Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Oom Toon en tante Lena

Oom Toon en tante Lena

Toon en Lena woonden al in hun huis aan de Kerklaan, toen mijn vader en moeder op Brink 19 kwamen wonen in 1928, na het overlijden van mijn opa Arnold van Kessel.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 103 [2008-1]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Arnold van Kessel

De vader van oom Toon – ooit kapitein op de driemaster Koning Willem III en afkomstig van Ameland – had het huis gekocht van wagenmaker Koekoek. Dat bleef altijd goed zichtbaar aan de grote zijdeuren aan de Kerklaan. Achter die deuren was de keuken en er bevond zich in die keuken een groot geel schot, waar ooit een paard achter had gestaan.

Wat ook bijzonder was aan het huis was het feit, dat het huis op witte zandgrond was gebouwd. De nok van het rieten dak was bedekt met heideplaggen, vertelde Toon altijd graag.

Toon de Jong werd geboren op 14 augustus 1879 in de kamer, die later zijn atelier werd. Hij noemde het “mijn werkplaats”. Het was de bedoeling dat de jonggeborene ook naar zee zou gaan, maar vader en moeder beslisten anders, toen Toon’s broer ooit uit de mast van een schip was gevallen. Toon ging natuurlijk naar de lagere school van Meester van Wulfen aan de Brink. Zodra hij de school had afgemaakt ging hij naar de Franse school in Naarden. Lopend natuurlijk en daar had hij 1,5 uur voor nodig. Vaak vertelde hij, dat hij bang was onderweg. Er was in die jaren bijna nog geen bebouwing en hij ontmoette op die stille wegen en in de bossen, die er toen nog waren, wel rondtrekkende mensen, die er zo anders uitzagen, dan de mensen in Laren. Dan verborg hij zich achter de struikjes, totdat de mensen met hun wagens uit het zicht waren. Hij keek dan geregeld om om te kijken of die rare mensen niet achter hem aankwamen.

Hij kon op jonge leeftijd al goed tekenen en dat was zijn ouders ook wel opgevallen. Aan de eerste schilder,die in Laren kwam wonen, Albert Neuhuys, liet zijn vader de tekeningen van zijn zoon zien. Het was aan Neuhuys te danken, dat de jonge Toon naar de Amsterdamse Academie ging. Er waren toen 2 hoogleraren t.w. Dake en Dupont. Ze vonden Toon niet zo geschikt voor de Academie en zij adviseerde hem om “buiten” te gaan tekenen. Hij mocht daarom bij Prof Dupont in Hilversum komen om een en ander te leren. Toon ging dus in feite in de vrije natuur studeren en hij heeft dat een groot deel van zijn leven gedaan. Het transportmiddel om buiten in de omgeving te gaan tekenen bleef altijd zijn fiets met houten(!) spatbord, een kleine bezienswaardigheid. Zelfs in de vijftiger jaren reed hij nog daarop rond en het was leuk om te zien hoe hij zijn fiets besteeg. Aan de achteras was een uitsteeksel. Hij ging dan achter zijn fiets staan, zette zijn linkervoet op die “step” nam een aanloop en sprong zo van achteren op het zadel. Lena ging meestal mee, maar had een normale fiets. Ze fietsten altijd achter elkaar aan.

Toon werkte niet alleen in Laren, maar ook rondom Laren in de polders en regelmatig in Zeeland. Thuisgekomen met een keur aan schetsen, ging hij aan het etsen in zijn “werkplaats”. Hij deed dat allemaal zelf, ondanks een aanbod ooit van een bedrijf. Hij vond, dat hij dat beter zelf kon doen, want hij had toch tijd genoeg, zei hij altijd.

Toon kon prachtig over vroeger vertellen. Dat leefde intens bij hem. Het oude Laren boeide hem met zijn kunstenaars, maar ook de dorpsgezichten en de prachtige vergezichten in de polder bij Eemnes. Vele kunstenaars als Offerman, Legras, de Dooyenwaards en Hein Kever waren hem bekend. Brender á Brandis was wel een heel bijzondere collega. Want het was daar dat hij zijn vrouw Lena van der Hoek (door heel veel Laarders werd zij tante Lena genoemd) leerde kennen. Lena kwam oorspronkelijk uit Heerjansdam van de Zuid-Hollandse eilanden. Zij kwam de dochter van Toons’ Blaricumse schildercollega, die ziekelijk was, verzorgen. Hij ontmoette haar daar, maar hij vertelde ook graag en uitvoerig, dat zij diepe indruk op hem had gemaakt in de kerk in het zangkoor. Zij kon zo mooi zingen. En dat laatste is mij ook goed bij gebleven. Want op een mooie zonnige zondagmorgen stonden de deuren aan de Brinkzijde van “Werk en Rust” vaak wagenwijd open. Er reden toen nog niet zoveel auto’s en als oom Toon dan aan zijn trapharmonium ging zitten en stichtelijke liederen ging spelen zong Tante Lena uit volle borst mee. Haar hoge sopraanstem reikte ver over de stille Brink. Wij, de kinderen van Kessel, hielden dan onze adem in om mee te luisteren. Rond 10 uur zondagsmorgens gingen Toon en Lena ter kerke aan de Naarderstraat. Hij immer gekleed in zijn zwart fluwelen trouwpak (ze waren in 1906 getrouwd!) en zij vaak in een diepzwarte rok met rood bovenstuk. Ze had altijd een grote ronde boothals en droeg een bloedkoralen ketting. Vaak waren er op haar kleding borduursels te zien, die waren getekend door Toon en door haar geborduurd. Als het koud was sloeg ze een brede zwarte zelfgemaakte wollen das om. Ook in hun huis was het niet alleen vol met teken- en schilderwerk. De tafels hadden kleden met borduurwerk, het patroon getekend door Toon en geborduurd door Lena.

De Brink rond 1930. De Iepen op de Brink zijn gerooid, nieuwe bomen zijn geplant. Voor het huis staat een wegwijzer naar het Herstellingsoord Bosch en Heide. De auto is niet van de familie van Kessel, maar van bezoek. 7 Kinderen hebben grote belangstelling voor die mooie auto. Duidelijk is te zien dat de erker rechts later werd aangebouwd. Vermoedelijk tegelijk met de gehele achtervleugel met eigen ingang aan de Kerklaan. Start bouw oktober 1929. Foto: Arnold van Kessel.

Door de week was Toon immer gekleed in een blauwe schipperstrui met koordjes om zijn hals, die eindigden in twee balletjes net onder de kin. Meestal had hij zijn blauw porseleinen kromme pijp bij zich. Om geen brandgaatjes te veroorzaken had zijn pijp een gaasmetalen dekseltje aan een metalen koordje, die hij altijd op de pijp kon zetten, nadat hij hem had aangestoken.

In het huis was het in mijn ogen tamelijk primitief. TV wilden ze nooit hebben. Een aanbod ooit werd beleefd afgewezen. De radio gaf uitsluitend weerberichten of een mooi concert. Verder was er geen gas en geen waterleiding. In de keuken achter de grote deuren stond een pomp met zwengel. Dat was de enige waterbron. En er werd altijd gekookt op een diepzwart hoogst antiek kolenfornuis.

Het toilet was ook wel bijzonder. Nooit heb ik als kind er gebruik van gemaakt. Het was een lichthouten bank met een houten deksel. Een antieke plee dus. De inhoud werd regelmatig geleegd en verdween in de moestuin, waar Toon vaak heel druk bezig was met het verbouwen van alle soorten groenten. Ze kochten nooit in een groentewinkel. Er kwam ook nooit een vreemde hand aan te pas bij het spitten, zaaien en oogsten in zijn tuin.

Financieel hebben zij het niet gemakkelijk gehad. Want er moest natuurlijk wel verkocht worden. En dat lukte niet altijd. Gelukkig voor deze lieve mensen, dat de AOW later kwam. In 1976 waren ze 70 jaar getrouwd. In bescheiden kring werd dat feest in de sfeervolle Singerfoyer gevierd. Vanwege hun leeftijd werd er geen officiële gelegenheid van gemaakt. Er was een Koninklijke gelukwens en het werd een geanimeerde bijeenkomst in Singer, aldus de Gooi- en Eemlander van toen.

Lena overleed op 8 Januari 1977 in de ouderdom van 93 jaar. Toon’s wereld stortte in. Hij kon daar niet meer tegenop en moest op zijn leeftijd van 97 jaar hulp hebben. Die vond hij bij familie in Vlaardingen. Op 24 april 1978 overleed oom Toon daar in de ouderdom van 98 jaar. Het verlies van zijn dierbare Lena had hij niet meer kunnen verwerken.

Beide bijzondere mensen zijn begraven op de Algemene begraafplaats in Laren. Toon en Lena waren door hun bescheidenheid en soberheid zeer bijzondere mensen. Burgemeester Elsen memoreerde aan het graf van Toon zijn liefde voor Laren en zijn boek ”…op Laren an!…“ Het is nu “voorgoed in Laren” aldus de Burgemeester.

Oom Toon en Tante Lena waren voor mij heel bijzondere mensen. Mijn zusjes en ik bezochten ze heel vaak om b.v. onze rapporten van school te laten zien. Maar ook om met oudejaarsavond oliebollen te gaan eten, die tante Lena zelf had gemaakt en om onze kinderbelevenissen te vertellen. Tante Lena lachte altijd heel uitbundig zittend naast de snorrende potkachel,waarop een ketel water stond. Ze had vaak het hoogste woord en liet het aanvullen door Toon, die het heerlijk vond over zijn geliefde Laren van vroeger te vertellen.

Voor mij en ik weet zeker voor heel veel Laarders zijn deze twee zo bescheiden mensen altijd onlosmakelijk verbonden met ons dierbare Laren.