. De koning was na het overlijden van Koningin Sophie op 3 juni 1877 weduwnaar. Zijn drie zoons stierven zonder nageslacht, zodat zijn huwelijk met Emma een troonopvolger moest brengen. Op 31 augustus 1880 werd Wilhelmina geboren. De koning overlijdt op 23 november 1890 waarna Emma als regentes voor haar dochter optreedt.
Tuberculose was destijds een veelvoorkomende ernstige ziekte. Emma’s zuster Sophie overleed er aan toen zij net 15 jaar jong was in 1869. Voor Emma zijn dit twee goede redenen geweest om zich in te zetten voor de behandeling van tbc-patiënten en de bestrijding van de ziekte. Ik vermoed dat op dit vlak een connectie bestaat tussen Emma en Van Harpen. Zonder zekerheid te kunnen geven meen ik dat Van Harpen’s vrouw – Elisabeth Maijer (geboren 1862) – op 10 maart 1891 binnen een maand na hun huwelijk aan tbc overleed. Als tbc snel tot de dood leidt, sprak men van “vliegende tering”. Het is een feit dat de ziekte in zeer korte tijd dodelijk kon zijn, dus zeker in weken tot maanden. Vaak werd in die tijd ook te laat diagnose gesteld 6). In zijn in 1904 gepubliceerde boek “Koningin Emma, koningin der weldadigheid” 7), omslag naar een ontwerp van sierkunstenaar Theo Neuhuys, beschrijft Van Harpen aan de hand van de berichtgeving over het koninklijke huwelijk in de Amsterdamsche Courant van 8 januari 1879 hoe de huwelijksplechtigheid werd voltrokken. Hij rept met geen woord over het toen al ruim bekende dubieuze en overspelige karakter van de koning. Zijn boek is een eerbetoon aan Emma. Als Emma in 1898 de troon overdraagt aan Wilhelmina en haar regentschap eindigt, ontvangt zij als geschenk een donatie van het Nederlandse volk: ruim driehonderdduizend gulden (vergelijkbaar met ruim 4 miljoen euro in 2015 8)). “Sedert lang was het mijn wensch”, haalt Van Harpen de woorden uit de rede van Emma aan, “eene stichting in het leven te roepen, waaraan ik geloof dat groote behoefte bestaat, ik bedoel een sanatorium voor longlijders, in de eerste plaats ten bate van hen die de middelen missen om in het buitenland hulp te zoeken teegen de vreeselijke kwaal, die helaas! In ons vaderland zoo veelvuldig voorkomt en zulke ernstige gevolgen na zich sleept.”9) Zo ontstond in 1901 Oranje Nassau’s oord op het landgoed nabij Wageningen dat Willem III voor Emma kocht in de hoop dat het haar heimwee naar haar geboortestreek zou verminderen 10). Het mooie Koningin-Emma-boekje dat werd uitgegeven ten bate van het Emma fonds is een van de vele projecten die Van Harpen in zijn leven ondernam. Belangeloos werd het boekje door diverse firma’s en personen geproduceerd, waarbij Theo Neuhuys de versiering op zich nam. In latere jaren doneert Van Harpen het geld dat bezoekers van zijn gratis te bezoeken exposities in een ‘fooienpot ‘stoppen aan het Emmafonds. Van Harpen is een organisator, een regelneef, een strateeg en een geweldige netwerker. Hij weet altijd mensen te overtuigen en mee te laten werken aan zijn plannen. Voortdurend borrelen er ideeën en plannen in zijn hoofd op. En… hij geeft daar vaak met succes uitvoering aan. Zo was Van Harpen ook volop betrokken bij Larense Neuhuyshuldiging in 1904, de totstand­koming van het Mauvemonument op de Brink in Laren in 1907 en nog vele andere initiatieven.

Voorbeeld sierletter H, ontwerp Theo Neuhuys, 1903

Van Harpen koopt een schilderij
Niet iedereen heeft vertrouwen in Van Harpen’s motieven bij het opzetten van een kunsthandel, zoals bij Lien Heyting 11) is te lezen. Misschien is Lien wel te streng. Of misschien doorziet zij als journalist de motieven van oud-journalist Van Harpen scherper. Maar een journalist is nog geen ondernemer. Het betreft vooral de kritiek die zij geeft op het waagstuk van het beginnen van een kunsthandel in Laren door Van Harpen. Volgens Heyting en anderen was het helemaal geen punt om in het Laren van toen, dat ruim bevolkt werd door kunstschilders en werd bezocht door grote aantallen binnen-en vooral buitenlandse kunstliefhebbers en verzamelaars, succesvol te zijn. Met het gebruik van woorden als ‘sluw’ en een zin als: “Van Harpen schilderde zichzelf niet alleen graag als een weldoener af maar ook als een buitengewoon moedig pionier” geeft Heyting de prestaties van Van Harpen (en zeker ook van Theo Neuhuys) een negatieve connotatie. Daar kan ik het niet mee eens zijn. Immers alle inventiviteit van Van Harpen ten spijt, slaagde hij er niet in zijn krant blijvend te doen overleven. Daarnaast is het vooral Theo Neuhuys die wordt genoemd als de succesvolle kunsthandelaar (verkoper) in een brief van kunstenares Suze Robertson aan Van Harpen 12).

Voorbeeld van een schilderij van Emanuel van Beever; ‘Boerin bij waterput in schuur” in juni 2016 verkocht op een veiling.

In 1906 gaf Van Harpen in zijn bulletin ‘Het land van Mauve’ een eerste uitleg: “Waarom te Laren een kunsthandel?” 13) In 1915 verdiept hij zijn relaas. Nu wordt duidelijk dat hij al eerder in kunst en met name schilderkunst was geïnteresseerd. Daarvan getuigt ook de uitgave: “Kunstspiegel voor 1890/91”; onder redactie van N. van Harpen en uitgegeven door Olivier & Schalekamp. De uitgave kent vier onderdelen: Muziek (waarbij ook bladmuziek is afgebeeld), Illustraties (met afbeeldingen naar het werk van o.a. Pisarro, Joseph Israels, De Bock, Zilcken, Jaap en Willem Maris en ook Mauve ontbreekt niet. Dan is er een rubriek met Poëzie (o.a. Henrik Ibsen en Hélène Swarth) en ten vierde Proza. Hier o.a een bijdrage van Theophile de Bock, maar ook een kort spannend verhaal van Nico van Harpen met als titel “Nachtmerrie” 14). Hoewel de uitgevers de verkoop stimuleerden door de boekhandels bij een afname van 25 stuks twee etsen van Philip Zilcken naar een schilderij van Mauve aan te bieden, stagneerde de verkoop en kwam er geen volgende Kunstspiegel. Zo eindigde het als een ‘boze droom.’ Het verkooptrucje van de gratis ets zal Van Harpen later bij zijn bulletin ‘Het land van Mauve’ met succes inzetten voor het slijten van de abonnementen met zijn zogenaamde premie-ets. Als hoofdredacteur-directeur van de ‘Amsterdamsche Courant’ redigeerde hij ook ‘De Portefeuille’ (een uitgave van Olivier), de kunstbijlage. Hij bezocht ”nagenoeg alle schilderijententoonstellingen” en kwam: ”vrij geregeld bij alle ­Amsterdamsche kunsthandels. Daardoor zag ik veel schilderijen en door mijn omgang met schilders leerde ik schilderijen zien en de schilderkunst liefkrijgen.” Het organiseren zit in zijn bloed. Nu zijn emplooi door het opheffen van de krant is geëindigd, denkt hij erover om een tentoonstelling te houden als herdenking aan Rembrandt’s 300-jarig geboortefeest (15 juli 1606). Hij krijgt de financiering niet rond en valt dan terug op een eerder idee. Het beginnen van een kunsthandel. In de zomer van 1903 verblijft Van Harpen twee weken in Blaricum en enkele schilders betrekken hem bij het afbreken van een tentoonstelling van de X (De club van Tien) gehouden in Hilversum. Daar ontdekt en koopt hij een werk van Emmanuel van Beever (1876-1912). Het werk is anders van kleur (“eigenaardige kleur”) en verschilt sterk van het werk van andere interieurschilders.

Emanuel Samson van Beever werd slechts 36 jaar en werd in 1912 naast Tony Offermans begraven op de Algemene begraafplaats in Laren.

Als Van Harpen dat schilderijtje aan een kunsthandelaar laat zien, vindt die het mooi, maar acht het zonder waarde. De schilder produceert te weinig en doet te lang over een schilderij. “Mij kwam deze opvatting als ketterij tegen de kunst en de kunstenaar voor en vanaf dat oogenblik ging de vraag – hoe daar verbetering te brengen- niet uit mijn gedachte.” 15) Zo werkt Van Harpen, nadat hij in 1904 in Laren is komen wonen, eerst een plan uit voor een coöperatieve kunsthandel om als dat niet lukt voor eigen rekening en risico een kunsthandel te beginnen.

Carnegiehulde voor het Vredespaleis
De tentoonstellingen in beide afdelingen van de kunsthandel wisselen elkaar in hoog tempo af. Elke maand is er een nieuwe tentoonstelling, terwijl er ook nog tentoonstellingen worden georganiseerd op andere locaties. Toch vindt Van Harpen altijd weer de tijd en gelegenheid om zich in te laten met een van ‘zijn’ projecten. Lezers van ‘Het land van Mauve’ worden in januari 1911 opgeroepen om de “vrienden van de vrede” te ondersteunen. Zij willen Andrew Carnegie (1835-1919), stichter van het Vredespaleis, een portret aanbieden voor zijn vele giften, “geschilderd door een onzer beste portretschilders.” 16) De “vrienden van de vrede” hebben deze opdracht verstrekt aan “de Larensche Kunsthandel” in casu de heer Van Harpen. Het wordt nooit helemaal duidelijk wie deze vrienden zijn, maar Van Harpen heeft zijn missie. Kennelijk zijn hij en zijn “vrienden van de vrede” te hard van stapel gelopen. Een jaar later lezen we in het bulletin: “Wij hebben ons beroep op medewerking aan het Nederlandsche volk toen tijdelijk gestaakt, wijl wij in overleg met het bestuur van de Vredespaleis-stichting ons eerst wenschte te vergewissen of de heer Carnegie met deze hulde ingenomen zou zijn en waar en wanneer hij voor den door ons in overleg met genoemd bestuur aan te wijzen schilder zou willen poseeren. Tot dat doel vertrok onze directeur Theo Neuhuys in november van het vorig jaar naar Amerika ten einde een en ander met de heer Carnegie te regelen.” Carnegie stemde in en zal eind maart voor “de in Amerika hooggeschatte B.J. Blommers” poseren. Op 10 februari 1912 vertrekken de heer en mevrouw Blommers per SS Nieuw Amsterdam naar New York 17). De inzameling onder het volk en de leden wordt gecontinueerd. Kunstschilder Blommers (1845-1914) schrijft vanuit Hotel Netherland te New York op 8 mei 1912 de volgende brief aan de Larensche Kunsthandel 18):

“Waarde Heeren,
Even om mede te deelen dat het portret van Mr Carnegie gereed is, en binnen een paar dagen bij Knoedler zal geexposeerd worden, het heeft lang geduurd, maar het was een moeilijk portret, zeer veranderlijk van expressie, doch het is gereed en naar de heer & mevr Carnegie’s zin. Hij gelijkt goed, en dit is de hoofdzaak. Wij konden geen plaats op de boot bekomen als voor 28 mei a.s, zoodat wij daar maar op zullen wachten, en nog eenige dagen naar Pittsburg zullen gaan, ik hoop maar dat wij geen ijsbergen zullen ontmoeten, daar zijn veel reizigers bang voor geworden, niet alleen, maar onophoudelijk zijn er berichten dat men heeft moeten omvaren om ze uit de weg te gaan, maar wij moeten over en vertrouwen maar op ons goed gesternte. Ik zal er nog wel een en ander thuis aan moeten doen, want op het laatst is er nog wat aan gewijzigd. Het zijn aardige menschen en van beide zijden – geloof me – zijn we goede vrienden geworden. Het weer is hier nu mooi en verlangen naar Holland want het wordt hier spoedig te warm. Ontvangt u ook van mijn vrouw de hele hartelijke groeten.
Uw toegenegen
Handtekening Blommers
Wij vertrekken met de SS Rotterdam 28 mei van hier.

Portret Andrew Carnegie door B.J. Blommers 1912/1913)

(De scheepsramp met de Titanic waar door middel van de ijsbergen aan wordt gerefereerd, vond plaats op 15 april 1912). Uiteindelijk zal het nog even duren voor het Carnegie-portret eindelijk echt klaar is. Maar op 30 juli 1913 is het dan zover en wordt het schilderij overgedragen aan het bestuur van de Carnegiestichting. In het bulletin claimt oud-militair Van Harpen nu het initiatief tot het huldeblijk te hebben genomen 19), waar eerder sprake was van een verzoek van het anonieme gezelschap “vrienden van de vrede”.
(In het Katwijks museum is tot 12/11/2016 een overzichtstentoonstelling van Blommers oevre te zien: http://goo.gl/rJ1A7l)

Tentoonstellingsbeleid van de “Larensche Kunsthandel”
Er worden veel tentoonstellingen georganiseerd en diverse kunstenaars komen aan bod. In de Larense Villa Mauve zijn dat overwegend de producten van de Larense schilders terwijl in Amsterdam ook tentoonstellingen worden gehouden van buitenlandse schilders. Het is mij niet duidelijk hoe de taakverdeling tussen Theo Neuhuys en Nico van Harpen is geregeld bij het selecteren van de kunstenaars. Neuhuys is aangesteld als directeur van de Amsterdamse afdeling en krijgt ook veel bemoeienis met de activiteiten van Kunsthandel Kleykamp waarmee de ‘Larensche kunsthandel’ een samenwerkingsrelatie heeft. Toch lijkt het ondenkbaar dat Van Harpen geen vinger in de pap heeft bij het kiezen van de kunstenaar(s) en het selecteren van de te exposeren werken.
In juni 1911 huisvest de Amsterdamse afdeling een tentoonstelling met werken van een toen nog niet algemeen bekende en wereldberoemde Van Gogh (1853-1890) 20). Gepresenteerd worden 69 werken waaronder schilderijen, aquarellen en tekeningen, waarvan slechts een gedeelte te koop werd aangeboden. Ik noem de titels van enkele werken die te zien waren: Bloeiend perenboompje, Vrouw met witte kap, Ophaalbrug te Arles. Stilleven “Aardappelen”, Schoenen, Steengroeve op Montmartre, Zelfportret, Akkers met ploeger, Rots, etc 21).

De heuvel van Monmartre met steengroeve; 1886 Parijs, juni – juli 1886 Vincent van Gogh (1853 – 1890) olieverf op doek, 56.3 cm x 62.6 cm. Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Jan Mankes (1889-1920)
“Mankes zelf koesterde de nodige twijfels over de ambitieuze opzet van de tentoonstelling die Schüller en Van Harpen in gedachten hadden.” 22) Met deze zin typeert Arnold Lighart de gevoelens van de jonge kunstenaar Jan Mankes in 1912 als zijn Haagse kunsthandelaar J.C. Schüller besluit een overzichtstentoonstelling te houden, niet in zijn kunsthandel maar in de Amsterdamse afdeling van de Larensche kunsthandel. Uit een brief van Schüller 23) blijkt dat hij al werk van Mankes aan Van Harpen heeft verkocht. Een catalogus van deze tentoonstelling heb ik niet kunnen vinden. Het werk van Jan Mankes is bijzonder genoeg om twee afbeeldingen te tonen.
“De expositie werd goed bezocht en er werd veel verkocht.” 24) Nadat Schüller in 1915 is overleden sluit Van Harpen een contract met Mankes. Over hun samenwerking meer in de 3e aflevering.

Jan Mankes (1889-1920), ‘Olieflesje en judaspenning in gemberpot’, 1912. Olieverf op doek op paneel, bruikleen Ottema-Kingma Stichting, Museum Belvédère).
Jan Mankes, Zelfportret met uil, 1911.

Théo van Rysselberghe
Van de tentoonstelling die de ’Larensche Kunsthandel’ in 1913 organiseert rondom het werk van Théo Rysselberghe (1862-1926) heb ik via een antiquariaat een exemplaar van de catalogus te pakken gekregen.
Het is zo heerlijk om de honderd jaar oude inhoud van zestien bladzijden en zes afbeeldingen in te zien. Maar liefst zestig werken worden opgesomd die op de tentoonstelling zijn te zien. De Belg Van Rysselberghe wordt gerekend tot de neo-impressionisten. “Théo van Rysselberghe was op 28 oktober 1883 één der voornaamste medestichters van de kunstenaarsgroep Les XX, een groep jonge radicale artiesten die rebelleerden tegen het verouderde academisme en de heersende artistieke standaarden.” 25); zo lees ik op Wikipedia.
De opening van deze tentoonstelling was een echt feestje. Dat valt wel op te maken uit het verslag dat Van Harpen publiceert in zijn bulletin 26). De commissaris van de koningin in Noord-Holland (1911-1914) Mr. Dr. W.F. van Leeuwen (1860-1930) was erbij. “Ons oudste lid”, vermeldt Van Harpen daar trots bij en hij bedoelt waarschijnlijk niet de leeftijd van de man, maar de lengte van diens lidmaatschap. Daarnaast zijn veel schilders, schrijvers, musici en toneelspelers aanwezig om kennis te maken met Van Rysselberghe. Uit Van Harpen’s verslag komt naar voren dat er ook is gezongen voor de gast zoals mag blijken uit het dankwoord aan o.a. de opera- en concertzanger Joseph Orelio (1854-1926) 27). Een compleet geslaagde vernissage. Bovendien werden er ook nog eens vijf schilderijen verkocht. De verkoopprijzen van toen ken ik niet. Vandaag heb je heel wat geld nodig om een schilderij van Van Rysselberghe te bemachtigen. Het afgebeelde bloemstilleven verkocht op de voorjaarsveiling 2016 van Venduehuis Den Haag voor € 25.000,- Zijn pointillistische schilderijen leveren het twee- tot vierdubbele op.

Tulpen en Oost-Indische kers. Théo van Rijsselberghe. Een kostbaar bosje bloemen of een dure vaas?

Het einde van de samenwerking met Neuhuys en Kunsthandel Kleykamp
“Er broeide iets in de gelederen van de Larensche Kunsthandel dat nog diezelfde zomer tot uitbarsting zou komen. Op een vergadering eind augustus 1912 in de Villa Mauve te Laren werd Theo Neuhuys per 15 september op zijn eigen verzoek eervol ontslag verleend.” 28) Onder de naam Kunsthandel Theo Neuhuys zal hij van 1912 tot in 1915 in Den Haag in samenwerking met het echtpaar Kleykamp en in hetzelfde pand als Kunsthandel Kleykamp zijn eigen zaak drijven. Wat precies is misgegaan in de (zakelijke) samenwerking tussen Neuhuys en Van Harpen is mij niet duidelijk, zelfs niet of het in hun persoonlijke relatie is misgegaan. Zij werkten in verschillende verbanden al meer dan 10 jaar samen. Misschien was Neuhuys na zijn reis naar Amerika wel toe aan nieuwe horizonten. Wel staakt de samenwerking tussen de Larensche Kunsthandel met Kunsthandel Kleykamp en werd niet langer geadverteerd voor sierkunst van Theo Neuhuys in het bulletin. Dat roept wel vragen op over een mogelijk artistiek of zakelijk conflict.

Wordt vervolgd
Mijn vraag is of je uit het beleid dat Theo Neuhuys voor zijn kunsthandel kiest, verschillen kunt vinden met bijv. het tentoonstellingsbeleid bij de Larensche Kunsthandel. In het derde artikel probeer ik op deze en andere vragen een antwoord te geven. Misschien heeft u ook vragen of opmerkingen of interessante suggesties over de geschiedenis van Van Harpen en de Larensche Kunsthandel. U kunt reageren via de website van de Historische kring Laren. Het lijkt me heerlijk deze speurtocht samen met u te vervolgen en wie weet nieuwe ontdekkingen te doen al of niet via een omweg.

Volgende keer: Deel 3: Van Harpen’s kwelgeest, de oorlogsjaren en de neergang van de ‘Larensche Kunsthandel’

Met dank aan: Singermuseum Laren en Rijksmuseum Amsterdam voor de bulletins ‘Het land van Mauve’.

  1. Kleykamp, De geschiedenis van een kunsthandel ca. 1900-1968, Auteurs o.a. J.F. Heijbroek, Waanders Uitgevers Zwolle, Stichting Historie Koninklijke Kunstzaal Kleykamp, Den Haag; ©2008
  2. Het Nieuws van den dag, kleine courant 19-07-1904
  3. http://goo.gl/RrnMir
  4. https://goo.gl/ddvrFp ; Boon’s Geillustreerd magazijn 1904, Het land van Mauve, Laren en zijn schilders, door N. van Harpen, II Albert Neuhuys
  5. Het Nieuws van den dag: kleine courant 02-04-1903
  6. Hinno Bottger, oud-neuroloog
  7. Koningin Emma, Koningin der weldadigheid, N. van Harpen, Höveker & Wormser, Amsterdam 1904
  8. Instituut voor Sociale Geschiedenis.
  9. Koningin Emma, Koningin der Weldadigheid blz. 34 en 35
  10. https://goo.gl/XYzygn
  11. Lien Heyting, De wereld in een dorp, Meulenhoff, Amsterdam 1994, blz.106
  12. Kleykamp, bladzijde67
  13. Zie mijn eerste artikel over van Harpen Kwartaalbericht 136, Bulletin Land van Mauve nummer 2, 1e jaargang, 5-07-1906
  14. Kunstspiegel voor 1890/1891 onder redactie van N van Harpen, Uitgevers Olivier en Schalekamp Amsterdam
  15. Het land van Mauve, 9e jaargang nummer 9, 1-04-1915
  16. Het land van Mauve, 5e jaargang nummer 7, 12-01-1911
  17. Het Land van Mauve nummer 7, 6e jaargang, 7-02-1912
  18. Brief Blommers aan Larensche kunsthandel, 8-05-1912 Stadsarchief Amsterdam
  19. Het Land van Mauve, 8e jaargang, nummer 1, 1-08-1913
  20. Het Land van Mauve, nummer 12, 5e jaargang, 20-06-1911
  21. Catalogus Tentoonstelling Vincent van Gogh, juni 1911, Larensche Kunsthandel
  22. Jong Holland, nummer 1, 1990, Jan Mankes en de Larensche Kunsthandel, door Arnold Ligthart, blz. 17–19
  23. Brief van Schüller aan van Harpen, 4 september 1912, Stadsarchief Amsterdam
  24. Het land van Mauve, 5e jaargang nummer 7, 12-01-1911
  25. https://goo.gl/V1ptFD
  26. Het Land van Mauve, nummer 8, 7e jaargang, 28-02-1913
  27. http://goo.gl/0TygFi
  28. Kleykamp, de geschiedenis van een kunsthandel, Uitgeverij Waanders en Sichting Historische Koninklijke Kunstzaal Kleykamp, Den Haag, 2008 Hoofdstuk: Theo Neuhuys en de eigentijdse kunst bij Kleykamp door J.F. Heijbroek, blz. 68