De oostgrens van het Gooi

De oostgrens van het Gooi

Over de grens tussen Holland en Utrecht langs de oostkant van het Gooi wordt meestal geschreven dat hij recht op de Domtoren is getrokken. Daarbij wordt vaak lukraak gesuggereerd dat dit geldt voor de hele grens vanaf de Leeuwenpaal tot aan de hoek in de grens bij Hollandse Rading (paal 16). Er bestaan in grote lijnen twee gedeelten, die elk in twee grensvakken uiteen vallen, namelijk de grensvakken langs Eemnes en die langs het Baarnse Veen en De Bilt/Maartensdijk. Het laatste vak vooral was onderwerp van schier eindeloze strubbelingen. In dit artikel zal de op meer punten boeiende geschiedenis van alle grensvakken samenvattend nog eens uit de doeken worden gedaan. Verder zal antwoord worden gegeven op de vragen: Welke grensvakken van de huidige provinciegrens in dit gebied zijn eigenlijk werkelijk op de Domtoren gericht? Hoe nauwkeurig is dat gebeurd?

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 142 [2017-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Jaap Groeneveld

De geschiedenis van de verschillende grensvakken 1)

Komisch, maar toch jammer, is dat iemand eens op grond van ‘gericht op de Domtoren’ een kaartje heeft getekend dat alle grensvakken als een waaier gericht heeft op de Dom, in weerwil van de beschikbaarheid van goede kaarten. 2) ‘Hypercorrectie’ noemt men dat. Zo diep geworteld zit de mythe over het richten op de Dom. Daarbij komt ook nog dat er nogal eens van elkaar wordt overgeschreven. Het fraaie boek Tastbare Tijd (eerste druk) 3) is zo ook uitgegleden op de kaart van 1539 (afb. 1), waarna de Gooi- en Eemlander 4) dat nog eens overdeed in de boekbespreking, weliswaar alleen met betrekking tot de omgekeerde V. Zo blijven de mythes in de wereld.

Wie een hedendaagse topografische kaart van het gebied bekijkt zal constateren dat de provinciegrens vanaf de Leeuwenpaal naar het zuiden tot aan paal 16 niet recht is en in feite opgebouwd is uit vier grensvakken, die alle een iets andere richting aannemen. Deze grensvakken zijn die vanaf de Leeuwenpaal naar grenspaal (gp) 1, 2-6, 7-10, 11-16. Op de drie knikken staan steeds twee palen vlak bij elkaar. Die markeren de zijdelingse verschuivingen – inschinkelingen – in de grens. Op de overzichtskaart (afb. 2), die gebaseerd is op nauwkeurige topografische kaarten, zijn de belangrijke gegevens voor dit verhaal verzameld, zowel het historische als het hedendaagse grensverloop. De jaartallen geven het bestaan van de grens van Gooiland of de grens tussen Utrecht en Holland sinds die tijd aan. De grens tussen Utrecht en Holland liep sinds 1535 vanaf de Eem langs de hoekpunten L (Leeuwenpaal), gp 6, b, c (Beukenboom), d (Drakenstein) en 16. Deze grens bestond zeker in 1619 en naar het zich laat aanzien nog tot 1719.

Afb. 1: Kopie van de schematische kaart van Cornelisz Domisz. en/of Evert van Schaick uit ca. 1539, zuiden boven (1917, Het Utrechts Archief, TA 132-3). Het origineel bevindt zich in het Nationaal Archief (VTH 2579).

Een belangrijke oorzaak voor de mythe over het grensverloop is de vaak niet begrepen kaart uit ca. 1539 (afb. 1), waarop de zichtlijn is getekend tot aan de Dom van Utrecht, die vaak bijna helemaal wordt aangezien voor de grenslijn in plaats van een klein stukje langs Eemnes. Er is nogal eens op oudere kaarten vermoedelijk daarom gewoon een rechte lijn getrokken. De twee naar beneden gerichte armen van de omgekeerde V zijn geen wegen, maar zijn claims ten aanzien van de intern-Hollandse scheiding – ‘rayen’ – tussen de Gooise grond en die van de Utrechtse eigenaren van het Oostveen. De rechter is de Maartensdijkse claim, gericht op het Sint-Janskerkhof te Laren, en de linker is de Gooise claim, ongeveer gericht op het ‘harde van Lapersweg’ op De Vuursche. Daar ging de kaart om: waar moest die scheiding komen te liggen? Uiteindelijk werd dat het grensvak dat tegenwoordig ligt tussen de palen 11 (‘Blockhuis’ op de kaart) en paal 16 (punt van de ongekeerde V).

Afb. 2: Overzichtskaart van het behandelde grensgebied (auteur). Hoogtelijnen ontleend aan W.H. Wimmers en R.R. van Zweden.

De provinciegrens langs Eemnes
In 1339 haalde Graaf Willem IV van Holland de Eemnessers over om in een afgescheiden gebied ten westen van de ‘roe’ of ‘raye’ – nu Wakkerendijk/Meentweg – te komen wonen en de grond te gebruiken. Hij had al eerder een grens gemarkeerd op de plek van deze dijk, waarmee hij ook dwars door reeds gerealiseerde ontginningen van de Eemnessers ging. Er verhuisden Eemnessers daadwerkelijk na ca. 1342 naar dit Oost-Holland genoemde gebied, na het overlijden van bisschop Jan van Diest, wie zij beloofd hadden niet eerder te zullen verhuizen. Daarop brandde in 1346 zijn opvolger Jan van Arkel voor straf hun bezittingen af, waarna de graaf zijn nieuwe onderdanen natuurlijk niet in de steek kon laten. Uiteindelijk werd met graaf Willem V in 1356 de vrede definitief. Op last van bisschop Jan van Arkel werd nu de ‘Leopaal’ – Leeuwenpaal – gesteld en de grens zou sindsdien gericht zijn op de Domtoren en ongeveer dezelfde moeten zijn als tegenwoordig. Toen was voor het eerst sprake van richten op de Domtoren. 5) Deze werd gebouwd vanaf 1321 en pas in 1382 voltooid, 112 m hoog.

Afb. 3: De oude grenssloot ten noorden van de Slotweg in Blaricum, kijkend in de richting van de Leeuwenpaal. Rechts de noordelijke punt van de Bouwvenen, ten westen van de Gooiergracht (foto auteur).

De omgrenzing van Oost-Holland was bepaald op 100 roeden vanaf het noordeinde van de ‘raye’ en 300 roeden vanaf het zuideinde. De afstanden vanaf de dijk tot de huidige provinciegrens, respectievelijk tot de Leeuwenpaal en paal 6 zijn ca. 900 m en ca. 2275 m. Met een Hollandse (Rijnlandse) roede van 3,767 m worden de maten respectievelijk 377 en 1130 m. Frappant dat de laatste praktisch de helft is van de huidige maat aan de zuidkant. Het gebied was dus ongeveer half zo groot als Eemnes ten westen van de Wakkerendijk. Er kan een verklaring zijn. Namelijk, het veen zal ongeveer gereikt hebben tot de omgeving van de huidige provinciegrens. Laarders en Blaricummers konden zo de resterende helft langs Oost-Holland gebruiken.

Afb. 4: Fragment van de kaart van Lucas Jansz Sinck, 1619, zuiden boven (Nationaal Archief, VTH 2582).

Na de vrede van 1351, was graaf Willem V in 1356 de strijd opnieuw begonnen. Overigens ging die om grotere belangen. De graaf moet daarbij het hele veen ten westen van de dijk kwijt zijn geraakt aan de bisschop. De bisschop beschouwde overigens ook het wadachtige gebied ten noorden van Eemnes, plus de venen in het zuiden en De Vuursche, als zijn gebied, want hij zou de grenslijn aan beide zijden gewoon door hebben getrokken volgens de aangehaalde memorie uit ca. 1550. We maken nu een sprong naar 1535.

Leeuwenpaal – paal 1
Dit grensvak is het enige, samen met de sloot van de Leeuwenpaal naar de mond van de Eem, dat eigenlijk de naam ‘gracht’ verdient en als markering onbetwist van 1536 à 1539 dateert. De ontginning door Eemnessers was ook hier weer een eind verder doorgeschoten naar het westen, waardoor hun grond opnieuw afgesneden werd volgens het vonnis van de Geheime Raad te Mechelen uit 1535. 6) Ze maakten bezwaar en claimden de oude grens: ‘hoewel die niet recht en gaat, behoorde [hij] voor ’t gerechte scheytsel gehouden te zyn, also ’t selve van allen ouden tyden voor het scheytsel beyden landen gehouden geweest’. Volgens het daarop volgende akkoord uit 1536 met Holland 7) mochten de Eemnessers de grond gebruiken tegen ‘dertig placken erftijns’ en de Gooiers moesten hen met rust laten. Dit grensoverschrijdende grondgebruik was gemakkelijker sinds 1528, want Karel V was sindsdien landsheer van Utrecht en Holland.

Uit dit akkoord met de Eemnessers blijkt dat hier rechte diepe scheidsloten van een roede (3,76 m) breed moesten worden gegraven om de Gooiers en de Eemnessers te scheiden. In tegenstelling tot het vonnis van 1535, dat een rechte lijn bepaalde vanaf de Leeuwenpaal gericht op de Domtoren tot aan de zuidoosthoek van Eemnes, was er toen sprake van een inschinkeling van ca. 20 roeden bij de Zuidwend (nu Laarderweg). De inschinkeling is tegenwoordig 76,9 meter, overeenkomstig met 20,5 roeden. Alleen de grensmarkering van de grensvakken direct ten zuiden en ten oosten van de Leeuwenpaal werden daadwerkelijk ‘gracht’ genoemd.

De nieuwe gracht naar het zuiden moest beginnen in de oude sloot bij de Leeuwenpaal. De oude sloot zou een rechtgetrokken natuurlijke waterloop geweest kunnen zijn, waarmee iedereen kon leven als afbakening, in weerwil van de aannemelijke op de Dom gerichte grensbepaling uit 1356 die vermoedelijk allang in het moeras van de herinnering was verzonken. Mogelijk heeft men de Domtoren, die nog in aanbouw was, niet goed kunnen zien. Het afgescheiden gebied, waarin het ‘bosje van Six’ ongeveer het meest zuidelijke deel is, vindt men terug in de andere verkaveling van de Bouwvenen te Blaricum, die tot aan de vaststelling van de gemeentegrenzen in 1824 verdeeld waren over de stad Naarden en de dorpen Laren, Blaricum, Hilversum en Huizen. 8) Voor die tijd hoefde het grondgebied van een dorp of stad niet aaneengesloten te zijn. De oude grenssloot, ook gericht op de Leeuwenpaal, is meer naar het westen nog terug te vinden (afb. 3).

Afb. 5: Tegenwoordige situatie bij de grenspalen 1 en 2 bij de rotonde in de Laarderweg (Eemnes) en Eemnesserweg (Laren). Met dank aan de Gemeente Eemnes.

Deze huidige Gooiergracht is in 1536 gegraven en had vanaf de Leeuwenpaal eigenlijk gericht moeten zijn op de Domtoren. De grens langs de gracht is sinds 1536 ook nooit meer een punt van discussie geweest en is in 1719 met de vaststelling van de provinciegrens natuurlijk overgenomen. Op de kaart van 1619 van Lucas Jansz Sinck 9), in verband met de weer opgelaaide grenskwesties in het zuiden, zijn duidelijk de Bouwvenen te zien met daarin de hofstede Ruischen Dael en de afwijking van de gracht ten opzicht van de rooilijn op de Domtoren (afb. 4). De gestippelde lijn met de tekst ‘Die Limiet Scheijdinge’ moet gezien worden als de rooilijn op de Domtoren. De dubbele lijn daarnaast is de Gooiergracht. De stippellijn zet zich naar het zuiden vaag voort langs de tekst ‘[ro]oijt op den doem toren van [Utrecht]’ tot aan een punt No. 11 op deze kaart (tegenwoordig grenspaal 6), waarbij de ‘landsgrens’ naar het oosten afboog langs de Jan Swarten Steech, zoals dat in 1535 was bepaald.

Paal 2 – paal 6
Paal 2 hoort eigenlijk op de huidige rotonde te staan, op de oversteekplaats voor fietsers over de Laarderweg, vlak voor de benzinepomp van Zanoli (afb. 5). Dat staat wat rommelig en het veroorzaakt ook veel rommel, dus is hij langs de grenslijn verplaatst naar een voor iedereen veiliger plek. Hij was trouwens al eerder verplaatst in verband met de aanleg van de Verlegde Laarderweg. Paal 6 staat op zijn oorspronkelijke plek, in de tuin van het voormalige theehuis De Heidebloem. Volgens de nadere overeenkomst met de Eemnessers in 1536 hoefde hier aanvankelijk alleen maar een sloot van vier voet breed en twee spitten diep gegraven te worden.

Er bestaat een foto (afb. 6), die hier is afgebeeld, waarvan gesuggereerd wordt dat hier ‘een echte vijf meter brede gracht’ lag. 10) De ‘gracht had hier een rommelig karakter’. Er was hier aan de Larense kant heide en er is zand weg gehaald en er was op een breed laag gedeelte een ijsbaan (vandaar IJsbaanweg). De greppel of gracht langs de bebouwde kom en Gooiergracht van Laren is vervangen door een smal plantsoen en een rij bomen. Bep de Boer besteedt er uitgebreid aandacht aan in zijn wandeling langs de grens van Laren. 11)

Alleen bij dit vak is sprake van richten op de Domtoren in het verbaal van 14 juli 1719: ‘(…) zuidwaarts aan zal lopen linie recht op St. Martens toorn te Utrecht, zoverre het district Eemnes binnendijks strekt’. 12) Binnendijks wordt hier gerekend vanaf de Zuidwend, lees Die mene Steech (afb. 4), nu Laarderweg.

De straat aan Larense zijde heet officieel Gooiergracht (postcodes 1251 VA t/m VG, oneven nummers beginnend bij Smeekweg), terwijl het pad aan de Eemnesser kant de officiële naam Goyergracht Zuid draagt zonder daar een straatnaambord te kunnen bekennen (postcodes 3755 MX en MZ, ook oneven huisnummers, beginnend bij Laarderweg). Dit leidt nog al eens tot ergernis; Laarders op nr. 1 die een vrachtwagen vol planten voor de deur krijgen voor Tuincentrum De Bruin in Eemnes.

Afb. 6: Ansichtkaart met de ‘Gooiergracht’ omstreeks 1920 ter hoogte van de Heideveldweg, voordat deze gedempt en bestraat werd rond 1950, (coll. Ernst H.J. Wortel, Laren). Rechts het pad in Eemnes dat officieel de straatnaam Goyergracht Zuid draagt.

Provinciegrens langs Baarn en De Bilt
De twee vakken waarover het hier gaat vormden pas in 1719 de provinciegrens tussen Utrecht en Holland. Daarvoor, sinds en volgens het vonnis van 1535, nog eens bevestigd in 1541 en 1550 13), liep de grens tussen de beide gewesten langs de huidige gemeentegrens Baarn-Eemnes – ooit de Jan Swarten Steech of Catoenbaal Steech – tot aan de Wakkerendijk. Vandaar ging hij ongeveer in het verlengde van de dijk met een flauwe knik, waar vanouds de Beukenboom heeft gestaan, achter de huidige camping De Zeven Linden naar kasteel Drakenstein. Daar ging hij dan omheen naar de huidige hoek bij de tegenwoordige hoekpaal 16, de plek waar tot in 1719 nog drie stenen de grens markeerden. Het verloop is duidelijk te volgen op de nauwkeurige kaart van Sinck (afb. 7), maar ook op de wat schematische kaart uit ca. 1539 (afb. 1). Het verslag van de grensinspectie uit 1539 14) vermeldt duidelijk het verloop van de ‘landsgrens’ rond het (toen Hollandse) Baarnse Veen en De Vuursche, dat ook op die van Sinck is weergegeven.

De bisschoppen van Utrecht deden eerder alsof dit gebied hun territorium was. Dat blijkt wel uit het volgende. Bisschop Jan van Diest (overleden 1342) zou al aan Frederik heren Wernerszoon het Baarnse Veen in leen hebben gegeven. Zijn zoon Werner van Drakenburg kreeg in 1359 voor 28 jaar van het kapittel van Sint Jans te Utrecht De Vuursche in pacht. Hij noemde zich later Heer van Drakenburg en Drakenstein. Warnars of Werners Hofstede, te zien op de kaarten van 1539 en 1619, was de voorloper van het huidige Drakenstein.

Afb. 7: Fragment van de kaart van Sinck, 1619, zuiden boven (Nationaal Archief, VTH 2582).

De Geheime Raad van Karel V besliste anders in 1535. Dit was gebaseerd op een reeds in ca. 1470 gesloten overeenkomst tussen Hertog Karel van Bourgondië, graaf van Holland, en bisschop David van Bourgondië. Door oorlogsomstandigheden is die zaak toen niet uitgewerkt. Daarin werd de grens van Holland in principe gelegd langs en in het verlengde van de Wakkerendijk, met uitzondering van Eemnes ten westen van de Wakkerendijk (incl. Meentweg), omdat daarover immers sinds 1356 een overeenkomst was. Eigenaren uit het Utrechtse, die hun rechten konden aantonen, behielden het recht de grond te gebruiken. Er werd in het vonnis van 1535 ook verordonneerd dat de Gooiers niet in dit gebied mochten komen graven, plaggen steken, etc.. Daarom moest er een aparte scheiding bepaald worden, globaal langs de huidige provinciegrens.

In 1537 hadden ook, na enige gewelddadige verwikkelingen waarbij een Gooier het leven liet, de Baarnaars een regeling getroffen met Holland. 15) Zij konden tegen een geringe erfpacht het Baarnse Veen gebruiken alsof het hun eigendom was, zoals ze dat al heel lang hadden gedaan. De begrenzing zal dezelfde zijn als de lijn op de kaart van Sinck uit 1619 met de aanduiding ‘Scheidt tusschen Baern en Goylant’ (afb. 7), die dezelfde is als de Roeterswal, ca. 80 m ten oosten van de huidige provinciegrens. De stippellijn naar het punt No. 16 op deze kaart (niet te verwarren met grenspaal 16) is de rooilijn op de Domtoren. Dat punt 16 ligt op een plek die ongeveer overeenkomt met de inrit van de Hilversumse Golfclub aan de Soestdijkerstraatweg te Hilversum.

Opmerkelijk is dat ten zuiden daarvan geen grenslijn staat aangegeven. Dat is niet zo verwonderlijk, want hier waren nog rond 1620 en tot in de achttiende eeuw herhaaldelijk problemen tussen Maartensdijkers (Oostveen) en Gooiers. Wel staan er kennelijk bestaande greppels die voortzettingen suggereren van de verkaveling van Maartensdijk. 16) Verder is er de Gooier Schans bij Kievitsdal te zien.

Er zijn begrijpelijke verklaringen voor het veronachtzamen van het feit dat het Baarnse Veen en De Vuursche bij Holland hoorden, hoewel het hier en daar wel eens wordt genoemd – volgens mijn bevindingen abusievelijk – als een kortdurende aangelegenheid tot ca. 1540. Allereerst was Nederland een verzameling van onafhankelijke ‘landen’. Het in eigendom hebben van grond over de ‘landsgrens’ heen was moeilijk. Toen Karel V sinds 1528 landsheer werd over Utrecht en Holland (naast andere gebieden), werd dat hier in de omgeving gemakkelijker. De maatschappij was er met de toch al moeilijke en verschillende wijzen van belastinginning echter nog lang daarna niet op ingericht. Delen van Ridderveen, Oostveen, het Baarnse Veen en de Heerlijkheid De Vuursche, overigens spaarzaam bevolkt, lagen ineens in Hollands gebied.

Hoewel de vonnissen van de Grote Raad uit 1541 en 1550 bij herhaling duidelijk zijn over de landsgrens (limieten), blijken de Utrechters het vaststellen van de intern-Hollandse begrenzing voor de Gooiers te interpreteren als de nieuw vastgestelde grens van Utrechts gebied. De Gooiers laten zich blijkbaar nergens tegenhouden en plagden, groeven en hakten er lustig op los, want het was toch Hollands gebied, dus Goois. Degene die er ook daarom erg grote moeite mee had was Jan van Culemborg, ridder, Heer van Renswoude, Vuursche, etc.’. Zijn Heerlijkheid De Vuursche, die hem mede prestige gaf in de ridderschap van Utrecht, lag voor het grootste deel in het Hollandse en hij deed verwoede pogingen vanaf ca. 1550 tot aan 1568 – door zijn weduwe – om de Heerlijkheid weer bij Utrecht te laten horen. Vergeefs, want in 1568 werd nogmaals het vonnis van 1556 bekrachtigd, waarin zijn eisen werden afgewezen, en nogmaals de bestaande ‘landsgrens’ van 1535 als zodanig werd aangehouden. Wel werd zij in 1571 gesteund in het vergoeden van de door de Gooiers toegebrachte schade om via de deurwaarder boetes op te kunnen laten leggen. 17)

In de praktijk werd dit gebied toch gaandeweg als Utrechts beschouwd, zoals dat ook voor 1535 moet zijn geweest. Met het afzweren van Philips II als landsheer in 1580 trad natuurlijk een andere situatie in. Het Hof van Holland nam min of meer de rol van de Grote Raad van Mechelen over. De kaart van Sinck uit 1619 reflecteert echter nog steeds de situatie van 1535. Als onderwijl die situatie was gewijzigd, dan had dat wel op die kaart gestaan. Er zijn allerhande documenten van rond 1619 en daarna bewaard gebleven. Als er daarna een nieuwe grensbepaling tussen de provincies Utrecht en Holland zou zijn overeengekomen, dan zou die zeker door Van de Water zijn vermeld. Ergo, tot 1719 hebben formeel De Vuursche en het Baarnse Veen bij Holland gehoord. Het spreekt natuurlijk voor zich dat in 1719 een einde werd gemaakt aan de ingewikkelde en verwarrende situatie. In 1708 waren de Staten van Holland de hele ongrijpbare toestand in het Gooi zat en lieten diverse zaken uitzoeken. Resultaat was ook dat de grens met Utrecht in 1719 opnieuw werd vastgesteld. 18)

Verder waren schrijvers als Enklaar en De Vrankrijker, in navolging van Perk, gericht op het Gooi en in dat verband op de grenzen van het Gooi. Zo ontwikkelde zich een blinde vlek in de geschiedschrijving waarbij aangenomen werd dat de grens van het Gooi dezelfde was als die tussen Utrecht en Holland. Dat hoefde niet zo te zijn, zoals dat ook vanouds niet het geval was bij Loosdrecht, wel bij Holland, niet bij het Gooi. Complicerende factor was dat het omstreden gebied bestond uit uitlopers van gebieden die voor 1535 hoorden bij nog steeds in Utrecht gelegen gerechten c.q. dorpen, Maartensdijk, De Bilt en Baarn. Alleen de Heerlijkheid De Vuursche lag voor 90% in dit gebied met een uitloper richting Soest in Utrechts gebied, maar die was verder van weinig betekenis.

Afb. 8: De Roeterswal parallel aan de provinciegrens (foto auteur).

Paal 7 – paal 10
Paal 7, het driegemeentenpunt van Baarn, Laren en Eemnes, hoort in de middenberm van de A27 te staan, maar is na een tijd op de werf van de provincie Noord-Holland te hebben gelegen, uiteindelijk in de berm op Utrechts gebied geplaatst, op de grens tussen Eemnes en Baarn. Paal 10 staat bij Restaurant Groot Kievitsdal. Dit grensvak ligt ca. 80 meter ten westen van de wal die sinds begin achttiende eeuw bekend staat als Roeterswal. 19) Op de kaart van Sinck is dit de ‘Scheyt tusschen Baern en Goylant’. Paal 9 vormt het driegemeentenpunt van Laren, Hilversum en Baarn.

De reden waarom in 1719 dit grensvak niet langs de Roeterswal is gelegd is niet bekend. Er is echter een mogelijke verklaring. Vroeger waren degenen die grond langs een weg hadden liggen verantwoordelijk voor het onderhoud. Aan de weg naar de Lage Vuursche, langs de Roeterswal, waren aan de ene kant de achteruitgangen van buitenplaatsen als Drakenburg en Groeneveld, aan de andere kant heide van de Gooiers. Zou de weg helemaal op Goois gebied hebben gelegen, dan zouden alleen de Gooiers verantwoordelijk zijn voor het onderhoud. Door een deel van de weg op Utrechts gebied te leggen zouden ook de eigenaren, tevens gebruikers van de genoemde buitenplaatsen in het onderhoud moeten voorzien. Er zijn ook aanwijzingen van verkoop van deze gronden aan de buitenplaatseigenaren.

Van dit grensvak is nooit sprake geweest dat het op de Dom is gericht en men ziet dat ook direct als men zelfs in een oogopslag op de kaart kijkt. Hetzelfde geldt ook voor de Roeterswal.

Paal 11 – paal 16
De palen 10 en 11 zouden bij de verbreding van de Hilversumseweg/Soestdijkerstraatweg (N234) langs de grenslijnen naar het zuiden zijn verschoven. Dit vak heeft de meest woelige en problematische geschiedenis. Hier moest volgens het vonnis van 1541 ook een gemarkeerde scheiding komen die de Gooiers en de Maartensdijkse eigenaren binnen Hollands gebied uit elkaar zou houden. Het uitvoeren van het vonnis werd bemoeilijkt doordat het een onduidelijkheid in zich droeg over de richting die de greppel moest nemen. Het komt neer op het gebruik van het woord ‘omtrent’ en de definitie van ‘het harde van Lapersweg’ in: ‘een rechte raye gemaakt sal werden, streckende uytten voorsz. gruppel [lees punt bij huidige paal 16] recht op langs het uytterste harde van den selven bossche [Gooier Bos], op ten selve cours en raye, als in omtrent dieselve raye, ofte gruppel (…) gelegen tusschen ’t veen van den Land-Commandeur en ’t veen van den Convente van Outwijk, daaraan gelegen, continuerende deselve nieuwe raye linierecht op den selven cours tot aan ’t harde van Lapersweg (…)’. Op afb. 1 is de greppel tussen ‘die vrou van Outwijck’ en ‘die Lantscommandeur’ te zien in de vorm van de stok van de omgekeerde Y.

Afb. 9: De Domtoren zoals die eruit zag even voor 1660, voordat door de tornado van 1 augustus 1674 het hele schip werd weggevaagd. Het dwarsschip en het koor bleven gespaard tot heden toe. (Ontleend aan R.A. Hoogland sr., Kroniek van Utrecht, 1978.)

Bij het uitzetten van de greppel heeft de landmeter zich vergist door de oren te laten hangen naar de uitleg van de Maartensdijkers, die beweerden dat het ‘harde van Lapersweg’ op de plek lag van ‘het harde van Nieuwe Weg’, die op de kaart van Sinck uit 1619 is aangegeven (afb. 7). In 1550 moest uiteindelijk na protesten van de Gooiers de uitgezette grensmarkering, die zelfs nog meer afboog naar het Sint-Janskerkhof, vernietigd worden. Op de kaart van 1619 staat vermoedelijk het begin van deze greppel aangegeven, gericht op het punt No. 16 (niet te verwarren met paal 16 !). Verder geeft hij ‘Die goijse schans’ bij het Blockhuis, die meer is gericht op ‘het harde van Lapersweg’ op De Vuursche.

Men mag veronderstellen dat toen de scheiding is verlegd in de richting van het Blokhuis, hoewel de kaart van Sinck – als discussiestuk, net als de kaart van 1539 – daarover geen definitief uitsluitsel geeft. Bij Sinck was de lijn vermoedelijk niet ingetekend omdat er weer onduidelijkheid was over dit grensvak. In 1719 is het grensvak in elk geval duidelijk gedefinieerd en wat later met stenen palen gemarkeerd. Hij loopt recht door en langs vanouds de Gooise Schans, die nu in de golfvelden van Kievitsdal moet liggen. Deze greppel wordt altijd Hollandse Sloot genoemd, hoewel er tegenwoordig nooit water in staat. Dit grensvak zou oppervlakkig gezien wel op de Dom gericht kunnen zijn, maar er wordt in de documenten van 1719 niet over gerept. We zullen zien.

Hoe nauwkeurig op de Dom gericht?
Het was mij opgevallen op de kaart uit 1539 (afb. 1) dat de rooilijn niet naar de toren was getekend, maar op het vieringtorentje op het kruis van het schip en het dwarsschip. Zou dat de verklaring zijn voor de inschinkelingen tussen de palen 1 en 2? Grofweg kon dat, paal 1 op de rooilijn vanaf de Leeuwenpaal naar de toren, paal 2 op het torentje op het schip dat er vroeger op stond (afb. 9). De afstanden zouden in verhouding kunnen kloppen. Ik ben daarom eens gaan praten met een gepensioneerd landmeter. Het blijkt heel gemakkelijk te zijn het allemaal uit te rekenen. Men hoeft geen rekening te houden met de bolling van de aarde op zo’n afstand. Op de topografische kaarten van Nederland staat een raster van lijnen op een kilometer afstand. Globaal kan men de coördinaten van allerhande punten op grond hiervan bepalen, ca. 10 m nauwkeurig. Nauwkeuriger is het om deze te halen uit de digitale basiskaart van het kadaster. Door vriendelijke medewerking van de landmeetkundige afdelingen van de gemeenten Utrecht en Hilversum, en een ambtenaar van ruimtelijke ordening in Eemnes, heb ik de coördinaten van kadastrale grenshoekpunten en die van de Domtoren en het kruispunt van het schip van de kerk gekregen.

Tabel 1: Berekeningstabel met gegevens over de verschillende kadastrale hoekpunten waarop de grenspalen feitelijk behoren te staan, met als resultaat de afwijkingen haaks op de rooilijn op de Domtoren (T). Positief is afwijking naar het westen, negatief naar het oosten. Zie afb. 10 voor de schematische voorstelling. Noot (1): Afwijking d op deze regel is alleen de afstand waarop de rooilijn door het punt van de daarboven gelegen regel langs de Domtoren gaat.

Het gaat te ver om hier uit te leggen hoe men een en ander uitrekent, maar het werkt op basis van driehoeksverhoudingen. Afb. 10 laat schematisch zien hoe dat gaat aan de hand van het voorbeeld van paal 1 ten opzichte van de rooilijn vanaf de Leeuwenpaal (L) op de Domtoren (T). Men kan ook een rooilijn trekken door paal 1 (stippellijn) en dan kijken hoe ver men met de rooilijn langs de toren gaat. Opgemerkt moet worden dat de palen niet overal meer op hun oorspronkelijke plek staan. Er wordt daarom steeds gewerkt met de kadastrale hoekpunten waar ze vanouds stonden. De hoekpunten van de palen 1, 2 en 6 zijn beoordeeld ten opzichte van de rooilijn L-T, vanouds de rooilijn op de Domtoren. Van de andere twee grensvakken is dat gedaan voor hoekpunt paal 10 t.o.v. de rooilijn vanaf hoekpunt 7 en van hoekpunt paal 16 t.o.v. de lijn vanaf hoekpunt 11, beide op de toren (T).

De uitkomst van tabel 1 is treffend. De oorspronkelijke plaats van paal 2 ligt maar een halve meter uit de rooilijn, terwijl de hoek van paal 6 bijna 5 meter afwijkt. Dat is ijselijk nauwkeurig wat betreft de hoek bij paal 2. De hoek van grenspaal 1, die op dat punt staat, ligt ca. 73,5 m uit de rooilijn. Let wel, alle afwijkingen zijn haaks op de rooilijn gemeten. Ook de fout van de hoek van paal 6 is niet slecht. Als de rooilijn van de Leeuwenpaal door deze hoek wordt getrokken, dan scheert hij op ruim 16 meter afstand westelijk langs het hart van de toren. Wanneer vanuit hoekpunt 2 wordt gerooid dan is dit natuurlijk groter, bijna 25 meter. De voet van de toren is ca. 20 m vierkant, ca. 28 m diagonaal, dus niet ver mis. Er is bij deze grensvakken geen sprake van dat er op de dakruiter of vieringtoren is gericht. Er moet ook al vanwege het zicht op de Domtoren zijn gericht, waarbij dat bij het noordelijke deel mis is gegaan om onduidelijke redenen. We moeten ons realiseren dat er in de geosystemen ook geringe afwijkingen zitten door het overnemen van de omstreeks 1830 gemaakte kadastrale kaarten. In dat licht zijn de afwijkingen bij paal 6 en zeker bij 2 verwaarloosbaar.

Afb. 10: Voorbeeld van bepalen afwijking van een kadastraal grenshoekpunt (hier 1) ten opzichte van de rooilijn op de Dom (hier tussen L = Leeuwenpaal en T = Domtoren). Opgegeven afstanden verwijzen naar tabel 1.

Het derde grensvak is, zoals we van begin af aan wisten, in de verste verte niet op de Domtoren gericht. Het moet gezien worden als een schakel tussen de uiterste hoek in de grens van Eemnes naar de plek waar ooit het Blokhuis stond, de plek die in 1535 bedoeld werd met ‘het harde van Lapersweg’. De grenslijn 11-16 wijkt bij paal 16 (+)61,76 m naar het noordwesten af ten opzichte van de rooiïng vanaf paal 11 op de Domtoren. Men kan ook de berekening doen door een lijn te trekken door 11 en 16 en kijken waar deze op de hoogte van de Domtoren uitkomt. Dan zit men ca. 253 meter ten noordwesten van de toren. Zou men hetzelfde doen ten opzichte van de vieringtoren van de kerk, dan wordt dat alleen maar meer (ca. 300 m). In beide gevallen is geen sprake van richten op de Dom. Er wordt in de vonnissen van 1541 en 1550 ook helemaal niet gerept over enig richten op de Dom, toren noch kerk. Kortom, alleen het vak tussen palen 2 en 6 is dus op de Domtoren gerooid, waarbij paal 2 nog het meest nauwkeurig op de rooilijn van de Leeuwenpaal op de Domtoren stond, maar wel een halve meter ernaast.

Literatuur en Bronnen

  • D.Th. Enklaar, Middeleeuwse rechtsbronnen van Gooiland, Utrecht 1932.
  • D.Th. Enklaar, ‘De oudste kaarten van Gooiland en zijn grensgebieden’, in: Nederlandsch Archievenblad, 39 (1931/32), p. 185-205.
  • W.A. Boekelman, De Leeuwenpalen in het Gooi, Laren (NH) 1985.
  • J. Groeneveld, ‘De oostgrens van Holland langs het Gooi na 1300’ in: in: Tussen Vecht en Eem, 22 (2004) nr. 4, p. 268-286.
  • J. Groeneveld, ‘Grensrelicten en oude wegen op De Vuursche – De kaart van Lucas Jz. Sinck uit 1619’, in: Tussen Vecht en Eem (TVE), 23 (2005) nr. 1, p. 26-38.
  • S. Groenveld en A.H. Huussen jr., ‘De zeventiende-eeuwse landmeter Jasper Adrieansz. en zijn kartografisch werk’, in het bijzonder hoofdstuk 2, ‘De limietscheiding tussen Gooiland en Utrecht’, p. 140-148, in: Hollandse Studiën, deel 8, Historische Vereniging Holland, Dordrecht 1975.
  • J.M.I. Koster-van Dijk, Gooilanders voor de Grote Raad 1470-1572, Amsterdam 1979.
  • A. Perk, Hortensius over de opkomst en ondergang van Naarden, serie Werken van het Historische Genootschap te Utrecht, nieuwe serie no. 5, Utrecht 1866.
  • J.B. Rodenburg, De grenzen van het Gooi, Hilversum 1938.
  • J. van de Water, Groot Utrechts Placaatboek, dl. 1, Utrecht 1729; op p.138-152 zijn documenten verzameld over de grenskwesties tussen het Sticht en Holland.

Noten

  1. Dit artikel is een verbeterde versie van de eerdere publicatie in Historische Kring Eemnes, 2006-3, p. 115-131, inclusief erratum in 2007-3, p. 178.
  2. H. Kos, ‘De Leeuwenpalen op de grens van Noord-Holland en Utrecht’, in: De Ratel (tijdschrift van de Historische Kring Huizen), oktober 2005, p. 7-10.
  3. R. Blijdenstein, Tastbare Tijd – Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Amsterdam 2005. De eerste druk (mei) bevat een foutief onderschrift bij de kaart van ca. 1539 op p. 267. In de tweede druk (september) is dit gecorrigeerd naast andere aanvullingen en correcties.
  4. Gooi- en Eemlander, donderdag 23 juni 2005, Eric Lorier, ‘Utrecht toont haar eigen geschiedenis’, p. R2.
  5. Enklaar: ‘Memorie in het proces door Jan van Culemborg, Heer van De Vuursche, met de Staten van Utrecht, voor den Grooten Raad te Mechelen tegen die van Gooiland (…)’, p. 119-132. Niet gedateerd, in elk geval na 1541 en voor eind 1556, toen de eisen werden afgewezen (J.M.I. Koster-van Dijk, Gooilanders voor de Grote Raad 1470-1572, p. 52-53; Enklaar, 137-138).
  6. Van de Water: Sententie van de Geheime Raad van 15 oct. 1535, p. 119 e.v..
  7. Idem, p. 123 e.v..
  8. H. Schaftenaar, ‘De grenzen van Naarden’, in: TVE 20 (2002), p. 27-36.
  9. Kaart van Lucas Jansz Sinck, 1619
  10. Laarder Courant De Bel, 10 augustus 2006.
  11. G.L. de Boer, Langs de grens van Laren, Laren 2006.
  12. Rodenburg, p. 39.
  13. Koster-van Dijk, p. 121-136.
  14. Groenveld en Huussen, p. 144. e.v..
  15. Van de Water, Sententie van de Grote Raad van Mechelen, 21 mei 1541, waarin gerefereerd wordt aan de overeenkomst met Baarn op 2 april 1537.
  16. J. Groeneveld, ‘De kaart uit 1597 van de heerlijkheid De Vuursche – Geo-referentie van grenzen en objecten’, in: TVE 32 (2014), nr. 2&3, p. 128-133.
  17. Koster-van Dijk: Sententie van de Grote Raad van 15 mei 1568, waarin het provisionele vonnis van 26 september 1556 (zie Enklaar V) verbindend verklaard wordt, en zoals in 1535 bepaald, de grenzen van toen ongewijzigd blijven de Vuursche bij Holland blijft (p. 137-145). Sententie van idem van 26 november 1561, waarbij aan deurwaarder Adriaen van Croeswijck opgedragen wordt de door de Gooiers verstoorde executie van vorige vonnis m.b.t. de schadeloosstelling van Agatha van Alkemade, wed. Jan van Culemborg, met assistentie te volbrengen. (p. 146-150).
  18. A.Kos, ‘De erfgooiers en hun gemene gronden; de namenlijst en kaart(en) 1708-circa 1740 – Wie bent u en wat heeft u?’, in: Historisch Geografisch Tijdschrift, 22 (2004), p. 10-22.
  19. Groeneveld (2005).