Mijn oude buurt: Erfgooierswoningen en omgeving
Op vraag van de redactie schrijf ik een stuk over mijn ‘oude buurt’. Een leuke opdracht! En laat mijn oude buurt nu net het onderwerp zijn waaraan Cees Meijer in Kwartaalbericht 168 aandacht heeft besteed: de Erfgooierswoningen. De kapstok was er daarmee al. Maar hoe die te vullen?
Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 169 [2024-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 9,50 per stuk in de Lindenhoeve en bij Bruna en de Larense boekhandel te koop, zolang de voorraad strekt.
Tekst: Peter Vos
Halverwege de jaren vijftig daar geboren en er weggegaan eind jaren zeventig perkte in ieder geval de periode in. Al snel besloot ik tot een sfeertekening met daarin de rode draden ‘wederkerigheid’, de best grote hoeveelheid voorzieningen in de wijk en wat er allemaal aan dienstverlening aan de deur kwam, aangevuld met herinneringen en belevenissen.
Korte schets wijk jaren 50 en 60
Met de wijk bedoel ik alles wat tussen de lijn Zevenend, Smeekweg, Gooiergracht, Weversweg, Schapendrift en Kloosterweg ligt. Met de buurt bedoel ik de Erfgooierswoningen en hun directe omgeving.
In mijn jonge jeugd werd er in de wijk veel gebouwd: de Goede Herderkerk, de Tarcisiusschool, huizenbouw aan de Postiljon, de Kostverloren, de Teunenmijns, Zonnedauw, Engelsjan en een deel van de Smeekweg. Dit aan de ene kant van de Kloosterweg en aan de andere kant daarvan de Inslag en Schering.
Er was een kleuterschool, Mariekens Kindertuin, met gemengde groepen en er waren twee basisscholen, de Mariaschool voor meisjes en de Tarcisisusschool voor jongens. Halverwege de jaren zestig zouden ook die gemengd worden. Mijn klas was de laatste nog sec voor jongens, de klassen na mij waren gemengd. In 1968 was dit project voltooid.
Er waren twee speeltuinen: de Merel (katholiek) aan de Postiljon en Ons Genoegen (openbaar) aan het eind van de Smeekweg. Rond deze twee straten waren er verder nog een voetbalvereniging (LFC Laren), een handbal- en een tafeltennisvereniging.
Zowel geconcentreerd op de Kloosterweg/Schapendrift als de Melkweg als over de wijk verspreid waren er allerhande soorten winkels. In de jaren zestig zou de RABO-bank een filiaal openen op de Kloosterweg. Voorwaar veel voorzieningen voor zo’n kleine wijk en dan heb ik degenen die in allerlei gedaanten standaard langs de deur kwamen nog niet genoemd. Tenslotte waren de vele huurwoningen en, sociaal-economisch gezien, de vele arbeidersgezinnen een kenmerk van de buurt en de wijk.

Mijn geboortehuis
Mijn ouders zijn in 1948 voor de wet getrouwd om zo in aanmerking te komen voor een huurhuis. Toen ze in 1949 voor de kerk trouwden, konden ze, als rechtgeaard katholieken, gaan samenwonen. Ze hadden kamers gevonden boven de winkel van Raateland op de Klaaskampen.
In 1950 kregen ze een Erfgooierswoning toegewezen: Kloosterweg 45. Indachtig het artikel van Cees: waarschijnlijk omdat mijn vader het beroep van wever uitvoerde bij ‘de Knipscheer’. De familie De Boer, onder wie de ons allen bekende Wiet de Boer, hadden deze woning verruild voor een andere. Mijn oudste broer was al geboren en in de vijf opvolgende jaren werden er nog drie kinderen geboren, waaronder ik in 1955, als laatste.
Het eerste dat mijn vader deed was een douchecel annex wasruimte aanbouwen. Hij deed dit samen met een buurman van de IJsbaanweg die metselaar was. De woningen waren in originele staat niet echt groot. Woonkamer en keuken waren even groot (vier bij vier meter). De keuken was feitelijk kleiner door de aanwezigheid van een aanrecht en keukenkastjes. Met zijn zessen aan de eettafel betekende dat er eigenlijk geen ruimte overbleef. Aan tafel blijven zitten hoefde daardoor niet aangeleerd te worden. Mijn ouders sliepen in het extra kamertje beneden, de oudste sliep boven in een apart slaapkamertje en de andere drie op de ‘grote’ slaapkamer.
Aantrekkelijk was de grote moestuin rondom het hele huis. Mijn vader zou deze de rest van zijn leven met liefde en gedrevenheid bebouwen. Het telen van groenten had hij met de paplepel ingegoten gekregen, want, en je zou het niet bedenken, midden in het centrum van Laren was het huis waar hij woonde (Klaaskampen 11) behept met een wel heel grote moestuin. In ieder geval: wij zijn, en dat was het voordeel, opgegroeid met biologisch geteelde groenten. Nadeel was, zeker vergeleken met nu, dat we seizoensgebonden groenten aten: veel sla en spinazie van april tot en met juli, veel sperzie-, snij- en tuinbonen in augustus-september, bruine bonen, spruitjes en boerenkool in de wintermaanden om maar wat te noemen.
Bijna iedereen maakte gebruik van de tuin waarvoor hij oorspronkelijk bedoeld was: het op het gebied van voedsel zoveel mogelijk zelfvoorzienend zijn. De familie Hamersveld, die bij het plantsoentje aan het eind van de Kloosterweg woonde, hield er in de jaren vijftig en zestig naast de moestuin nog een koe op na. Mijn moeder vertelde dat wij de eerste maanden van ons leven zijn grootgebracht met verse koemelk van Hamersveld.
Wederkerigheid
Tussen de buren stond wederkerigheid hoog in het vaandel: als ik iets voor jou doe, doe jij iets voor mij en andersom. Dat kon op het gebied van tuinieren zijn, maar meer nog op het gebied van het aanpassen van de woningen. Wijzelf deden mee, maar ook om ons heen deed vrijwel iedereen dat. De woningbouwvereniging maakte daar om wat voor reden dan ook geen haast mee. Hierdoor werden er al snel ‘deals’ gemaakt. De aanpassing of uitbreiding werd door de bewoner zelf bekostigd en gedaan. In ruil daarvoor werd de huur niet verhoogd. Zo werd bij ons in de loop der tijd de keuken twee keer uitgebouwd en werd er op de plaats van een vervallen houten schuurtje een garage neergezet. Mijn vader en twee handige broers deden het metsel- en het timmerwerk, de buurman (loodgieter/elektricien) legde de waterleidingen en elektrische leidingen aan, alsook de dakbedekking. Toen diezelfde buurman aan het moderniseren sloeg, werd hij door mijn vader en broers geholpen. Andere buren deden dit ook op deze manier.
Maandag was overduidelijk wasdag. Overal in de tuinen hing de was buiten te drogen. Bij gebrek aan een wasmachine werden de beddenlakens in een grote ketel gewassen. Die ketel stond op een aparte gaspit om het water heet te krijgen. Beginjaren zestig kwam er dan een schoepenwasmachine met wringer en kleine centrifuge. Het werd wat makkelijker. Als mijn moeder en de buurvrouw de was hadden hangen gingen ze bij elkaar op de welverdiende koffie.


Winkels
Voor huishoudelijke producten (was- en schoonmaakmiddelen, melk, kaas, koffie, thee, limonade en dergelijke) moest een beroep op winkels gedaan worden of winkeliers kwamen aan huis. Melkboer Bertus Calis die aan de Kloosterweg een winkel had, had ook een ‘wijk’.
Wij zetten de lege flessen bij de deur met daarbij een briefje en wat kleingeld, waarop hij elke dag volle flessen neerzette. Kaas kochten we dan weer bij hem in de winkel. Overigens had ook Frans Valkengoed uit Eemnes een melkwijk bij ons in de buurt en daarnaast had je nog melkboer Van den Brink met een winkel op de Melkweg en een daarbij behorende wijk. Aan melk was er dus zeker geen gebrek.
Naast de winkel van Bertus was er een kleine kruidenier, de Kijkgrijp, waar we vooral kwamen als er iets vergeten was elders te halen of iets plotseling op was. Aan huis kwam namelijk wekelijks twee keer de heer Bitter van de Coöperatie op de Nieuweweg. De eerste keer om onder het genot van een kop koffie en het uitwisselen van Larense nieuwtjes de boodschappen op te nemen in zijn kleine opschrijfboekje, de tweede keer om de bestelling af te leveren. Toen de Coöperatie ophield te bestaan kwam de heer Verver (die eigenlijk Trompetter heette) van Ververs kleine supermarktje op de hoek Melkweg/Zevenend hetzelfde kunstje doen. De heer Bitter kwam immer in een witte stofjas, de heer Verver had altijd een grijze aan.
Aan buurtwinkels was er overigens geen gebrek. Vanaf de hoek Warrekam/Schapendrift waren er groenteboer Bijl, een manufacturenzaak, sigarenboer Pronk, een kapsalon en slagerij Ditmar. Wij kwamen bij de groenteboer voor groenten die niet zelf gekweekt werden, zoals zuurkool en bloemkool. Mijn vader kweekte deze laatste niet, omdat hij goed aanvoelde dat hij in de oogsttijd voor twee tot drie keer per week ‘bloemkool met een sausje’ de handen thuis niet echt op elkaar kreeg.
Bij Pronk, een man die je kon uittekenen op een lage stoel achter z’n toonbank waardoor hij er maar net bovenuit stak, haalden we IBIS halfzwaar (dat rookte mijn vader), pakjes Caballero voor op verjaardagen (want ja, een echte gastheer/gastvrouw zorgde destijds voor een ‘rokertje’ voor de gasten) en een doos sigaren (Willem II, Elizabeth Bas) voor opa Vos. Ik kwam er regelmatig. De doosjes Dame Blanche (vierkante felgele doosjes met een amazone erop) vond ik prachtig, maar ja die werden niet gerookt en dus ook niet gekocht.
Bij de slager werden vleeswaren gehaald. Om de een of andere reden haalden we dan weer varkens- en rundvlees bij slagerij Van der Zwaan die op de Melkweg zijn nering had.
Brood werd dagelijks bezorgd door bakker Gijs, die een werkelijk heel klein FIAT-bestelbusje tot de nok en de bijrijdersstoel aan toe had volgepropt met brood. Zaterdags kwam hij even binnen om de afgelopen week af te rekenen. Koekjes werden dan weer gehaald (elke week minstens een half pond allerhande) bij banketbakker Bouwmans op de Smeekweg.
Drogisterij-producten kochten we bij de dames Brouwer in dat prachtige pandje op het Zevenend. “Ga even naar Brouwertje,” was thuis een veelgebruikte uitdrukking. Dat ‘tje’ had te maken met het feit dat de dames én de winkel niet al te groot waren. Iets wat ik me realiseerde naarmate ikzelf steeds groter werd. Ik kreeg er een gevoel wat later bij de Blokker ook weer opspeelde: vooral niet bewegen, dan breek je ook niets.
Voor de volledigheid mag ik bakkertje Huisman en Groenteboer Smit op de hoek van ’t Klooster en de Kloosterweg niet vergeten. Een beetje gek was dat bakkertje Huisman veeleer bekend stond om snoep en ijs dan om brood.


Op in de vaart der volkeren
Aanvankelijk was Meep Heerschop onze buurman. In de jaren vijftig werden de huizen in onze wijk nog veelal warm gestookt met hout- of oliekachels. Ook waren er nog mensen die kookten op oliestelletjes. Meep was van de olie. Dagelijks vulde hij rechthoekige oliekannetjes, laadde ze op zijn bakfiets en trok zijn wijk in. In 1962-63 verhuisde hij met zijn vrouw naar de Drift. Zijn schoonzoon, Piet Klaver, trok in de woning en nam de zaak aan de IJsbaanweg van hem over. Hij moderniseerde. Van bakfiets naar brombakfiets was een kleine ingreep. Veel groter was het laten plaatsen van twee enorme olietanks van een paar duizend liter elk in de tuin. De buurt liep ervoor uit toen deze geplaatst werden. Het betekende ook dat er in zijn schuur een heuse Caltex-pomp kwam te staan en dat er eens in de zoveel tijd een enorme tankwagen de straat in reed om de tanks te vullen. Niet veel later schafte Piet een pick-up-truck aan met een grote tank in de laadbak en katrol met olieleiding. Echter, toen de oliekachels en -stelletjes op hun retour raakten door de gasaansluitingen slonken ook de inkomsten van Piet. Hij besloot de zaak uit te breiden door Butagasflessen aan zijn assortiment toe te voegen. Deze werden in en naast de schuur opgeslagen. Destijds heel gewoon, geen burenprotest te horen geweest. In deze tijd zou dit ondenkbaar zijn en laten we eerlijk zijn: niet gek natuurlijk. Veel te gevaarlijk.


Modernisering
Zoals genoegzaam bekend vond er in de jaren 60 een algehele modernisering plaats als gevolg van een bloeiende economie en stijgende lonen. De intrede van de koelkast deed het gebruik van de daarvoor aan elke Erfgooierswoning gelieerde kelder afnemen. De introductie van het gas maakte dat iedereen naast het verwarmen van het huis wel op gas kookte en ook over een oven beschikte. Dit maakte dan weer dat er een gasman (Gerard Smit) aan de deur kwam om gasmunten te verkopen.
De zwart-wit TV deed zijn intrede. In onze buurt was Opa de Leeuw, een alleenstaande zeventiger, wonend op de hoek Kloosterweg/Erfgooiersweg, de eerste in de buurt die over zo’n toestel beschikte. Op de woensdagmiddag stelde hij zijn huis en TV open voor de kinderen in de buurt. Zij mochten allen komen kijken. Hier zag ik met zo’n tien anderen Flip de Tovenaarsleerling en Okkie Trooi, iconen in die tijd. Enige tijd later verhuisden we naar de TV van moeder Schuilenburg, onze buurvrouw ter linkerzijde en weer enige tijd later naar buurvrouw Klaver, de buurvrouw aan de rechterzijde. In 1965 zouden we zelf een TV krijgen, geleverd door Joel de Boer.
Telefoon
Piet Klaver had in verband met zijn zaak als een van de eerste telefoon. Hij had daar ook een ‘tikker’ bij. Tegen betaling van de tikken kon er bij hem door buren getelefoneerd worden. Een andere manier was de telefooncel die bij de groenteboer stond. Zelf kregen wij telefoon in de beginjaren zeventig. Aanleiding vormde een operatie die mijn moeder moest ondergaan. Er moest door de familie zelf naar het ziekenhuis gebeld worden over de afloop van de operatie. Mijn vader ging tot drie keer naar die telefooncel toe om te horen hoe het was gegaan en of hij al op bezoek mocht. De operatie was ingewikkeld en nogal uitgelopen. De afloop was gelukkig goed. Mijn vader was inmiddels wel klaar geraakt met dat naar de telefooncel lopen. Soms is er een zetje nodig…
Naast de bakker, de melkboer, de kruidenier en de gasman kwam er nog een stoet aan neringdoenden aan huis. Een keer per jaar was daar de scharensliep met zijn prachtige ‘slijptractor’. Scharen en messen dienden bij hem ingeleverd te worden waarna hij het grote apparaat in werking stelde en zijn ding deed.
Bijzonder was de man met twee koffers, die in de zomerperiode alle adressen afliep, binnengelaten werd, een kop koffie kreeg en ondertussen die koffers opende. Ik noemde hem stiekem de marskramer. Voor mij als pak ‘m beet 10-jarige een ware belevenis. De koffers beschikten over allerlei lades en laatjes waarin de gekste producten zaten, maar vooral klosjes garen, naalden, schaartjes, stukjes stof, enz. Hoewel mijn moeder amper iets met naald en draad deed, kocht ze altijd iets bij hem. Waarschijnlijk voor de moeite die de man deed.
Op zaterdag kwam de immer opgeruimde, vrolijke Henk Luiff langs met zijn auto vol met vruchten: appels, peren, bananen en wat dies meer zij. De laadbak met al die kleuren was een lust voor het oog.

Dodenfonds
Fascinerend was de man van het dodenfonds, Lammert Calis. Stemmig gekleed in zijn zwarte corduroy pak met dito hoed, grote zwarte fiets met metalen handremmen en een bruin zadel inde hij één keer in de zoveel tijd de premie voor de begrafenisverzekering van St. Barbara. Het ging daarbij om centen, geen guldens, niets eens kwartjes of dubbeltjes.
Er zijn nog twee neringdoenden die ik niet mag vergeten te noemen.
Schuin aan de overkant van ons woonde de fam. Bakker. Kobus Bakker was bloemist. Hij verkocht vrijdags bloemen op de markt en op de zaterdag stond hij met een stalletje op de hoek bij t’ Bonte Paard in het dorp. Bijzonder was dat Opa en Oma Bakker bij hem in de tot woninkje omgebouwde schuur woonden, wat een heel creatieve oplossing was om bejaarden een mooie oude dag te bieden.
Dan was er nog Jan van Ekeren, die in de witte huisjes op de Kloosterweg woonde. In de jaren zeventig bouwde hij een bestelbus om tot patatkraam waarmee hij op de vroege zaterdagavond door de buurt trok en op vaste punten stopte om patat, kroketten en frikandellen te verkopen. Daarna ging hij naar huis maar was nog wel ‘open’ tot in de kleine uurtjes. Als je niet al te laat uit de kroeg kwam, kon je op weg naar huis nog een patatje snaaien bij hem. Even op een bel drukken en de frituur werd tot leven gewekt.
Wie ook nog aan de deur kwam, was een lid van de familie Meulenkamp, die zelf ook in een Erfgooierswoning woonden tegenover de Tarcisiusschool. Zij haalden elke maandagavond de huur op.
Een geheel andere categorie die wekelijks langskwam, was die van de tijdschriftenverkopers. Elke week rekende mijn moeder de ‘Donald Duck’ en, toen wij ouder waren, de ‘Pep’ af. De ‘Margriet’ kwam daar dan nog eens bij. Dagblad ‘De Gooi- en Eemlander’ en, toen wij eenmaal een TV hadden, de KRO-gids werden eveneens een keer per week afgerekend.
Drie van onze broers brachten met nog een paar Larense jongens de KRO-gids rond, elk in zijn eigen wijk. Naast de weekafrekening bestond er (gelukkig) ook de maandafrekening. Dat laatste scheelde ons lopers een hoop tijd. Het betekende dat ook wij een heus opschrijfboekje hadden, want het moest wel goed bijgehouden worden. Wij liepen daarnaast ook ‘De Laarder Courant De Bel’ en later de ‘Gooi en Eembode’. Deze bijverdienste maakte het mij bijvoorbeeld mogelijk me in 1968 (toen Ajax de eerste Europa Cup-finale speelde) te abonneren op Voetbal International die toen nog als een krant verscheen.


Het verkeer
Tot aan de jaren zeventig was het autoverkeer in onze buurt te verwaarlozen. Niet iedereen kon zich zo maar een auto veroorloven, maar ook de verbinding Kloosterweg/Postiljon naar de Vredelaan was nog niet gelegd. Het verkeer was vooral bestemmingsverkeer en reed sowieso niet hard. Het maakte dat we al vanaf vijfjarige leeftijd zelfstandig naar school en terug konden lopen. Nou ja, zelfstandig. De route naar school was er een die door velen betreden werd. Feitelijk liep je nooit alleen. Vanuit ons zijraam kon ik vriendjes vanaf de Kloosterweg de Goossen de Witstraat in zien lopen. Ik holde erheen en samen liep je dan via de Ericaweg naar de Smeekweg waar de school zich bevond. Velen deden dat op die manier en je sloot dan ook bij elkaar aan. Net als vele anderen liep ik mijn gehele lagere schooltijd naar school.
Het was ook veilig genoeg om op straat te voetballen. Een stilzwijgende afspraak maakte dat degenen die de bal niet hadden opletten of er verkeer aankwam. Dat werkte goed en er is dan ook nimmer iets vervelends gebeurd. Het straatvoetbal leverde, aangezien onze techniek nog in de kinderschoenen stond, wel wat gedoe op met de buren. Regelmatig belandde de bal in hun tuin, waar wij met weinig gevoel voor subtiliteit dan naar binnen banjerden om ‘m op te halen. De eerder genoemde Meep Heerschop vreesde voor zijn groenteoogst en dreigde telkens de bal aan stukken te snijden als hij hem te pakken kreeg. Nooit gedaan natuurlijk. Wel haalde hij bij voorkeur de bal zelf uit zijn tuin en gooide hem dan naar ons.
Hoog gras
Aan de overkant leverde de tuin heel andere problemen op. Opa Schaapherder, een gepensioneerd metselaar, hield niet zo van tuinieren. Zijn tuin bestond uit een prachtige notenboom met daaromheen gras. Gras dat niet gemaaid werd, dus makkelijk een halve meter of meer hoog was. Hoe vond je in godsnaam de bal hierin terug? En hoe kwam je om opa Schaapherder heen? Een kleine gezette man met in mijn beleving immer een oranje-wit geruit houthakkersoverhemd aan, witte haren met dito stoppelbaard en een guitige oogopslag, posteerde hij zich als wij aan het voetballen waren, telkens in zijn kleine toegangshek. Als de bal in zijn tuin lag moest je dus langs hem heen. “Je durft er niet langs hé, schijtluis?,” was zijn vaste begroeting voor iedereen die via het hek naar binnen wilde, waarna hij na enige tijd opzij stapte. Hindernis één genomen. Tja, uiteindelijk vonden we de bal dan toch nog wel in dat hoge gras.
We voetbalden bijna altijd met een lekke bal. We schraapten zakgeld bij elkaar om bij ‘Oom Frits’, de speelgoedwinkel in het dorp, een oranje Champion-bal van plastic te kopen. Een dag of twee, drie en met geluk een week hield deze zich hard en goed. Langs de straat stonden namelijk meidoornbomen, waar die bal altijd wel eens ingeschoten werd om zo lek als een mandje naar de grond terug te keren. Het gaatje dichten met een brandend lucifertje was iets wat we bleven proberen, maar waarvan we eigenlijk ook wel wisten dat het een zinloze bezigheid was. Dan dus maar met een lekke bal verder.

Sneeuw
In de jaren zestig sneeuwde het nog regelmatig. Een tijd voor het maken van sneeuwpoppen, het houden van sneeuwballengevechten, het maken van glijbanen op straat en het doen aan ‘autootje pik’. Autootje pik betekende dat je op een met sneeuw bedekte straat aan een bumper van een passerende auto ging hangen en dan een tijdje meegleed. Eén diende er altijd aan de zijkant van de auto te hangen om te zien of het sneeuwdek niet plots ophield, waardoor we voorover zouden klappen als we niet tijdig afhaakten. De auto’s reden zachtjes, dus echt gevaarlijk was het niet, wél leuk.
Sneeuw op straat betekende dat er vroeg of laat gestrooid ging worden. In deze periode was zout strooien er nog niet bij. Een kleine vrachtwagen reed door de straten met een berg zand in de laadbak. Er werd zachtjes gereden, want er stonden twee mannen met schoppen in de achterbak die het zand over de straat strooiden. Later werd er een strooier aan de vrachtwagen gehaakt en schepte een man al rijdend zand in de strooier.
Vuilnisbelt
Hoewel iedereen over een metalen vuilnisbak beschikte die wekelijks werd geleegd, bestond er voor ander dan huis- en keukenvuil een heuse vuilnisbelt. Deze lag aan de Gooiergracht, zo aan het eind van de IJsbaanweg. Nadat je vanaf dat punt door de weilanden richting Eemnes eerst een paar moestuintjes gepasseerd was, kwam je bij heuvels van afval terecht (ongeveer ter hoogte van waar nu de A27 ligt). Iedereen dropte daar zijn tuin- en restafval.
Mijn vader en oudste broer trokken er in de jaren vijftig met de kruiwagen naartoe om er boomstronken weg te halen. Deze werden thuis op een bok in stukken gezaagd en met behulp van wiggen en keggen zodanig klein gemaakt dat ze in de potkachel konden.
Mijn iets oudere broer en ik, maar ook veel andere jongens, ‘scheumden’ (zo noemden we dat) die heuvels af naar nog iets bruikbaars. Wij zochten vooral naar wielen van kinderwagens, waarmee we dan zelf een kar konden maken. Echte geluksvogels waren we toen we daar ook nog een keer een autostuur vonden, waardoor we met hulp van mijn vader een heuse ‘auto’ konden maken.
Deze vuilnisbelt was niet uniek, ook Blaricum had er bijvoorbeeld een. Dergelijke vuilnisbelten trokken veel ongedierte aan. Mijn opa van moederskant en een broer van haar beschikten over luchtbuksen. Zij trokken naar de vuilnisbelt in Blaricum en schoten daar op ratten. Dit kwamen ze af en toe ook in Laren doen. Naast noodzaak vooral ook een sport voor hen.
In de jaren zeventig werden de heuvels ontoegankelijk gemaakt en werd er aan de Gooiergracht een plaats met containers gecreëerd waar men afval in kwijt kon.
Tot slot
Ik hoop dat ik erin geslaagd ben een schets te bieden van hoe met name de periode van de jaren zestig op niveau van een buurt en wijk er een was van een rustige, wat voortkabbelende samenleving. Het was gemoedelijk, met hardwerkende mensen die er bepaalde gewoonten en vaste structuren op na hielden, die elkaar waar nodig en noodzakelijk op allerlei gebied hielpen en die langzaam de vruchten van dat harde werken en de modernisering gingen plukken. Een soort stilte voor de storm van ontwikkelingen van de jaren zeventig.

