Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Mien Marchant – Deel 2

Mien Marchant – Deel 2

Hoe komen er maar liefst drie verschillende door Mien Marchant gemaakte portretten van mijn grootvader Jo de Gooijer in mijn famillie? Met deze vraag begon ik mijn onderzoek naar leven en werk van Mien Marchant. Het bleek dat Griet de Gooijer, de zus van mijn grootvader daar een belangrijke rol in heeft gespeeld. Zij en haar man Jan Dekker woonden en werkten van 1 augustus 1927 tot 26 november 1941 voor Mien Marchant tot zij verhuisden naar de Melkweg in Laren.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 124 [2013-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Peter van der Ploeg

Over Mien Marchant (Gorinchem 6 juni 1866 – Laren 24 februari 1952)

Hier eindigde mijn eerste artikel: “De zoektocht naar Mien’s levens­geschiedenis gaat verder. Ik weet nog bijna niets van haar. Ik heb veel meer vragen dan antwoorden. Maar het onderzoek tot nu toe heeft wel het volgende opgeleverd: De zus van mijn geportretteerde grootvader, Grietje de Gooijer kwam op 1 augustus 1927 met haar man J. Dekker- die tuinman was- wonen in Mien’s huis aan de Velthuysen­laan. Zij waren bij haar in dienst. En naar ik nu aanneem is het zo geschied dat Mien Marchant Grietjes broer bij gelegenheid heeft gevraagd te poseren en zijn diens drie pastel- portretten zo in mijn familie terecht gekomen.”

De jaren in Laren (1909-1952) een eerste verkenning, deel 2.
Bij het speuren naar feiten en informatie over leven en werk van Mien Marchant vind ik als het ware steeds meer sleutels die toegang geven tot verschillende kamers in haar levensgebouw waarin haar geschiedenis is opgetekend. Met het vergaren van nieuwe feiten kan telkens een nieuwe deur worden geopend en steeds weer ben ik heel nieuwsgierig wat ik in die kamer, in dat deel van haar levensgeschiedenis zal aantreffen. En tegelijkertijd voelt het alsof je de deur niet mag openen omdat ik niet weet of Mien goedkeurend zou knikken terwijl ik haar privéleven ontsluier. Wat zal ik allemaal nog uitvinden over deze als een bescheiden vrouw gekarakteriseerde kunstschilderes? Nota bene de zus van de bekende mr. H.P. Marchant die als Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1933- 1935) hoog opgaf over kunstschilders; namelijk: “dat de kunstschilders de voornaamste dragers zijn van de cultuur”. Het blijft mysterieus dat Mien Marchant omringd was door staatslieden en bekende kunstenaars als Tony Offermans, Chris van der Willigen en anderen en toch zelf betrekkelijk anoniem bleef. Helemaal onopgemerkt bleef ze niet, want met haar pastels weet ze wel de aandacht te trekken. Al dien ik wel te vermelden dat zij tussen 1910 en 1952 een van de honderden kunstenaars was die werkten en woonden in Laren en omgeving. In de Laarder Courant De Bel (29-06-1928) schrijft recensent R.W.P. de Vries jr. naar aanleiding van de Zomertenttoonstelling in Hamdorff: “Van Mej. Marchant zien wij weinig werk en toch moet men haar ‘kinderkopje’ en het ‘konijntje’ met die pittige kraaloogen niet zoo maar achteloos voorbijgaan.” 

In de Laarder Courant De Bel van 5 juni 1936 wordt op de zomertentoonstelling van de Ver. Beeldende Kunstenaars Laren-Blaricum in Hamdorff door recensent R.W.P. jr: “… het damesportret met de sprekende oogen” door Mej. Marchant eervol vermeld. Is dit misschien het portret van Griet de Gooijer? Misschien zullen we het nooit (zeker) weten.

Het is verbijsterend dat ik nu heb uitgevonden dat Jan Dekker en Griet de Gooijer 15 jaar hebben gewerkt en gewoond in Mien Marchant’s huis aan de Velthuysenlaan in Laren. Op 26 november 1941 verhuisden zij naar de Melkweg in Laren. Jan Dekker overleed in 1963 op 68 jarige leeftijd. Maar Griet de Gooijer had ik mogelijk nog tot in 1991 kunnen bevragen over haar voormalige werkgeefster. Zij overleed in dat jaar 92 jaar oud. Maar in die jaren was mijn belangstelling voor Mien Marchant nog niet gewekt. Omdat ik als tiener nog diverse keren met mijn moeder mee op bezoek ging bij tante Gre in Laren (Griet was haar lievelingstante), kon ik mij Fred de Gooijer herinneren. Hij groeide op als pleegzoon van Jan en Griet aan de Melkweg in Laren. Ik nam contact met hem op en hoewel hij niet veel kon vertellen over Mien Marchant, opende hij wel de weg naar nog een reeks van door Mien Marchant gemaakte portretten van de De Gooijers. Ik wil er graag bij vertellen dat Fred de Gooijer zelf een getalenteerde amateurschilder is, die jaren lessen volgde o.a. aan de Gooische Akademie in Laren. Via broers en familie van Fred ontving ik binnen de kortste keren foto’s van diverse portretten. Daarvan wil ik er hier twee laten zien. Een portret is van Griet de Gooijer. Fred gaat er van uit dat Mien Marchant Griet opdracht gaf om modellen voor haar te vinden en dat zodoende tenminste een tiental portretten van de De Gooijers zijn gemaakt. Met betrekking tot het andere portret dat hierbij is afgedrukt, informeerde Derk de Gooijer, een van de broers van Fred, mij dat het op een veiling te koop is aangeboden. Het portret werd niet verkocht en zo kwam het alsnog in de familie terecht. Op de achterzijde van het portret is het prijskaartje nog te lezen. Het betreft hier het portret van de achttienjarige Gijsbert Geerlof de Gooijer (vader van Fred en zijn broers) uit 1928. Mien noemde haar portret: “Peinzende jongen”. De gelijkenis is zo groot dat het niet moeilijk is om vast te stellen dat mijn grootvader (wiens portret in de eerste aflevering is afgebeeld) een broer van hem is. 

‘Peinzende jongen’ (1928) Gijsbert De Gooijer, broer van mijn grootvader en etiket op de achterzijde.

Nu ik weet van het bestaan van een tiental portretten van de De Gooijers komt er een nieuwe uitdaging bij. In mijn geheugen drijft een sliertje van een onzekere herinnering van iets dat mijn moeder mij ooit vertelde. Het is mogelijk dat er ook een portret van Mien’s hand zou bestaan van mijn moeder als tien, elfjarig meisje en misschien is zij samen afgebeeld met haar twee jongere zusjes Jopie en Dinie. Het zou mooi zijn als dat portret werkelijk bestaat en misschien nog eens wordt teruggevonden. En wie weet hoeveel meer portretten van de De Gooijers zijn gemaakt die wel zijn verkocht. Portretten die misschien nog bestaan en regelmatig worden bekeken door de huidige eigenaren.

Duidelijk wordt wel dat Mien Marchant bijzonder goed was in het maken van met name pastelportretten en daarin trefzeker het karakter van de persoon in kon uitdrukken. Met een eenvoud en oprechtheid die het signatuur is van haar werk. Enkel het portret van de persoon zonder opsmuk of toevoeging van tierelantijnen. Deze soberheid in toch levendige kleuren geeft haar werk grote zeggingskracht. Het zijn geen werken die toegedicht kunnen worden aan de Larense School die wordt gekenmerkt door de sentimentele boerenportretten, de armelijke interieurs en schaapherderlandschappen. Mien heeft haar eigen stijl en genre, ook in haar dierportretten lijkt zij het wezen van het afgebeelde dier tot uitdrukking te kunnen brengen.

Mej. Christine Abigael van der Willigen (1930?)

Over de jaren heen komt het enkele keren voor dat de recensent van de Laarder Courant De Bel een compliment maakt over een werk dat Mien Marchant heeft ingezonden voor een tentoonstelling. Bijvoorbeeld van het portret dat zij maakte van haar vriendin van Chris van der Willigen. Over haar is het nodige gepubliceerd, maar over Mien kan ik geen uitgebreide artikelen betreffende haar kunstenaarschap vinden.

Dat ligt anders voor een van Miens leraren: Tony Offermans. Over hem is het nodige geschreven. En ten aanzien van zijn leraarschap in samenhang met wat Mien van hem kan hebben geleerd, denk ik vooral aan de opmerking van een recensent dat Offermans zo goed is in het weergeven van gezichtsuitdrukkingen. Het is heel wel mogelijk dat Mien Marchant deze fijnzinningheid om zo treffend te portretteren (deels) van Offermans heeft geleerd. Na wat zoekwerk in het Gelders Archief ontdekte ik, dat Offermans in de periode van 1 oktober 1897 staat ingeschreven als inwoner van Velp (Rheden), van beroep kunstschilder. Hij vertrekt op 24 augustus 1903 naar Laren en geeft Hotel Hamdorff op als zijn voorlopige nieuwe adres in Laren. Pas daarna betrekt hij Villa Ariette aan de Naarderweg, de villa van wijlen Anton Mauve.

In Elseviers Geillustreerd Maandschrift Jaargang 9, Deel 18, 1899 juli-december: …(Tony) hij vestigde zich in het atelier aan den straatweg tusschen Velp en de Steeg dat geheel naar zijn aanwijzing was opgetrokken.” Deze buitenwoning is genoemd naar Tony’s moeder: Villa Sophie, mevr. Offermans van Hove, de gevierde zangeres. 

Van 14 september 1893 woont de familie van Mr. Carel Anthony Marchant in Velp. Als ‘huizing’ wordt aangegeven: “Emmastraat Kom” zonder huisnummer of naam. Het gaat om het gezinshoofd, zijn vrouw Apollonia van der Horst,en kinderen Mien, Jacoba en Henri. Zij komen dan van Leiden. Op 15 december 1909 wordt Mien uitgeschreven vanwege haar verhuizing naar Laren naar de Molenweg. Ik neem nu aan dat in de overlappende jaren waarin zowel Offermans als Mien Marchant in/nabij Velp wonen tussen 1897 en 1903, de jaren zijn waarin Mien les bij hem neemt. 

In een interview met Tony Offermans geeft de schrijver P. du Rieu jr. aan dat: “De kunst van Tony Offermans niet wordt beheerst door breedheid in compositie, noch door rijke en machtige kleurencombinatie. Ook zijn onderwerpen, op enkele uitzonderingen na, zooals bijv. De Leidsche beestenmarkt bewegen zich meestal in een klein veld. Hij zoekt zich in te leven in het intieme leven en dat weer te geven. Hij zoekt zijn gegevens in den werkman, bezig zijn ambacht uit te oefenen, hij weet met nauwkeurigheid en liefde zijn model te bestuderen en geeft in schilderij of teekening een eigen opvatting, ook in het kiezen van onderwerpen aan.” 

Tony Offermans

Du Rieu stelt verder dat het vooral de karakteristieke en technische voortreffelijkheid is waarmee Offermans gezichten schildert, die zijn werk kenmerken. In een noot voegt Du Rieu nog toe: “Over het algemeen treffen in de stukken van Offermans de mooie behandeling van de koppen van de figuren. Offermans zou, indien hij zich meer in die richting bewoog, een goed portretschilder zijn. Voorbeelden hiervan zijn mij bekend, onder anderen de drie portretten uit het geslacht Scheurleer.” (Bron: Elseviers Geillustreerd Maandschrift, Jaargang 9, Deel 18, 1899 juli-december)

Voor mij is dit een opmerkelijk gegeven want in een van de veilinghuisdocumenten noemt Mien alleen Tony Offermans als haar leraar. Misschien geeft ze daarmee wel aan dat Offermans voor haar de belangrijkste leraar is geweest. Mien heeft ook les gekregen van anderen. In de database van de RKD worden Sieger Baukema en Martinus Wilhelmus Liernur genoemd. Van Baukema heeft zij dan waarschijnlijk in haar jonge jaren les gekregen op de HBS of op de Tekenschool in Deventer. Maar dat zal ik later nog onderzoeken. Ook moet ik nog uitvinden waar en wanneer Mien les heeft gekregen van Liernur. 

De Klompenmaker van Tony Offermans

Van de werken van Mien die ik nu ken en de meeste daarvan zijn pastelportretten, valt dan vooral haar portrettechniek op. Zij werkt daarin vrijwel uitsluitend met pastelkrijt en bereikt vaak een uitbundige en toch ingetogen kleurenrijkdom. Mien heeft beslist een grote kwaliteit in het maken van portretten. Ik wijs hier graag op misschien wel het bekendste portret dat Mien heeft gemaakt namelijk het portret van haar vriendin Christine Abigael van der Willigen. Het portret bleef ook niet onopgemerkt. Zo lees ik in Elseviers Geillustreerd maandschrift (Jaargang 40, Deel 79, 1930 januari-juli) dat … “terwijl ik dan onder den grooten voorraad andere portretten alleen nog wil noemen het frissche, levende crayon-portret van Mej. Van der Willigen door W. Marchant …” Deze recensie is geschreven door Elsevier mederwerker A.E van der Tol. Het betreft hier een tentoonstelling van de leden van St. Lucas in het Stedelijk Museum in Amsterdam: “Vier zalen vol en dan nog een ‘extra’ zaal met portretten van kunstenaars, zelfportretten en portretten door collega’s …” 

Bron: 1923, Alb. Plasschaert

In mei 1930 vond in de kunstzaal van Hamdorff een eretentoonstelling plaats voor de toen 80 jarige kunstschilderes Christine Abigael van der Willigen. Naar ik aanneem zal Mien Marchant ook aanwezig zijn geweest bij het feestdiner waarbij veertig personen aanzaten. 

Ik ben benieuwd in welk jaar Mien het portret van haar vriendin heeft gemaakt. In 1910/1911 woonde Mien na haar vertrek uit pension ‘Gods Zorg’ aan de Molenweg en voor dat ze haar ateliervilla ‘De Hazelaar’ aan het huidige Mauvezand betrok:
“… bij C. van den Brink aan het Zevenend. Naast tapijtfabriek van den Brink & Campmann, waar nu de appartementen Vredenburgh staan. C. van den Brink is: Cornelis van den Brink. Hij was tapijtfabrikant en getrouwd met Maria Wilhelmina Reijnders. Van een pension is mij niets bekend. Maar in die tijd had men vaak meerdere inkomstenbronnen en het ging slecht met de tapijtindustrie.” (Bron: Yvonne Majoor)

Chris van der Willigen woonde samen met kunstschilder Christina van Pesch (1873-1947) toen letterlijk op een steenworp afstand in de monumentale en beroemde dubbele ateliervilla (nu rijksmonument) aan de Oude Kerkweg 45 (nu nr. 10 en 12) die in hun beider opdracht in 1906 was gebouwd. Misschien kenden Mien en Chris elkaar al in die jaren. Chris van der Willigen overleed op 1 augustus 1931.

Bovenstaande tekst is een van de sleutels die nog in mijn sleutelkastje van Mien Marchants ‘Huis van haar leven’ liggen. Welke deuren kan ik met deze en andere sleutels ontsluiten? 

Woonhuis/Tapijtfabriek C. van den Brink aan het Zevenend

Men kan zich afvragen hoe Miens jeugdjaren er uit hebben gezien, sloot zij hechte vriendschappen, waarom is zij nooit getrouwd, deelde zij de levensvisie en het politieke gedachtegoed van haar broer, ging ze ter kerke, waarom werkte Mien zo graag met pastelkrijt, was dat in die tijd gebruikelijk, wie deden dat nog meer, hield Mien van reizen en deed ze dat ook vaak? Reisde ze misschien mee met Van der Willgen, wat waren de omstandigheden rondom haar dood? Heeft u misschien ook een sleutel die u mij wilt overhandigen? 

Bronnen: Rijksbureau voor Kunsthistorische documentatie (RKD, Den Haag); Laarder courant De bel; De Valk Lexicon; Gelders Archief, Arnhem en Elseviers Geïllustreerd Maandschrift.

Met dank aan: Historische Kring Laren; Philip Dorant; Yvonne Majoor; Fred de Gooijer en Derk de Gooijer.