Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Het opmerkelijke leven van August Le Gras – deel 3

Het opmerkelijke leven van August Le Gras – deel 3

De stad Algiers is een geel vierkant op de kaart van het grootste Afrikaanse land, Algerije. De landkaart toont het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse zaken. (1) De kleur groen geeft aan waar volgens het ministerie geen veiligheidsrisico’s bestaan. Die kleur groen is op geen enkele plek in het land te vinden. Een aantal steden is weergegeven als gele stippen en daarvoor waarschuwt het ministerie: ‘Let op, veiligheidsrisico’s’. De kleuren bruin en rood beslaan de grootse delen van het land. Bruin staat voor het advies: alleen noodzakelijke reizen; anders kun je er beter wegblijven. De bovenste helft van Algerije is bruin. Het rood gekleurde landsdeel, dat ook ongeveer de helft van Algerije betreft, krijgt het dwingende advies: ‘Niet reizen’. Het zijn de Saharaanse landsdelen in het zuiden die grenzen aan Marokko, Mauritanië, Mali, Niger, Libië en Tunesië.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 151 [2020-1]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.
Kamelen voor een woestijnstad 1898. Waarschijnlijk Ghardaia. August Le Gras; Olieverf op doek; 43 x 61,5 cm.

© Peter C.L. van der Ploeg 

De droom

Ghardaia, een Berberse oasestad met tegenwoordig meer dan 125.000 inwoners, ongeveer zeshonderd kilometer recht onder Algiers, waar August Le Gras meermaals is heen gereisd tussen 1890 en 1915, is een gele stip. ‘Let op. Veiligheidsrisico’s.’ Zou ik er naar toe willen reizen? Zou ik er naartoe durven reizen? In deze streken maakte Le Gras zijn oriëntaalse oeuvre. Zou ik het niet heerlijk vinden juist daar heen te gaan en te zien wat Le Gras er ruim 100 jaar geleden zag? 

Nederland geeft Algerije vandaag een negatief reisadvies. Honderdvijftig tot zo’n honderd jaar geleden zal daar geen sprake van zijn geweest of misschien toch? Onder het Franse protectoraat was het ook niet altijd rustig en zeker niet aan de grenzen van het bezet gebied. In ieder geval reisden velen naar Algerije, totdat de oorlogshandelingen bij de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in 1914 het reizen vanuit Nederland naar Algiers verhinderden. Het was de reden dat August dat jaar geen gehoor kon geven aan de lokroep om zijn geliefde Algerije te bezoeken. 

Waarom wilde Le Gras naar Algerije?
Hij was niet de eerste Hollandse schilder die naar Noord-Afrika ging en ook zeker niet de laatste. In het artikel: ‘Nederlandse Oriëntalisten’ noemt de auteur er tientallen bij naam (2). Bij mijn onderzoek gaat het opvallen dat Algiers anno 1880 al een gewilde bestemming is geworden onder welgestelde, al dan niet adellijke lieden, kunstenaars en vrijbuiters. De misschien wel honderden Franse Oriëntalisten laat ik hierbij al heel graag buiten beschouwing. Ik noem enkele Nederlandse reizigers die de bekendheid van Algerije in ons land gebben vergroot. Het meest opvallende voorbeeld is misschien wel Prins Alexander, ‘de vergeten kroonprins’ (1854-1884)  (3). De prinselijke interesse was niet de enige overeenkomst met Le Gras. De prins was een vrijmetselaar en vanaf 1881 zelfs de grootmeester van de Haagse loge l’ Union Royale. August Le Gras sloot zich omstreeks 1896 aan bij de vrijmetselaarsloge ‘Concordia Vincit Animos’ in Amsterdam. Daar presenteert hij zijn eerste bouwstuk ‘Ideeën over Symboliek’, dat wordt gepubliceerd in het Maçonniek Weekblad (4) . De prins reisde meermalen naar Algiers (5) . Wat hij daar precies zocht en vond, is mij niet duidelijk geworden. Misschien paste het warme klimaat beter bij zijn ziekelijke natuur, al zijn er ook wel andere, smadelijke suggesties gedaan. De adjudant van de prins – van 1868 tot aan diens dood in 1888 -, Hugo Beijerman (1836-1913), publiceerde onder de titel: ‘Drie Maanden in Algerië’ een reisverslag in twee delen over deze reis in 1876s (6).  Misschien heeft August deze uitgaven gelezen. Of anders misschien wel het geïllustreerde boek van collega schilder Philippe Zilcken (1857-1930) ook al met de titel: ‘Drie maanden in Algerië’. Dat zal dan later zijn geweest, toen Le Gras al een geroutineerde ‘Saharaganger’ was. Dit boek werd uitgegeven in 1909 en doet verslag van Zilckens reis naar Algiers in 1908. Zilcken maakt in dit boek wel melding van zijn eerste reis naar Algiers in 1882/83s (7).  Het is mogelijk dat August tijdens zijn jaren op de Amsterdamse Rijksacademie heeft gehoord over de eerste reis van Zilcken en mogelijk ook wel zijn Algerijnse werk had gezien. Ik noem nog schilder Gerard Muller (1861-1921). Gerard is in 1882/1884 klasgenoot van August in de zogenaamde kleine schilderklas van de Rijksacademies (8) . Gerard blijkt in 1904 ook een reis te hebben gemaakt naar Algiers en later naar Tuniss (9) . Hij schilderde en aquarelleerde hier en verkocht bij terugkomst zijn werk o.a. bij kunsthandel C.M. van Gogh in Amsterdams (10).  

Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915), die van 1894 tot aan zijn dood in 1915 in Laren woonde en werkte, bezocht Algerije in 1905. Hij bekwaamde zich evenals August ook aan de Amsterdamse Rijksacademie. Hart Nibbrig studeerde daar van 1883 tot en met 1888 (11).  Le Gras was daar van 1878 tot 1887 en zij zullen elkaar zeker ontmoet hebben op de Academie en later in Laren. Zij stierven beiden notabene kort na elkaar, in oktober en november 1915.

Kamelenkop ets; August Le Gras ca. 1885; 14,4 x 19,5 cm.

Het zal duidelijk zijn dat er decennialang hevige belangstelling en nieuwsgierigheid bestond voor de oosterse mystiek, waarover vele reizigers verslag uitbrachten. 

Het veelomvattende essay ‘Nederlandse Oriëntalisten’ geeft August Le Gras een bijzondere plaats te midden van de vele kunstenaars van de twintigste eeuw. Kunsthistoricus en oud-directeur van het Rijksmuseum Ronald de Leeuw schrijft: “Bleef het oriëntalisme – zo daar al sprake van was – bij de meeste genoemde kunstenaars een zonnig intermezzo, een voorbijgaande fase of het toevallige product van een buitenlandse reis, ten minste één specialist in oosterse taferelen leverde de periode nog op: August Le Gras (1864-1915) Legras (ook wel Le Gras) maakte zijn eerste reis naar Noord-Afrika in 1891 en schilderde vanaf dat moment zonnige landschappen en stadsgezichten in lichte kleuren.” En iets verder: “Hij bezag het oosten zonder veel sentimentaliteit, maar constateerde op zijn latere reizen met spijt hoe weinig de westerse beschaving heel had gelaten van de plaatselijke cultuur, die hij nog ongeschonden had leren kennen.” 

Daarmee is de vraag waarom August koos voor Algerije, nog niet beantwoord. 

De kamelen in Artis zijn de metafoor, de drijfveer geweest, waardoor August ging verlangen naar de Sahara. In onderstaande tekst is het mooi verwoord. “Maar hoe welwillend de droomerige kameelen van onze Diergaarde ook voor hem ‘zaten’, een onweerstaanbare lust had zich allengs van den jongen kunstenaar meester gemaakt om deze viervoetige woestijnbewoners in hun eigen land en in hun eigen omgeving te leeren kennen. De trotsche Sahara, met hare vruchtbare plekken, steden en tentdorpen in de schaduw der wuivende palmen, lachte hem toe als een onuitputtelijke bron voor zijne levendige verbeelding. De groote en de kleine Sahara was hem een lievelingsdroom, die dankzij een goede fee, de gedaante van een paar kunstvrienden aannemende, weldra verwezenlijkt zou worden.” (12)

Gerard Heineken, bierbrouwer en mecenas (1841-1893).

Op reis
Waar Everts jr. schrijft over het ploeterende bestaan van August als net afgestudeerde kunstschilder, vindt hij een mecenas in bierbrouwer Gerard Heineken (13) . August heeft een aantal schilderijen in zijn opdracht gemaakt, meestal portretten van geliefde paarden. Heineken stelt August nu financieel in staat om naar Noord-Afrika te reizen. Op deze manier kan August zonder (financiële) zorgen aan de slag met het ontwikkelen van zijn oriëntaalse oeuvre. 

Het is niet bekend of de zevenentwintigjarige Le Gras beschikt over enige ervaring met buitenlandse reizen als hij in 1891 naar Algerije vertrekt, al geeft het Amsterdamse Bevolkingsregister aan dat hij Egypte als bestemming opgeeft (14).

Het zou toch interessant zijn een inkijkje te hebben op zijn voorbereiding. Ik stel enkele eenvoudige vragen. Beschikte hij over een paspoort of andere reisdocumenten? Nam August een goed gevulde portefeuille mee met (buitenlands) papiergeld of had Gerard Heineken een bankrekening voor Le Gras geopend bij een Franse bank in Algerije? Nam hij ingewerkte penselen en schildersmaterialen mee of schafte hij die ter plekke nieuw aan? Worden er enkele grote kisten gevuld met kleding en daarbij diverse rollen schilderslinnen en stapels schetsboeken ingepakt? Neem je een fototoestel mee? Wist hij bij vertrek dat hij zo’n anderhalf jaar in de woestijn zou verblijven? Is de zorg voor zijn moeder geregeld? We weten het niet. In het archief van Gerard Muller, die 15 jaar na August zijn eerste reis naar Algiers maakt, trof ik wel voorbereidende activiteiten aan. Hij schreef bijvoorbeeld het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan, waar hij verzocht om aanbevelingsbrieven bij Hare Majesteits (15)  vertegenwoordigers te Brussel en Parijs. Hij richtte ook brieven aan het Nederlandse consulaat in Algiers om zijn komst te melden. Bovendien sluit Gerard Muller een reis-ongevallenverzekering en een levensverzekering af, zo blijkt uit verschillende documenten (16).

De droom
August heeft een fiks aantal verslagen over zijn verschillende reizen geschreven. Deze zijn verschenen als artikelen of ingezonden brieven aan diverse kranten en tijdschriften. Van zijn eerste langdurige reis van maart 1891 tot en met februari 1892 (17)  heb ik geen verslag gevonden.

Zijn eerste verslag over een reis naar Algerije is een achtdelige artikelreeks gepubliceerd in De Telegraaf in het voorjaar van 1894 onder de titel: “Herinnering aan een reis in de Algerijnsche Sahara. Door A.L.G.” Hij maakte deze reis in de periode februari tot en met 17 juni 1893 (18). 

Le Gras opent de serie met: 

“Wie heeft niet weleens gedroomd een van die zeldzame droomen van ideaal genot, zoo verrukkelijk, dat men vol van de herinnering ontwakend, met verdriet terugkeerde in de werkelijkheid? Zulk een droom is mijn reis in Noord-Afrika ; als een droom is mijn verblijf in dat vreemde land, als in een waren droom, als in een waren droom is alles daar zoo wonderlijk, zoo heel anders dan in het voor ons gewone leven. En nu ik weer ben teruggekeerd in de Hollandsche werkelijkheid , nu lijkt dat alles al zoo ver weg, zoo lang geleden, dat het is of ik niet in werkelijkheid heb gewoond en rondgeloopen in die wonderlijke sprookjes-achtige Sahara-steden en heb medegeleefd het bijbelsch, patriarchaal leven der Arabieren; en nu schijnt het mij een van die schoone bijna heilige droomen.” (19)

De ruim honderd jaar oude reisverslagen van Le Gras zijn een feest om te lezen. Helaas zijn ze te uitgebreid om onverkort op te nemen in deze artikelenreeks over het opmerkelijke leven van August Le Gras. Daarom voeg ik af en toe een fragment in. 

Landkaart van het Frans Protectoraat in Noord-Afrika . Op de onderzijde van de zuidelijke gestippelde demarcatielijn Frans 1876-1962 van Algerije, recht onder Algiers geeft het gebied aan waar August Le Gras graag bivakkeerde.

In de krant, Het Nieuws van de Dag, tref ik een alinea aan waarin zijn reis wordt beschreven en we kunnen volgen via welke route August eenmaal aangekomen in Algiers de Sahara bereikt: “Hij doorkruiste het Fransche gebied in verschillende richtingen, trok van Algiers achtereenvolgens naar Boghari, Bougzoul, Ain-Seba, Chellala en Gardaïa, en bereikte toen het gebied, dat alleen onder Fransch protectoraat staat. Te voet of op kameelen, soms in een kleine karavaan, maar meest slechts door enkele nomaden vergezeld, trok hij zuidwaarts de Sahara in en bereikte, na 9 dagreizen, eerst Melika, daarna Ben-Izguen, twee oasen in de groote woestenij, met een armoedige en half verwilderde bevolking. Overal maakte hij studies en schetsen, dikwijls onder zeer bezwarende omstandigheden, wanneer hij b.v. door den verschroeienden Simoem (Sirocco) werd overvallen op zijn tocht. Van de laatstgenoemde oase zette hij zijn reizen nog zuidelijker voort, naar nog minder bekende streken, maar een kwetsuur aan de rechterhand stoorde zijn arbeid, zoodat hij voor hij het wenschte den langen terugtocht moest aanvaarden.” (20)  Wanneer ik deze route volg op een actuele landkaart van Algerije, dan is te zien dat zijn traject grotendeels overeenkomt met wat nu de N1, ofwel de Trans Sahara Highway heet. 

Het is deze – zijn tweede reis – die leidt tot zijn expositie in de Kunstzaal van het Panoramagebouw en uiteindelijk de opdracht die hij in 1896 krijgt van De Panorama Maatschappij. Dan gaat hij voor de derde maal naar Algerije.

Panoramagebouw Amsterdam.

Expositie in het Panoramagebouw
In het voorjaar van 1894 exposeert Le Gras de ‘vruchten van zijn arbeid’ in de kunstzaal van het Panoramagebouw en toont daar veertig werken. Het zijn vijfentwintig schilderijen en daarnaast studies en schetsen. De pers reageert enthousiast. Het Algemeen Handelsblad stelt dat: “… het geheel een uitstekenden indruk op ons maakte” en “In het midden der zaal hangt een kapitaal stuk, “Avondgebed op de groote markt te Ghardaia, in het land der Mozabieten,” dat al dadelijk de aandacht trekt. Het is een fraai tafereel; op den voorgrond, reeds gehuld in een wazige schemering, liggen de kameelen uitgestrekt, links staan eenige biddende Arabieren op een kleine verhooging, terwijl op den achtergrond de gebouwen nog verlicht worden door de weerkaatsing van de ondergegane zon.” (21)

David van der Kellen jr. blaast de loftrompet voor de directie van het Panoramagebouw, dat: “van tijd tot tijd hare kunstzaal ter beschikking stelt voor jonge kunstenaars, die den kunstliefhebbers en het publiek de gelegenheid willen geven, kennis te kunnen maken met hun werk, niet door een paar schilderijen alleen, maar ook door studiën en schetsen, waardoor men alzoo een meer volledig beeld bekomt van ‘t geen de schilder wil.” Hij vervolgt met een uitgebreide bespreking van wat er is te zien en spreekt eveneens zijn bewondering uit voor het grote schilderij Avondgebed en geeft er blijk van Le Gras gesproken te hebben: “Als het best geslaagd meenen wij de groote schilderij No. 1 Avondgebed, op de groote markt te Ghardaia te, moeten noemen. Tot verduidelijking voegt de schilder hierbij: „In het land der Mozabieten mogen de Arabieren geen Moskee bezitten; vandaar, dat zij hunne gebeden doen op een vierkante verhooging, die uitsluitend voor dit doel op de markt, is geplaatst.”

Oriëntaalse markt in Ghardaia; August Le Gras; olieverf op doek; 85 x 112 cm.

Van  der Kellen komt met vrijwel uitsluitend lovende beoordelingen, al ziet hij ook minder geslaagd werk: “In zijn Type van een Arabier en in zijn Kif- of hennepróókér, No. 20 en 21, is hij zeer ongelukkig geweest. Hij verontschuldigt zich met de omstandigheden, waaronder hij ze geschilderd heeft, ‘t was niet bedaard op zijn atelier zittend, maar in zenuwachtigen toestand zich haastende zooveel mogelijk te profiteeren van zijn model, dat met groote moeite, overgehaald was eenige oogenblikken te poseeren. Dit maakt zeker een groot verschil, maar dan toch had hij verstandiger gedaan, die twee nummers niet ten toon te stellen. Oneindig beter zijn zijne geteekende studies, ja, sommige, als b.v. No. 29, kunnen voortreffelijk genoemd worden.” (22)

Ezel rijdende Arabier; August Le Gras; schets.

De recensie in het Algemeen Handelsblad kijkt met andere ogen naar de nrs . 20 en 21: Het type van den Arabier – No. 21 – inderhaast slechts even aangelegd, bewijst dat het ondanks een goede belooning onzen kunstenaar slechts gelukte hem eenige oogenblikken rustig te houden. “Gelukkiger slaagde hij met den kifróóker. De kifa (hennep) vervangt bij de bewoners der Sahara alle andere bedwelmende middelen. De man heeft den geur van zijn strootje ingeademd en -zit daar nu, wezenloos starend, te genieten, onbewust dat een vreemdeling daar partij van trekt. Dit schilderij, geel tegen paars, zoo bijzonder fijn van toon, heeft dus ook waarde om de zuivere gelijkenis.” Toch is ook hier de toon positief en eindigt de verslaggever zijn commentaar met: “Het aantrekkelijke dezer tentoonstelling- ligt immers juist daarin, dat zij, behalve de kunst van een jong, talentvol schilder, trouwe beelden geeft uit een land, welks naam reeds zoo ingrijpend werkt op de verbeelding, Den kloeken kunstenaar onze hulde en dank!” (23)

Het succes van de tentoonstelling en wie weet de lovende opmerking van Van der Kellen jr. aan het adres van de directie van de Panorama Maatschappij krijgt later een groots vervolg. August Le Gras krijgt een opwindende opdracht van de Panorama Maatschappij. Hij wordt gevraagd een diorama van Algiers te schilderen. “Het plan is dit diorama eerst te Amsterdam, vervolgens in eenige groote steden van ons land en later in het buitenland ter bezichtiging te stellen.” (24)  August is al weer onderweg naar Algerije.

“Een huwelijk in de Sahara”
Het Panoramagebouw opende haar deuren in 1880 en het gebouw bestaat uit een entreefaçade met daarachter een rechthoekige zaal, de Kunstzaal. Daar tegenaan staat een grote cylindervormige zaal met een diameter van veertig meter en maar liefst 15 meter hoog. De Panorama zaal. Het gebouw bestaat niet meer. Het werd in 1935 gesloopt. 

Op vier augustus 1896 presenteert de Panorama Maatschappij het nieuwe diorama van Le Gras aan haar publiek. De tegenstelling met het diorama in de Panoramazaal kan niet groter zijn. Een week daarvoor op 29 juli opende diorama ‘Nova Zembla’ van Louis Apol (1850-1936), dat de besneeuwde en bevroren wereld van dit eiland in de Noordelijke ijszee toont. Het diorama van August Le Gras in de Kunstzaal de hitte van de Algerijnse Sahara. IJzige koude en brandende hitte naast elkaar. 

Tessel Dekker geeft ons een idee hoe zo’n panorama is ingericht: “Om de voorstellingen zo levensecht mogelijk te maken zetten de ondernemers allerlei kunstgrepen in. Zo begon een bezoek aan een panorama met een tocht door donkere gangen en langs wenteltrappen; het beoogde effect was de bezoekers los te maken van de realiteit buiten het gebouw. Bij het uitkijkpunt, een soort platform, aangekomen bracht het contrast van donker naar licht een verrassingseffect te weeg. Om een echt uitzicht te stimuleren liep het doek rondom het uitzichtpunt en waren zowel de onder- als de bovenkant niet te zien. Op de voorgrond was echt zand of aarde aangebracht (het faux terrain) met daarin driedimensionale voorwerpen (attrapes), wat de illusie versterkte. Deze driedimensionale voorgrond moest zo overtuigend mogelijk verhullen waar de werkelijkheid ophield en het geschilderde vergezicht begon.” (25)

Een reiziger in de woestijn van Chellala; 1892; August Le Gras; olieverf op doek; 38,5 x 61 cm.

Het aanbod blijkt een enorme publiekstrekker en na een maand bericht De Amsterdammer dat al twintigduizend bezoekers zijn gehaald (26) . Het entreegeld bedraagt fl. 0,50. De grote publieke belangstelling zal zeker ook bijdragen aan de naamsbekendheid van August Le Gras. Voor zijn portemonnee zal het toch ook wel iets hebben opgeleverd. Het diorama “een huwelijk in de Sahara” bleef tot in ieder geval januari 1899 te zien. Je zou het een semi-permanente expositie kunnen noemen die gedurende twee-en-een-half jaar het publiek inzicht gaf in het leven in de Algerijnse Sahara. 

De reacties op het diorama
Al geruime tijd zoek ik naar een foto van het doek ‘Een huwelijk in de Sahara’. Hoewel ik er van overtuigd ben, dat er een foto van moet bestaan, heb ik die helaas nog niet gevonden. Om een beeld te krijgen van het diorama citeer ik uit enkele artikelen.

“De toeschouwer bevindt zich, na een donkere gang te hebben doorgeloopen, in de tent van een Arabisch opperhoofd en ziet van daar de woestijn, waar de bruidsstoet nadert. Het kamp der Arabieren, de naderende stoet, die door de stamgenooten wordt verwelkomd, vormt een levendig tafereel, dat een bezichtiging zeer zeker waard is.”  (27)De  verslaggever van De Tijd schrijft: “Dit  doek (…) is vol oostersche warme kleurengloed en vormt een waardig pendant, schoon veel kleiner in omvang dan Apols’ Nova Zembla. (…) Het doek getuigt van werkelijke inspiratie en mag voor den schilder een waar succes heeten.” (28)

Advertentie ‘Een huwelijk in de Sahara’.

Wat gebeurde er met August’s diorama?
Geen afbeelding gevonden, maar een beschrijving die overeenstemt met hetgeen Tessel Dekker aangaf over de inrichting van een diorama. Wel heb ik ontdekt waar het grote doek terechtkwam. Het diorama reisde kennelijk niet direct door naar andere steden in Nederland of het buitenland. 

In een aankondiging voor een kunstveiling in de maand mei van 1903 duikt het ‘kapitale’ Dioramadoek: ‘een huwelijk in de Sahara’ door Aug. Le Gras”  (29) op bij veilinghuis C.F. De Roos & Co in Amsterdam. Het doek wordt verkocht voor …… fl. 1,80”!! Met de stippels drukt Het Amersfoortsch Dagblad zijn verbazing uit over de opbrengst.
Wie het heeft gekocht wordt hier niet duidelijk, wel lees ik in hetzelfde bericht dat het doek 5 bij 8 meter groot is. Een oppervlak van 40 vierkante meter beschilderd door August Le Gras.”

Enkele maanden later blijkt dat het doek terecht is gekomen bij Sociëteit ‘De Vereeniging’ in Nijmegen, die het nog enige tijd tentoonstelt voor het publiek (30).  Wat daarna gebeurde met het kapitale doek, blijft vooralsnog giswerk.

Gebouw ‘De Vereeniging Nijmegen’.

Trans Sahara Highway
De motivatie van Le Gras om naar Algerije te reizen, was om de kamelen te volgen in hun oosterse habitat. Ik wil hem graag nareizen, de plaatsen bezoeken, die hij heeft aangedaan, waar hij woonde tijdens zijn verblijf, waar hij schilderde, waar hij leefde tussen de lokale bevolking. Het lijkt me geweldig om net als de documentaires en films over diverse kunstenaars die ik al op televisie of in de bioscoop zag, een gefilmd portret te maken over het opmerkelijke leven van August Le Gras. Welke omroep of productiemaatschappij heeft interesse mij op pad te sturen? Staat het reisadvies al op groen? 

Volgende keer: ‘Idylle’. August Le Gras trouwt met de vrouw, die een Russische Prins afwees. De huwelijksreis gaat naar Algerije, waar zij van plan zijn voorgoed te blijven.

Voetnoten

  1. www.nederlandwereldwijd.nl/landen/algerije/reizen/reisadvies JANUARI 2020.
  2. Nederlandse Oriëntalisten, Ronald de Leeuw, Jong Holland 1, 1985; blz. 10 tot en met 37. 
  3. Zie hiervoor ook: Fred J. Lammers; Alexander, de vergeten kroonprins; Hollandia B.V. Baarn, 1979; in de Biblion recensie krijgt Lammers kritiek voor het ontbreken van de prinselijke reizen en een degelijke bronvermelding. 
  4. Maçonniek Weekblad; 5e serie; zesde jaargang; no.13; 30 maart 1896.
  5. nl.wikipedia.org/wiki/Alexander_van_Oranje-Nassau_(1851-1884).
  6. H. Beijerman; Drie maanden in Algerië; eerste en tweede deel; Uitgeverij D.A. Thieme, ’s Gravenhage 1878.
  7. Ph. Zilcken; Drie maanden in Algerië; N.V. Electr. Drukkerij “Luctor et Emergo”, Den Haag 1909. 
  8. Zie afbeelding blz. 40 bovenaan; Kwartaalbericht 150 (2019-4). 
  9. Deze reis wordt niet vermeld bij zijn persoonsgegevens bij het RKD, evenmin als zijn verblijf in Tunis 1912-1914. 
  10. Universiteit van Amsterdam, Bibliotheek, Afd. Bijzondere collecties Allard Pierson; Archief Gerard Gustaaf Muller; XVIII A 1 t/m 59. 
  11. RKD; rkd.nl/nl/explore/artists/record?query=Hart+Nibbrig&start=0.
  12. Algemeen Handelsblad 11-2-1894; Een Hollandsche schilder in het land der Mozabieten. 
  13. Boon’s Geillustreerd Magazijn; Land van Mauve; Laren en zijn schilders: Aug. Legras door J. Everts jr; 1906.
  14. Stadsarchief Amsterdam, Bevolkingsregister, Overgenomen Delen 1892-1920: NL-SAA-29129896.
  15. Na het overlijden van Koning Willem III in 1890 werd Koningin Emma regentes tot 1898 toen hun dochter Wilhelmina plaats nam op de troon. 
  16. Universiteit van Amsterdam, Bibliotheek, Afd. Bijzondere collecties Allard Pierson; Archief Gerard Gustaaf Muller; XVIII A5.
  17. Zie noot 12.
  18. Deze datering is gebaseerd op data die Le Gras in zijn artikelserie in De Telegraaf heeft vermeld. 
  19. De Telegraaf; “Herinnering aan een reis in de Algerijnsche Sahara. Door A.L.G. 20-2-1894.
  20. Het Nieuws van den Dag; kleine courant; 5-2-1894.
  21. Algemeen Handelsblad; 4-2-1894.
  22. Het nieuws van den Dag: kleine courant; David v.d. Kellen jr.;12-02-1894.
  23. Algemeen Handelsblad 15-2-1894. 
  24. Het nieuws van den Dag: kleine courant; 06-04-1896.
  25. Amstelodamum; Jaargang 105-1 januari-maart 2018; Tessel Dekker; Tijdreizen in de Plantage: Het beleg van Haarlem in het Amsterdamse Panorama (1880-1910). 
  26. De Amsterdammer; 11 september 1896. 
  27. Het nieuws van den Dag: kleine courant; 04-08-1896.
  28. De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad; 05-08-1896.
  29. Het nieuws van den Dag: kleine courant; 18-05-1903.
  30. Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant; 2-9-1903. 
  31. Andrew Hussey; De Franse Intifada, de lange oorlog tussen Frankrijk en zijn Arabieren; Arbeiderspers 2017.