Laren door bittere armoe naar de weefgetouwen

Laren door bittere armoe naar de weefgetouwen

Naar aanleiding van de artikelen van Jan Willard (nazaat van de weverij op de C. Bakkerlaan) en van zijn zus Erna (zie nr. 105 ) willen we ter afsluiting het navolgende artikel plaatsen, dat geschreven is door Hans Bakker en geplaatst in de Laerbode van april 1989. De generatie, die nu opgroeit in Laren kan zich nog weinig herinneren van de tijd dat Laren een heuse weefindustrie had. Daarom de andere kant van de medaille, gezien door de ogen van een Erfgooier.

Hans Bakker, april 1989

In 1860 telde het weversdorp Laren achttien fabriekjes, waar koedekken en dweilen werden vervaardigd. Dertig jaar later hield alleen Jacob Willard deze vaardigheid nog in stand. De dekken voor de koeien werden gemaakt van jute (voor de ketting) en vlas (voor de inslag). Daarbij werd gebruik gemaakt van een zogeheten linnenbinding, gelijkend op matje vlechten. Het was een riskant produkt: bij goed weer was er geen vraag naar en bij slecht weer ook niet, want dan gingen de koeien op stal. Willard’s klanten waren vooral handelaren in lanbouwbenodigdheden en touwslagers uit Gouda en Bodegraven, waar de boeren die met kaas naar de markt gingen, graag wat koedekken mee terug namen.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 106 [2008-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Een gebeeldhouwd eikenhouten weef­getouw uit de zestiende eeuw. Foto: “Ach Lieve Tijd”.

Van romantiek geen sprake

Nu de laatste Gooise weverij, van den Brink en Campman in april de poorten sluit in Laren, ben ik eens gaan speuren naar de oorsprong en geschiedenis van de weverijen in deze regio. Er is over de wevers romantisch geschreven. Neem Wally Moes die schreef over ‘Mie’ die in een, van de deel gescheiden hok spon: “ze was er graag. De uren waren nooit té lang.” De werkelijkheid was anders. Gedwongen door bittere armoe, moest “Mie’ of ze wilde of niet, de hele dag in het stoffige spinhok doorbrengen. Ongezond was het en er werd slecht voor betaald.

Voor het eerst was er sprake van weven in Naarden, waar in de 15e  eeuw een belangrijke lakenindustrie was. Rond 1750 begon ook in Laren het weven op gang te komen. Als huisvlijt. De boeren hadden het in die periode heel slecht. De enggronden brachten niet voldoende meer op. In 1752 werden de eerste proeven gedaan om van koehaar, wol en afval-vlasgarens vloerkleden te maken.

Later werd dit door de Maatschappij der Wetenschap in Haarlem gestimuleerd. Er kwam een vaste subsidie. Klaas Kool uit Laren kreeg een keer 25 dukaten omdat hij als eerste 300 smyrnatapijten afleverde!

Kantoor Van den Brink en Campman

12 kinderen
De dorpsschrijvers Ollefen en Bakker melden dat er in 1795 al zo’n 50 tot 60 weefgetouwen stonden. Maar de armoe vierde hoogtij. Heel grote gezinnen, 10 tot 12 kinderen, waren heel normaal, de voeding en huisvesting uitgesproken slecht. Het weven was bittere noodzaak. Er werden in die tijd koedekken, dweilen en lampenpitten geweven in Laren. Hoeveel wevers Laren toen had is niet na te gaan. Men stond meestal als landbouwer ingeschreven en heeft zich later (te beginnen in 1800) laten inschrijven als wever.

Begin 19e eeuw kreeg Laren ook een eigen tapijtfabriek naast de 20 die Hilversum al had. Ene Theunis van den Brink was er de eigenaar van. Z’n vrouw had een klein kruidenierswinkeltje. De tweede fabrikant was Jacob Willard Gerritszn. Hij woonde in de wijk Klein Laren, nu hoek Klaaskampen-Molenweg. De boerderij/café, v.h. weverij is in 1958 afgebroken. Er staan nu vier woningen onder één dak. De fabriek werd later verplaatst naar het Oostereinde. Zoon Steffen en de in 1867 geboren kleinzoon Jan, zetten het bedrijf voort. Het werd bekend als de “fabriek van Jan Willard”.

Tapijtfabriek Van den Brink en Campman

Tot 1830 zat de groei er goed in, in Laren. Ook al door de komst van getwijnd draad, waardoor men meer kleuren in één draad kon aanbrengen. Toen Belgié in 1836 onafhankelijk werd en er niet meer geëxporteerd kon worden naar dat land, begon de teruggang Fabrieken werden opgeheven en de boeren hadden de extra strop dat de wol van de schapen niets meer opbracht.

Stef Willard aan het weefgetouw

Initiatief gemeente
De gemeenten namen maatregelen om de grote werkeloosheid en armoede tegen te gaan. In Laren richtte schout Jan van den Brink, zoon van eerste fabrikant Theunis van den Brink, een gemeenschappelijke spinnerij op. Kinderen moesten hier de zgn. huisnijverheid onder de knie krijgen. Er kwam een goedkoper garen en vanaf 1850 was er weer een opleving. Laren (1900 inwoners) telden toen drie vloerkledenfabrieken en wel 18 bedrijfjes die dweilen en koedekken produceerden.

Scheermachine

De periode tot 1865 was overigens voor de arbeiders in de weverijen het zwaarst. Lage lonen, lange werkdagen (78 uur per week) en nog altijd miserabele woonomstandigheden. De lonen waren in Hilversum f 5,- tot f 7,- per week maar in Laren 20 tot 30% lager, omdat de koppige Laarders niet wilden weten van prestatie-gericht stukloon. Van invloed was ook, dat in Hilversum veel sneller werd gemoderniseerd.

In 1917 ging men ook in Laren over tot door elektriciteit aangedreven getouwen. Een sprong vooruit, maar voor kleine bedrijfjes waren de investeringen vaak te hoog. Ze verdwenen of fuseerden.

Na de eerste wereldoorlog waren er in Laren nog vier tapijtfabrieken. Uit het feit dat Jan Willard in 1935 een moderner fabriek bouwde en weverij Van de Brink 1n 1937 werd uitgebreid met een nieuwe productiehal voor smyrnatapijten, concludeer ik, dat het tussen beide wereldoorlogen goed ging. Er moeten ook nog twee weverijen hebben bestaan aan het Krommepad en de Smitsteeg. Na 1945 telde Laren drie handweverijen maar ze zijn inmiddels weer verdwenen. Verder verhuisde de tapijtfabriek van Jan Willard in 1965 naar Oss en nu verdwijnt dus ook Van den Brink en Campman. Daarmee is een definitief einde gekomen aan de enige belangrijke industrie die Laren langdurig werk verschafte, al was het dan voor de werkers vooral in het verleden geen mooi tijd.

Garens hangen te drogen in de zon op de akker achter de tapijtfabriek aan het Zevenend. Op de voorgrond Kees Zwanikken.

De Vlasschuur
Het vermoeden dat er vlasakkers in Laren waren, blijkt in ieder geval al bevestigd door de aanwezigheid van de Vlasschuur. In deze schuur werd het vlas gerepeld en gesponnen door 20 grote wielen. De Vlasschuur werd later door Hamdorff tot schildersatelier verbouwd en weer later werd het atelier-woonhuis.

Verder is bekend dat tussen de zeven schepels en de Padakker vlas werd verbouwd. Aan de Drift was een vlasakker van Jan Willard, die er tevens een droogveld voor het natte geverfde garen had. Het garen werd gesponnen van grof vlas. Van den Brink had aan het Zevenend een droogveld waar het werk te drogen hing. Er werd ook vlas geïmporteerd uit Twente en Overijssel. Dat namen de Willards en de van den Brinken mee, als ze er op uit trokken om elders in het land koedekken en dweilen te verkopen. Het fijnste vlas werd gebruikt voor linnen, het grove afval voor het weven van koedekken en tapijten

Bij verwerking van het zelf verbouwde vlas, het uitkammen op de fijne hekel, werd in Laren een warrekam gebruikt. Een uitvinding van een Larense spinner, wiens naam niet bekend is.

De Vlasschuur aan de Kerklaan.

Naschrift redactie: Het familiebedrijf Gebrs. Willard, waar de vijfde generatie Willard inmiddels werkzaam is, bestaat nu ruim 125 jaar en is gevestigd in Naarden (www.willard.nl).
Brink & Campman heeft anno 2008 twee vestigingen: in Naarden en Lichtenvoorde (www.brinkcampman.com).