Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Harmen Vos, ‘de Koddebeier’

Harmen Vos, ‘de Koddebeier’

De destijds in Laren woonachtige Harmen Vos was een sleutelfiguur in de geschiedenis van de erfgooiers. Door het schieten van een haas in 1898 lokte hij een proces uit tegen de Kroon waardoor uiteindelijk een nieuw – uit erfgooiers bestaand – bestuur van Stad en Lande van Gooiland kon worden opgericht dat zich bekommerde over de rechten op de gezamenlijke gronden. De geschiedenisboeken staan er vol van, er is in Laren een straat naar hem vernoemd en u kent ongetwijfeld het paneel van Eppo Doeve waarop Harmen Vos trots met zijn haas poseert. Maar wat weten we nog meer over Harmen? We spraken met zijn kleinzoon Nic Vos.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 140 [2017-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Hans Schaapherder en Hein Verver

Het is bijna honderd jaar geleden dat Harmen Vos overleed, dus 83-jarige kleinzoon Nic heeft hem niet persoonlijk gekend. We hoeven Nic niet echt te introduceren want u kent hem vast van zijn voordrachten in Larens dialect en van de cd met de door hem ingesproken verhaaltjes van Bart Krijnen (te koop bij de Lindenhoeve). Nic koestert de vele familieverhalen en toont ons een boekwerkje van de laatste ‘Vossenreünie’ uit 2008.
Hun familiestamboom gaat terug naar voorouder Elbert Vos uit circa 1600 en heeft een spanwijdte van dertien generaties (in 2008: 377 personen). De op 21 februari 1844 in Blaricum geboren Harmen Vos stamt uit de achtste generatie. Harmen was de oudste zoon van Gerrit Harmenszoon Vos en Jannetje Beek. Hij had nog zes broers en vier zusters. Harmen trouwde op 22 augustus 1882 met Jannetje (Jansje) Verver.

Harmen Vos in 1913. Het meisje is - volgens de aantekening in het plakboek - Fientje Matson (archief Gerard Koekkoek).
Harmen Vos in 1913. Het meisje is – volgens de aantekening in het plakboek – Fientje Matson (archief Gerard Koekkoek).

Onbezoldigd rijksveldwachter
In de geschiedschrijving wordt vermeld dat Harmen van beroep ‘onbezoldigd rijksveldwachter’ was. Dat roept vragen op, want onbezoldigd betekent – volgens Van Dale – “1: geen loon ontvangend, 2: geen loon opleverend”. Een rijksveldwachter klinkt als een voornaam beroep, maar niet als je er niets mee verdient. We zoeken het op in Wikipedia: “Nederland kende sinds de Franse tijd gemeenteveldwachters en rijksveldwachters. De eersten hadden alleen bevoegdheden binnen de eigen gemeente, en daarom waren gemeenteveldwachters vaak tevens aangesteld als onbezoldigd rijksveldwachter. In Nederland was de gemeenteveldwachter nauwelijks een professionele politieman. De gemeente vond de functie van veldwachter ook niet erg belangrijk. Hij werd slecht betaald en boezemde waarschijnlijk weinig ontzag in in zijn doorgaans versleten uniform. Vaak moest een veldwachter vragen of hij op kosten van de gemeente na jaren een nieuwe uniformjas mocht kopen. Ook het salaris van de veldwachter was laag. Gemiddeld verdiende een veldwachter rond 1900 zo’n 250 gulden per jaar. Verschil qua inkomen was afhankelijk van de neventaken. Was de veldwachter ook bode en opzichter bij openbare werken, dan kreeg hij toeslagen van 25 tot 50 gulden per jaar. Vanaf de jaren 1930 trad een zekere professionalisering in. Zo had de veldwachter recht op dertig gulden rijwielvergoeding, vijftig gulden diplomatoelage, honderd gulden uniformgeld, vrije woning en medische behandeling. De nieuwe veldwachter stond ook niet meer overal alleen voor. Bij bijzondere gelegenheden waarbij meer mankracht nodig was om de orde te handhaven, bijvoorbeeld de kermis, stonden rijksveldwachters van het district of leden van de Koninklijke Marechaussee hem bij”.

Koddebeier
Een onbezoldigde rijksveldwachter werd ook wel ‘koddebeier’ genoemd. Oorspronkelijk een officiële benaming, later ook in pejoratieve zin (scheldwoord) gebruikt. Het betekent ‘iemand die met zijn knots (kodde) heen en weer zwaait (beiert)’. Mogelijk is het woord afgeleid van het Oudhollandse spreekwoord ‘Ergens de scepter over zwaaien’. En Harmen Vos zwaaide letterlijk de scepter als het om drankbestrijding ging, want alcohol veroorzaakte ook in die tijd sociale ellende, vooral onder arbeiders. Als fervent tegenstander van alcohol en plaatselijke oprichter van de blauwe knoop liet hij zich als koddebeier in de plaatselijke cafés gelden. De hoedanigheid van koddebeier bracht Harmen Vos echter wel een vorm van status en aanzien. Nic heeft het over zijn opa als een ‘vooraanstaand mannetje’. Hij kon lezen en schrijven en manifesteerde zich door brieven voor anderen te schrijven. De gelovige Harmen was ‘Lid van de III Orde van den H. Franciscus’ waarbij hij verkoos om in armoede te leven. Bij de jaarlijkse Sint Jansprocessie was Harmen een van de baldakijndragers en als zodanig staat hij ook afgebeeld op het drieluik van S.C. Bosch Reitz uit 1895 (zie pagina 24/25). In de namenlijst staat achter de naam van Harmen Vos tussen haakjes: ‘jachtopziener’.

Jachtopziener
Ook het woord ‘jachtopziener’ roept meer vragen op dan we kunnen beantwoorden. Was dit ook onbezoldigd? Wie was zijn opdrachtgever? Wel kunnen we terugvinden dat het beroep van jachtopziener ook wel boswachter, wildschut of koddebeier (!) werd genoemd, waarbij men een jachtveld onder de hoede heeft dat dient te worden bewaakt. Vooral het ‘jagen’ typeert Harmen Vos; sowieso omdat hij door het schieten van een haas de geschiedenisboekjes zou ingaan. Thuis, in het eenvoudige huisje op de 2e Ruiterweg, hingen wel drie jachtgeweren aan de muur en om zijn middel droeg hij altijd een met patronen gevulde riem. Deze patronenriem en zijn laarzen zijn nog altijd in familiebezit. Harmen was waarschijnlijk niet een beschermer van jachtbelangen, maar zorgde als jachtopziener indirect voor inkomsten. Een teken van de tijd was ook dat de nieuwe bewoners van het Gooi liefhebbers van ‘wildbraad’ waren.

De haas die Harmen beroemd heeft gemaakt, was slechts een van de velen binnen zijn schootsveld. Alleen schoot hij deze haas ‘toevallig’ (?) op een stuk terrein dat – volgens hem en vele erfgooiers – illegaal aan de Kroon was verpacht. Hij kreeg prompt een bekeuring wegens stroperij, terwijl het nota bene zijn taak was om er op toe te zien dat er niet zonder vergunning gejaagd werd. Harmen was boos!
Uiteindelijk bracht Harmen Vos het ook tot bestuurslid van Stad en Lande van Gooiland en werd hij meentbeambte.

Harmen’s huisje op de 2e Ruiterweg.

2e Ruiterweg
Na hun bruiloft in 1882 te Blaricum zien we in de stamboom dat hun oudste zoon Gerrit al in Laren is geboren. Onbekend is of ze direct op de 2e Ruiterweg gingen wonen – ongeveer waar nu de naar hem genoemde ‘Harmen Vosweg’ begint. Nic heeft ooit vernomen dat ze ook nog op het Hendrikalaantje hebben gewoond, maar heeft daar niets over terug kunnen vinden. De tweeling Willem en Piet werd op ‘Jozefdag’ 19 maart 1886 geboren. Deze datum wist Harmen zich altijd goed te herinneren omdat het toen – in maart! – nog zo vreselijk vroor en sneeuwde.
Hij zei altijd: “Et weulde (stuifsneeuw) sneef wel dree dage en nachte lange, de morsse (mussen) lagge dood onger de egge”.
Na het overlijden van zijn vrouw Jannetje op 18 april 1902 stond hij alleen voor de opvoeding van zijn drie jongens. Een typisch mannenhuishouding, waarbij hij met een kachelhoutje in de kookpan roerde. Zijn favoriete maaltijd was ‘erepels mut doop’ oftewel in jus gedoopte aardappels die volgens hem “effen” dienden te “soppen”. ’s Avonds was er dan nog een bord ‘brei’, een pap van boekweit. De jongens zijn er groot mee geworden en werden zelf ook weer losse arbeiders (dagloners) en verwoede jagers. Gerrit (1883-1949) verhuisde naar Bussum waar hij een tuinbedrijf opstartte.

Opvallend is dat de tweelingbroers Piet en Willem op dezelfde dag trouwden en er in de stamboom nadien nog meer tweelingen voorkomen. Pieter (Piet) Joseph (1886-1950) werd kweker van rozen en fruitbomen in Eemnes en werkte als dagloner; o.a. aan de ontginning van de hockeyvelden. Hij trouwde op 24 september 1913 met Anna Janse Calis (dochter van ‘Jan van Daai’), waarna ze twaalf kinderen kregen: Herman, Jan, Jo, Cor, Annie, Gert, Riek, Gerda, Bart, Marie, Ellie en als jongste: Nic. Piet zei tegen zijn zonen: “word maar smid, dan heb je zomer en winter werk”. En zo geschiedde, Herman, Gert, Bart en Nic werden kunstenaars in het siersmeedwerk.

Piet (rechts) bij de aanleg van de Hockeyvelden.

Wilhelmus (Willem) Joseph (1886-1967) trouwde in 24 september 1913 met Lamberta (Bed) Calis (dochter van ‘Dus’ de slager) en kreeg elf kinderen. Willem trad in de voetsporen van zijn vader en werd jager/dagloner. Nic vertelt hoe zijn oom door de Boerenbond geld per vogelpootje ontving omdat de vele mussen en kraaien op de akkertjes en velden in die tijd letterlijk ’vogelvrij’ verklaard waren. Het huisje op de 2e Ruiterweg bleef in Willems familie, waaronder de latere wethouder Frans Vos.

Vlak voor zijn overlijden werd Harmen Vos gevraagd mee te denken over het project dat we nu kennen als de erfgooierswoningen aan de Kloosterweg en Smeekweg. Het was zijn idee dat er veel ruimte moest zijn voor een ‘gaotje’, een moestuin en een ‘age plé’ (toilet).
Harmen Vos is op 5 februari 1919 in Laren overleden. Zijn grafzerk – hoewel nu tweezijdig gebruikt – is nog steeds op het oude gedeelte van het Sint Janskerkhof te zien.
De geschiedenis van de erfgooiers gaat veelal over landbouwgronden en veeteelt, maar door deze koddebeier uit Laren is een belangrijk hoofdstuk daarin geschreven.

Bronnen: Wikipedia; Van Dale; Familiestamboom ter gelegenheid van de 4e Vossenreünie op 17 mei 2008; Larensvoorouders; Van Meenten tot Marken – Anton Kos, 2010; Stad en Lande van Gooiland – Dr. A.C.J. de Vrankrijker, 1968; Kwartaalbericht 60, 1997-3; Kwartaalbericht 134, 2015-4.