Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

De Brink: 250 jaar tussen vernieuwing en behoud (2)

De Brink: 250 jaar tussen vernieuwing en behoud (2)

In het onderzoek voor dit deel, dat de periode 1828-1882 behandelt, vielen me enkele weduwen op die het werk van hun overleden echtgenoten voortzetten. Het gaat vooral om Grietje van der Schaal (1776-1848), de weduwe van grutter Christiaan Velthuijsen (1774-1820), Dirkje Grootveld (1739-1790), achtereenvolgens weduwe van de kasteleins Pieter van Zijtveld (1788-1826) en Willem van de Vuurst (1804-1841). Voorts nog Johanna Versteeg (1821-1903), de weduwe van wagenmaker en kastelein Wouter Christiaan Hamdorff (1827-1878) van hetzelfde logement. We zijn juist in verband met de laatste gestoten op Jan Versteeg (1783-1864), de vader van Johanna, over wie veel misverstanden bestaan die mij op een dwaalspoor leidden. Dat is helemaal ontrafeld en dat wordt uit de doeken gedaan in een apart artikel elders in dit nummer.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 137 [2016-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Deel 2: Invloedrijke vrouwen aan de Brink (1828-1882)

Jaap Groeneveld

anno 1826 – Weduwen en dorpselite
We baseren ons hier vooral op gegevens van de volkstelling van 1826 voor de bewoners en het kadaster van 1828 voor de eigenaren. In 1828 was “t’ Bonte Paard” – met de apostrof aan de verkeerde kant! – eigendom van de weduwe van wever Klaas van der Dussen. Het zou gebruikelijk zijn geweest dat koetsiers hier overnachtten. Vandaar de naam volgens de overlevering. Al in 1587 zou er een koetsier van het bed zijn gelicht. Volgens bouwkundig onderzoek door Monumentenzorg zijn er 16e- of 17e-eeuwse bouwsporen gevonden. Het huis aan de overzijde (Brink 1, nu restaurant “Mauve”) was eigendom van Jan Janse Majoor, fabrikant. Hier was een wagenmakerij of smederij gevestigd en het was het eerste postkantoor. De voorloper van Brink 10, het latere “Hotel Hamdorff”, was in 1828 eigendom van de weduwe van Pieter van Zijtveld (1788-1826), i.c. Dirkje Grootveld (1739-1790), kasteleinse. In 1826 woonde postiljon Jan Holzem in, die in 1794 was geboren in Arnhem en in 1824 uit Amersfoort was gekomen. Zijn herkomst lijkt verband te houden met de verbinding Amsterdam-Arnhem, maar we weten het niet zeker. Dirkje hertrouwt in 1828 met Willem van de Vuurst (1804-1841). Het logement wordt ook als ‘rechthuis’ gebruikt, wat blijkt uit een correspondentie uit 1836 over een vermeende onbetaalde vergoeding van f 50/jaar over de periode 1823-1830. Dirkje, nu als ‘wed. W. van de Vuurst’, zet in de rouwadvertentie van 1841: ‘De uitoefening van het Logement zal door mij worden gecontinueerd.’ Haar zoon Cornelis neemt in 1856 “Logement de Vergulde Wagen” over en biedt dan daarbij aan ‘Appartementen voor Familiën, die de Zomermaanden in Gooiland wenschen door te brengen’. Ook toen was er blijkbaar al belangstelling van buiten voor een verblijf in Laren.Op Brink 30 staat de grutterij die in 1828 eigendom is van de weduwe van Christiaan Velthuijsen (1774-1820), i.c. Margaretha Christina (Grietje) van der Schaal (1776-1848). Zij is één van de grootste bezitters van onroerend goed in Laren, mogelijk wel de grootste. Alleen al op de Brink heeft ze nog een boerderij en drie huizen. Christiaan was door koning Lodewijk Napoleon benoemd tot ‘president van Laren’ (1810-1811), dus burgemeester, die opgevolgd wordt door Hendrik Mijnsz. Calis als ‘maire’ tijdens de aansluiting bij Frankrijk (1811-1815). Christaans zoon Willem (1805-1877) en diens zoon Christiaan Lambertus Velthuijsen (1849-1909) zullen achtereenvolgens burgemeester zijn in 1863-1877, respectievelijk 1877-1909, en steeds op Brink 30 wonen.
Jan van den Brink Tz. (1792-1862) bezit een huis aan de Brink (ca. nr. 11), maar woont met zijn jonge gezin en enig personeel in 1826 op de boerderij op de hoek van de Kerklaan (Brink 19) die in bezit is van zijn vader, Theunis Klaassen van den Brink (1768-1838). Diens vader, Klaas Jansz. van den Brink (1721-1814), was de eerste wever in Laren die zich als zodanig liet registreren. Later zou Jan wonen op de boerderij waar nu het voormalige Stationshotel staat (Stationsweg 1). Hij is eigenaar van een tijkenweverij en heeft als burgemeester (1817-1863) de bijnaam ‘De Schout’. De familie Van den Brink ontleent zeer zeker de familienaam aan de Brink, vermoedelijk in verband met hun genoemde boerderij op de hoek van de Kerklaan. Dat moet ergens in de 18e eeuw zijn gebeurd, want in de Larense Erfgooierslijst van 1708 komt de familienaam niet voor, terwijl de Van den Brinken wel erfgooiers zijn.

In het huis links op de hoek van de Nieuweweg woonde de gruttersfamilie Velthuijsen, later vervangen door huidig Brink 10 (coll. Historische Kring Laren).

anno 1828 – Geharrewar over de school
Laren heeft in 1687 een dorpsschool waarvan de locatie wellicht in de omgeving van de hervormde Johanneskerk moet worden gezocht. In 1828 wordt een nieuwe school gebouwd op de Brink (zie kaart). Hij zal dienen tot 1913. Hier geeft later de bekende schoolmeester J. van Wulfen (1838-1912) les vanaf 1855 tot 1900.
Geharrewar ontstaat over de plaats van de school omdat de gemeente Laren alleen op de Brink over voldoende grond met voldoende afstand tot andere bebouwing kan beschikken. Burgemeester Jan van den Brink Tz. wil de school wel op een andere ruimere plaats zetten, maar hij wordt daarin tegengewerkt door verschillende grondeigenaren, in het bijzonder de weduwe van Christiaan Velthuijsen, die ‘zich onhandelbaar toonde’. Zij bezit zeer veel onroerend goed in Laren, maar is alleen bereid een door haar aangewezen ongunstig perceel af te staan, zelfs tegen betaling aan Van den Brink persoonlijk…!
De aangevangen bouw wordt nog gestaakt door bezwaren van aangrenzende huiseigenaren, inclusief mevrouw Velthuijsen die een naastliggende boerderij bezit. De bezwaren betreffen vooral ‘de verhinderde vergezichten op de Brink’. Dit duidt dus op een zekere lokale waardering van de Brink, al in die tijd. In zijn rapportage naar de provincie hierover legt Van den Brink uit dat hij samen met de raad de uiteindelijke plek koos als de beste van alle overblijvende. Uit de briefwisseling over dit onderwerp blijkt ook dat Laren dan al in de smaak valt bij vreemdelingen. De plaats van de school schaadt wel het aanzien van de Brink, aldus Van den Brink, maar hij had geen andere keuze meer.

De zogenaamde ‘Waterstaatskerk’, c.q. Sint-Janskerk aan de Brink in 1920, in 1925 vervangen door de Sint-Jansbasiliek (coll. Historische Kring Laren).

anno 1844 – Waterstaatkerk
De statie van Sint-Jan heeft vanaf 1613 achtereenvolgens een schuil- en een noodkerk in het Zevenend, totdat in 1844 aan de oostkant van de Brink de Waterstaatskerk met pastorie verrijst, die in 1845 wordt ingewijd. De bouw wordt mogelijk gemaakt door een schenking van grond door de weduwe Velthuijsen. Een rij huisjes waarin spinsters en ‘spinders’ wonen, maakt daarvoor plaats. Sinds de inwijding wordt hier de jaarlijkse Sint-Jansprocessie op de zondag het dichtst bij Sint-Jansdag (24 juni) aangevangen.
De kermis in verband met Sint-Jansdag zit blijkbaar in de weg, want in 1846 is er een poging om de kermis te verplaatsen naar mei, maar dat strandt. De praktijk wordt dat er aanvankelijk een kleine voorkermis is direct na de processie en een grotere daarna. Uiteindelijk is de laatste overgebleven, die begint op de zondag na de processie en een week duurt.
Vanaf 1886 wordt het een plechtige sacramentsprocessie omdat Sacramenstdag en Sint-Jansdag dan samenvallen. Sindsdien worden ook de erepoorten opgesteld.

Algemeen Handelsblad 15 januari 1861.

anno 1861 & 1863 – “De Vergulde Postwagen”
Het postwagenvervoer wordt door de invoering van de stoomscheepvaart op Hamburg vanaf 1825 en de spoorweg Amsterdam-Utrecht-Arnhem vanaf 1845 allengs minder. De Hamburger Post op Osnabrück stopt al in 1831 en Van Gend & Loos op Arnhem omstreeks 1857. In 1874 staken andere diensten op Amersfoort met de komst van de spoorlijn Amsterdam-Amersfoort in datzelfde jaar. Rond de jaarwisseling van 1860-61 kondigt notaris Perk de publieke verkoping aan van “Logement de Vergulde Wagen”. Uit bijgaande advertentie krijgen we een goed beeld van de omvang van het bedrijf, dat ‘des zomers door stedelingen en des winters door vrachtrijders voortdurend bezocht’ wordt. We denken op basis van het aantal kamers dat alleen het kubusvormige voorste gedeelte van het logement, dat later ‘het kroegje van Hamdorff’ wordt genoemd, toen al aanwezig was. Dat lijkt ook al gesuggereerd te worden door de contouren van het gebouw (Brink 10) op de bijgaande kadastrale kaart uit ca. 1828-1830. Het achterste gedeelte met stalling zal toen een ouder bouwvolume zijn geweest, mogelijk de rest van een ‘langhuis’, dat in 1884 zou worden vervangen.

De bebouwing van de Brink en omgeving in 1828 à 1830 (achtergrond: kadastrale kaart, coll. Noord-Hollands Archief). Huidige huisnummers van de Brink zijn aangegeven, gebouw kan afwijken.

A.H.F. Post uit Maartensdijk koopt het en noemt het “Logement de Vergulde Postwagen”. Dit lijkt gedaan te zijn met een knipoog naar zijn eigen naam. Hij houdt het niet lang uit. Opmerkelijk is dat hij vanaf 1862 het huis op de hoek bezit (Brink 14/16), maar per 31 oktober 1863 aan koopman Bart van der Puijl uit Eemnes verkoopt. De dag erna, per 1 november 1863 koopt Wouter Christiaan Hamdorff (1827-1878) het logement. Hij heeft een eigen wagenmakerij en stalhouderij op de hoek Zevenend-Barbiersweg, die hij aanhoudt. Onervaren in het logementswezen is de familie Hamdorff niet, want zijn moeder Gerritje Grootveld (1785-1867) is een Eemnesser kasteleinsdochter en zuster van Dirkje Zijtveld-Grootveld (zie anno 1826). Hij houdt de oude wagenmakerij op het Zevenend aan. Ook hij overlijdt voortijdig in 1878. Zijn vrouw, Johanna Versteeg (1821-1903), zoekt dan een wagenmakersknecht. Johanna is de dochter van de Larense dorpsveldwachter Jan Versteeg (1793-1864), van wie door Gerard Koekkoek – en anderen in zijn kielzog – onterecht werd beweerd de logementhouder te zijn geweest van het hier behandelde logement. Zie over zijn wederwaardigheden het aparte artikel over hem elders in dit nummer. Wouter zelf – niet zijn oudste zoon Chris (1858-1942) – moet al de maandagse koetsdienst op Amsterdam hebben opgericht voor de Larense tapijtfabrikanten. ’s Zomers is er een extra dienst. Met de komst van het Oosterspoor in 1874 wordt de dienst verlegd naar Hilversum en Bussum. Dan rijdt Chris gasten in de omgeving rond. Al als twaalfjarige jongen – dus in 1870 – draagt hij de schildersezel voor Josef Israëls (1824-1911) naar de hei. Israëls woont tot 1871 in Amsterdam.

Bronnen: Websites: bel.courant.nu, delpher.nl/kranten • Rijksdienst Cultureel Erfgoed: beeldbank met kadastrale kaart Laren sectie B, blad 01, en aanwijzende tafels (OAT) • Streekarchief voor Gooi en Vechtstreek (SAGV): Archieven Dorpsbestuur en Gemeente­bestuur Laren.

Literatuur: J. Groeneveld, ‘Hoe in sneltreinvaart een weg werd aangelegd – De straatweg Naarden-Amersfoort’, in: Tussen Vecht en Eem, 27 (2009) 4, p. 380-391. • M. Majoor, ‘De familie Hamdorff, die voortkwam uit de Eemnesser familie Grootveld’ in: Historische Kring Eemnes 34 (2012) 3, p. 170-180. NB: Helaas worden in dat artikel twijfelachtige informatie herhaald over de wijze waarop Joachim Hamdorff in Laren kwam en de rol die Jan Versteeg daarbij speelde. • J. Marjot, ’t Bonte Paard – De herberg van Jan Roest, Laren 2003. • E. Wortel, Burgemeesters en Raadsleden van de gemeente Laren n.h., Laren 1991. • L. Janssen e.a., Getuigenis op straat – De Larense Sint Jans­traditie, Laren 2005. • A.C.J. de Vrankrijker en G. Smit, Sint Jan – De Sint Jansprocessie van Laren in het Gooi – De ontwikkeling van Sint Jansfeest tot Sacramentsprocessie, Laren 1952. • Verschillende auteurs en artikelen in: Tussen Vecht en Eem, themanummer Laren, 12 (1994) 2.