Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

De Hongerwinter 1944-’45 en de barones van Laren

De Hongerwinter 1944-’45 en de barones van Laren

Ik heb de oorlog niet meegemaakt, geboren in 1948. Echter de verhalen werden - vooral door mijn moeder – vaak verteld. Steeds ging het over kou en te weinig eten. Eten van de gaarkeuken en wat mijn vader en buurman Siefers op hun ‘hongertochten’ naar het onbekende hadden bemachtigd. Met een handkar trokken zij te voet naar het verre Dedemsvaart. Dat was een van de eerste plaatsnamen die ik als kind in me opnam: Dedemsvaart! Dáár woonden de liefste mensen van Nederland, dáár kreeg mijn vader voedsel.

Cees van Rosmalen

In Noord Nederland was nog voldoende voedsel, maar door bevroren water en de spoorwegstaking kwam het niet naar het westen. Gek genoeg heeft mijn vader er nooit echt iets over verteld. De trots die mijn moeder over zijn tochten uitsprak, onderschreef hij in mijn herinnering nooit. Ik heb later bedacht, psychologie van de koude grond, dat hij zich er wellicht min of meer voor schaamde. Niet kunnen zorgen voor een gezin met vier kinderen en moeten bedelen om te overleven.
Het feit dat ze met twee man op reis gingen had twee redenen. De eerste was, je had aanspraak en ondersteuning met elkaar, de tweede was er moest worden overnacht. Ze waren niet de enigen die op hongertocht waren. Er waren  door het Rode Kruis overnachtingsmogelijkheden verzorgd. Maar daar moesten ze om beurten waken over hun buit. In Kampen hadden ze een boer gevonden waar ze mochten overnachten, voor de oversteek over de IJssel of op de terugweg. Dat, vertelde hij mij ooit, waren prachtmensen, ze kregen brood met spek en mochten op de hooizolder slapen. Daar is hij dus vier keer geweest, op de heen en de terugreis. Via het verzet had hij een vervalst persoonsbewijs. Mannen boven de 40 jaar waren vrijgesteld van tewerkstelling in Duitsland. Hij was geboren in 1906, dus dat werd een vroeger jaartal, welke weet ik helaas niet, maar het is gelukt.

Regina van Rosmalen – Aartsen-Tuyn (11-11-1909–21-3-1989) en Jacobus van Rosmalen (6-4-1906–6-8-1987); foto ± 1982.

Tijdens een van die tochten was moeder thuis en had op dat moment echt niets meer. Ze heeft dat verhaal meerdere malen aan mij verteld. Oom Toon, de jongste broer van mijn vader, was op bezoek, hij woonde in Hilversum en zat met hetzelfde probleem: geen eten. Tijdens zijn bezoek parkeerde er een auto op het pleintje voor de woning op de Kloosterweg. Een Ericawoning op nummer 29. Een vrouw bezorgde een voedselpakket en op de vraag van mijn moeder “van wie?” antwoordde zij “van een goede gever”. Moeder was niet streng gelovig, maar dit kon ze maar op een manier uitleggen, dit is de hand van God. Dat juist op dit moment dat pakket werd bezorgd, met een zwager erbij die het ook niet meer zag zitten, het kon niet anders. De inhoud werd gedeeld en ome Toon ging als een gelukkig man naar huis. Toen mijn vader een aantal dagen later thuiskwam van zijn tocht, bleek een gedeelte van zijn gescoorde aardappels bevroren te zijn. Dat kon er nog wel bij. Maar toch, ze overleefden, mede door het bezit van drie geiten. De geit was de koe voor de arbeider, een spreuk die is ontstaan in de crisisjaren voorafgaand aan de oorlog. Dat leverde melk op, waardoor mijn zus die in 1943 werd geboren als een stralende kleuter de bevrijding vierde.
Wat ik er wel bij moet vermelden is het feit dat die geiten met hulp van Larense inwoners in leven konden blijven: solidariteit.

‘Het zwijgen van Laren’ uit Vrij Nederland door Jeroen Terlingen; 19-10-1991. Het artikel van 9 pagina’s is in de Lindenhoeve inzichtbaar.

Maar nu dat voedselpakket van ‘de hand van God’. De goede gever werd bekend, en wel door een artikel in Vrij Nederland van journalist Jeroen Terlingen. De barones van Laren met haar Joodse onderduikers verhaalt over een kwestie in Laren. Ik ga verder niet in op het artikel maar wel las ik daar dat de bewuste barones in die winter 3500 voedselpakketten had rondgestuurd. Of het er werkelijk zo veel zijn geweest, betwijfel ik, maar toch: de ‘hand van God’ werd geopenbaard. Het artikel verscheen in oktober 1991 en mijn moeder was in 1989 overleden. Helaas bezit ik geen lijntje om het haar alsnog mede te delen. Voor haar blijft het dus de ‘hand van God’, het zij zo.

Wat wellicht ook nog aardig is om te beschrijven, ik ben toch met honger en voeding bezig, is het volgende. Op 6 april was mijn vader zijn verjaardag. Als cadeau hadden de kinderen bedacht, eten. Mijn broers, Piet 11 jaar, Henk 10 jaar en mijn zus Coba 6 jaar gingen zowat alle boerderijen in Laren en Eemnes af en kwamen zowaar met 21 sneeën brood en nog wat artikelen thuis, het was het mooiste cadeau in zijn hele lange leven.

Tot slot, dit verhaal is meest uit tweede hand. Ik ben altijd heel nieuwsgierig gebleven maar heb toch te weinig gevraagd. Blij ben ik dat ik al die ellende niet heb mee hoeven te maken maar soms toch een beetje jaloers op mijn broers die het redelijk bewust hebben meegemaakt. Honger hebben we daarna gelukkig niet meer meegemaakt, en laat dat in Godsnaam voor de toekomstige generaties zo blijven.