Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

De Sint-Jansverering in een Sint-Vitusparochie voor 1580

De Sint-Jansverering in een Sint-Vitusparochie voor 1580

De maand juni is traditioneel de maand van de Sint-Jansprocessie in Laren. Het leek me gepast om eens terug te komen op het artikel ‘De Sint-Vituskerk op het Sint-Janskerkhof te Laren’ van Harry van der Voort 1). Zijdelings was ik betrokken bij dit artikel. We beseften dat we een gevoelig punt raakten. Er is zelfs gevraagd of wij wilden beweren dat de basiliek gewijd zou moeten zijn aan Sint Vitus. Dat was natuurlijk noch aan de orde, noch de bedoeling. Mij heeft al die jaren wel bezig gehouden de vraag ‘Hoe verhoudt zich de verering van Sint Jan tot de patroonheilige van de oude Sint-Vituskerk op het Laarderhoogt, c.q. het kerkhof?’ Ik denk een mogelijke verklaring te hebben gevonden in de onderbelichte heiligenvereringen in de Middeleeuwen, maar eerst nu in dit deel de stand van kennis.

Jaap Groeneveld

Deel 1: Wat we weten uit de bronnen (1306-1569)

De Sint-Vituskerk op het Hoogt
We weten dat er al in 1306 een kerk was in Laren en dat die op het Laarderhoogt, kortweg ‘het Hoogt’, stond, waar nu het Sint-Janskerkhof is. De kerk was toen de parochiekerk voor het zuidelijke deel van het Gooi, Hilversum, Laren en Blaricum. De kerk is naar schatting, op basis van gevonden stenen, gebouwd omstreeks 1250-1270. Er is geen gedocumenteerde informatie over de bouw, noch van het bestaan van een kapel als voorganger.
Verscheidene historici hebben zich in het verleden uitgeput in verklaringen waarom er een aan Sint Jan de Doper gewijde kerk op het Sint-Janskerkhof zou moeten hebben gestaan terwijl eigenlijk in het Gooi de kerken aan Sint Vitus werden gewijd, de heilige van de Gooise ‘landsheer’, de abdij van Elten. Daarbij ging het er vooral om de ouderdom van de Sint-Jansprocessie te bewijzen. Lambertus Hortensius had in 1564 als eerste zijn bijdrage hierin en stichtte verwarring.
Tot onze verrassing bleek dat er toch een Sint-Vituskerk op het Sint-Janskerkhof had gestaan. Kok ontdekte dat al in 1967 in zijn artikel ‘Zur Patrozinienforschung in den Nederlanden’, maar in het Gooi drong het niet echt door. Het is Van der Voorts verdienste dat hij dat breed onder de aandacht bracht, hoewel Palmboom dat in 1993 ook al terloops noemde. 2) In de Vaticaanse en Utrechtse bisschoppelijke archieven komen geregistreerde pastoorswisselingen van Sint Vitus in Laren voor in 1436, 1444 en 1530. Men kan daar gewoon niet omheen. 3) De suggestie dat de kerk op het Hoogt gewijd zou zijn aan Sint Jan omdat dat gebied daar zou hebben behoord tot de eigendommen van het Sint-Janskapittel is al door Palmboom naar het land der fabelen verwezen. In wetenschappelijke kringen is een en ander inmiddels wel geaccepteerd. 4)
Belangrijke uitgaven over de Sint-Jansprocessie, zoals die van De Vrankrijker e.a. en van Margry, 5) moeten dus met dit nieuwe inzicht gelezen worden. Helaas wordt dit inzicht zeven jaar later nog nauwelijks overgenomen op websites van de plaatselijke kerken en in lokale geschiedschrijving. Is dit op grond van niet willen accepteren of is het zich onvoldoende op de hoogte stellen en in plaats daarvan raadplegen van lang verouderde literatuur?

Het grootste deel van de tekst betreffende de problematische overdracht uit 1436 waarin Jacobus Tam, alias Lems, als pastoor in het bezit is gekomen met pauselijke toestemming van ‘de parochie ecclesia sancti Viti in Laren’ (zie 2e en 3e regel), na vrijwillige terugtrekking van Petrus Hagen (Archivo Segreto Vaticano).

De Sint-Janskapel in het dorp
De nu protestante Johanneskerk is pas in 1521 als kapel gesticht, terwijl de parochiekerk op het later zo genoemde Sint-Janskerkhof op het Hoogt van Laren stond, tot die in 1586-1587 werd afgebroken als overbodig voor de calvinisten. Bij de kerkvisitatie van 1569 werd geconstateerd dat de doopvont in de ‘parochiekerk’ (parochiali ecclesia) stond en het heilig sacrament in de ‘kapel’ (capella) bewaard werd 6), wat er op duidt dat in de praktijk de functies al als zodanig waren omgewisseld. Gewoonlijk en oorspronkelijk was het andersom; een doopvont in een kapel, dicht bij de mensen. Het is in dit verband belangrijk te benadrukken dat tijdens de kerkvisitatie werd gerept van patroonheiligen van kerk noch kapel, van Sint Vitus noch Sint Jan. Wel werd een officie van Sint Anne genoemd en de kerkbestuurders hadden moeite om daarover nadere gegevens te verstrekken.

Fragment van de ‘Ronde kaart van het Gooi’, omstreeks 1520 (coll. Nationaal Archief, VTH-2580). In het midden het dorp Laren met alleen de kerk op het Hoogt.

Het Sint-Janskerkhof kreeg volgens oude kaarten pas in de zeventiende eeuw, toen de kerk al was afgebroken en al veel langer de Johanneskerk in de praktijk de dorpskerk was, deze naam via de aanduiding ‘Sint Jan te Laren kerkhoff’. We lezen dat als ‘kerkhof (=begraafplaats) behorend bij de Sint-Janskerk in het dorp Laren’. We zien die richting al in 1564 bij Hortensius hierna. Er zijn geen harde bewijzen, maar wel indirecte aanwijzingen dat de kapel in het dorp gewijd was aan Sint Jan.
Van der Voort tracht te verklaren waarom de Johanneskerk in 1521 gewijd werd aan Sint Jan. Die uitleg is voor zijn rekening en daarin zitten nog wel een paar onzekerheden die hij overigens zelf ook aangeeft. Een vaststaand gegeven is dat er met betrekking tot de benoeming van de pastoor van de Sint-Vituskerk van Naarden, die de moederkerk van Laren was, tussen het Kapittel van Sint Jan en de Abdij van Elten al voor 1100 een regeling was voor het om beurten benoemen van de persona. De persona was ‘de pastoor in naam’ met alle rechten en inkomsten voorvloeiend uit het bezit van het ambt, die een plaatsvervanger aanstelde (vicarius) voor de dagelijkse zielenzorg en die doorgaans ‘de pastoor’ werd genoemd. 7)
Dat de wijding van de kapel te maken heeft met deze relatie tot het Sint-Janskapittel ligt voor de hand, maar het is niet zeker. Dit kapittel bestond uit de kanunniken behorend tot de Utrechtse Sint-Janskerk, die rond 1050 was gesticht door bisschop Bernold en oorspronkelijk was gewijd aan Sint Jan de Doper (Johannes Baptista). Niettemin is ook wel eens wijding aan Sint Jan de Evangelist verondersteld. 8) Sint Jan de Doper en Sint Jan de Evangelist zijn in het algemeen nogal eens met elkaar verward op dusdanige wijze dat de clerus het soms zelf ook niet meer wist. Sint Jan de Doper werd alom vereerd, ook in plaatsen waar het kapittel niets mee te maken had. We gaan met Margry mee om de Larense verering te zoeken in de middeleeuwse heiligendevoties die opkwamen in de veertiende en vijftiende eeuw. 9)

Sint-Jansverering
De oudste getuigenis van iets wat te maken heeft met de Sint-Jansvering in Laren is die van Lambertus Hortensius uit 1564 in zijn Chorographia en die blijkt uit: 10)

Territus his monstris et relligione colonus
Tactus, in excelso condidit inde iugo,
Pro re pauper opus, nullo splendore sacellum
Baptistae divo relligione sacrum.
Instituit Nymphas sparis per colla capillis
Ferre duas signum Virginis almiparae.
(…)
Septima ubi illuxit curru subvecto Calendas
Iulii, in aprico Bacchica sacra cient.
Undique colluvies venit huc vesana iuventae.
Baptista et divo Panica sacra ferunt,

De heer Boekelman te Laren was zo vriendelijk dit te vertalen met: 11)

Verschrikt door deze wondertekens en door godsdienst
Bevangen de bewoners daarom sticht op grote hoogte,
Naar omstandigheden een pover werk, een kapel zonder luister
Door goddelijke religie gewijd aan de Doper.
Hij regelde dat jonge vrouwen, de haren verstrooid over de hals
Twee beelden droegen van de zegebarende Maagd.
(…)
De zevende dag van [vóór] de Kalender van Juli [= 24 juni] verlicht,
Gaan zij naar de plechtigheid van Bacchus.
Overal vandaan komt hierheen een wild mengelmoes van jeugd.
Zij dragen een aan de Doper en de godheid gewijde pluim,

Er staan in deze tekst een aantal zaken die in verband met dit artikel van belang zijn: (a) de vertaling van sacellum in kapel, (b) zowel het vereren van Johannes de Doper als Maria en tot slot (c) de feestvierende jeugd.
Om met het laatste te beginnen, Sint-Jansfeesten waren wijd verbreid in Europa. Als tegenhanger van Kerstmis, het feest van het komende licht, werd ook midzomer of de zonnewende (21 en 22 juni) gevierd. Het werd wel als tweede belangrijke kerkelijk feest ‘Kerstmis van de zomer’ genoemd. Als oorspronkelijk heidens feest werd het eveneens gekerstend en aan een passende heilige gekoppeld: Johannes de Doper. De heidense elementen ter ere van de oogstgod bleven bewaard, zoals het versieren van het hoofd met bloemen en pluimen. In de zeventiende eeuw werden nog de huizen versierd met bloemen.

Jules Adolphe Aimé Louis Breton, ‘La Fête de la Saint-Jean’, ca. 1875, olie op doek, 34,3 x 61,3 cm (John G. Johnson collection, Cat. 906, Philadelphia Museum of Art).

Jongelui trokken gearmd door de straten. Een ooggetuige uit 1606 meldde dat men zong en danste en ‘ijdelijcke liedekens’ zong. Met Sint Jan mochten vrouwen een vrijer uitzoeken, die zij hun Sint Jan noemden. Bredero dichtte erover en liet Bouwen Langhlijff vertellen over zijn ontmoeting met Sinnelijcke Nel van Gooswegen:

So haest als zij mijn sach,
So stong ick huer wel an
Want sij riep, int volle seltscip:
Dit is mijn eyghen Sint Jan.

Een ander heidens element van het Sint-Jansfeest vormen de vreugdevuren, die nog plaatsvinden in bijvoorbeeld Frankrijk – Feux de la Saint-Jean – en nog wel in sommige Nederlandse plaatsen. Als een jeugdig koppel samen over het vuur sprong, dan was hun verbintenis voor eeuwig verzekerd. 12) Als vruchtbaarheidsritueel is een en ander heel goed te plaatsen. Negen maanden later in de lente kon nieuw leven ontspruiten na in beslotenheid te zijn gegroeid. De kerstening maakte dat de viering stimuleerde naar innerlijke verdieping, zoals de natuur na uitbundige bloei weer in zichzelf terugkeert om daarna weer op te bloeien. De persoon van Johannes de Doper, die een half jaar voor Jezus van Nazareth was geboren, trok zichzelf terug na Jezus gedoopt te hebben om Hem als de Christus te laten bloeien.
Dat in Laren de Sint-Jansverering zo belangrijk was, is te plaatsen in de agrarische context die sterk aan de seizoenen en de natuur is gebonden. Laren was de centrale plaats van de tweede Gooise parochie die ontstond sinds de afscheiding van die van Naarden in waarschijnlijk het midden van de dertiende eeuw.

Verwarring over kerk of kapel, Sint Vitus vergeten
Net als bij de kerkvisitatie in 1569 blijkt Hortensius de oude kerk te beschouwen als kapel (sacelli, sacellum), maar dan aan Sint Jan de Doper gewijd, zoals we eerder zagen. Hij schrijft ook: Baptistae sacrum vasto sublime recessu / Ista Larinates alta sepulchra tenent. Boekelman vertaalt dit met: ‘Gewijd aan de Doper, hoog door uitgebreide afgezonderde ligging / De Laarders hebben deze hoogte voor graven’. Uit de tekst blijkt verder dat deze ‘kapel’ in vervallen staat verkeert.
Dat blijkt ook uit een brief van Larens schout Garbrandt Roloffz Ketel aan de toenmalige heer van Nijenrode als erfmaarschalk van Gooiland. 13) Dat was de Rooms-katholieke edelman Floris van den Boogaard (Bongard; ca. 1526-1602). 14) De brief rept echter van ‘onse capelle [die] seer benaut staet tusschen die huyse’, dus in het dorp. Hij moet zijn geschreven voor 1580. Er was nog sprake van reparatie van de vervallen kerk, terwijl er blijkbaar geen behoefte was aan twee gebouwen. Na 1580 kwamen de katholieken er heimelijk samen en er werd inmiddels heftig weerstand geboden tegen de door de Staten gevorderde afbraak.

De voor katholieken vriendelijke baljuw P.C. Hooft schrijft in 1618 in een terugblik dat Laren ‘benevens de Parochykercke op de hooghte staende, noch was gerieft met een zeer schoone Capelle, (…) in den Dorpe gesticht.’ 15) Heel verwarrend dus, maar bij de autoriteiten was blijkbaar nog bekend hoe het precies zat met de verhouding kerk en kapel, maar over Vitus wordt net als bij de visitatie van 1569 ook hier niet meer gerept. We blijven zitten met de vraag waarom Hortensius en de kerkbestuurders in 1564 en 1569 het gebouw op het Hoogt als kapel omschrijven.
Michielse suggereert dat Hortensius sacellum gekozen kan hebben voor het zinsritme in zijn Latijnse vers en dat hij het mogelijk heeft over een kapel in of naast de kerk gewijd aan Sint Jan. 16) Hoewel dat laatste me in zekere zin wel aanspreekt om in deel 2 duidelijk wordende redenen, heb ik toch moeite hierin mee te gaan omdat in 1569 de oude kerk ook capella wordt genoemd, terwijl de lokale kerkbestuurders dan ook moeite hebben andere informatie aan te leveren; collectief geheugenverlies?
In het licht van het feit dat er in 1530 een pastoorswisseling was met verwijzing naar Sint Vitus in Laren, 17) is het niet goed voorstelbaar dat in 1564 deze patroonheilige al helemaal vergeten was. Het beschouwen van de oorspronkelijke aan Sint Jan gewijde kapel in het dorp als parochiekerk leidt eigenlijk naar de gedachte dat de parochie daarmee in de beleving Sint Jan als schutspatroon lijkt te hebben aanvaard zonder dat daar een officiële grond voor was. In deze context is het niet verwonderlijk dat Hortensius, als in Naarden neergestreken buitenstaander, verwoordt wat hij blijkbaar plaatselijk aan informatie heeft verzameld. Zijn informanten – dezelfden als degenen de in 1569 rapporteerden? – waren blijkbaar Sint Vitus wel al vergeten en hij is waarschijnlijk daardoor op het verkeerde been gezet wat betreft de patroonheilige.
In 1719 was in elk geval de zaak van de patroonheilige wel beklonken. Toen werd opgetekend dat de parochie Sint Jan de Doper als patroon heeft terwijl het Sint-Janskerkhof ‘van ouds en tegenwoordig noch zoo vermaard door de menigvuldige bevaarten der katholijken’ is. 18)
Opvallend is het gegeven dat Hortensius Sint Jan koppelt aan de kapel, wat op zich juist is als men afziet van de plaats van de kapel. Iemand of hijzelf kan de klok hebben horen luiden, maar niet precies geweten hebben waar de klepel hing. Men lijkt te hebben onthouden dat de kapel gewijd was aan de Sint Jan, mede door de viering van zijn feest. De kapel in het dorp had inmiddels de hoofdrol gekregen, quasi als dorpskerk, en kerk op het Hoogt de bijrol, quasi als kapel. Hortensius verhaal is zo de opmaat geworden naar de eeuwige verwarring, de schier onuitroeibare misvatting en de traditie ‘dat er een Sint-Janskerk op het Sint-Janskerkhof’ stond.

J. Stellingwerf, ‘der Roomsgezinden Bevaard in het koorn te Laren op Sint-Janskerkhof’, tekening ca. 1730 (coll. Museum Hilversum).

Het kerkhof als geheiligde plaats
Het kerkhof op het Hoogt met de oude Sint-Vituskerk heeft in 1564 niettemin een centrale plaats met betrekking tot de viering van het Sint-Jansfeest. Ook persoonlijke bedevaarten of ommegangen naar het kerkhof tot ver na de Reformatie, tot ergernis van de calvinisten, duiden daarop. 19) Het is niet uitgesloten dat daarbij ook andere heiligen aan bod kwamen, zoals we zagen met de twee rond gedragen Maria­beelden.
Die centrale plaats is niet zo vreemd, want in de christelijke geloofsbeleving sinds de zesde eeuw vormden het kerkhof en de kerk samen de ‘gemeenschap van de levenden en de doden’ rond het (hoofd-)altaar, met zijn relikwieën van en gewijd aan een martelaar of heilige. Hier was de aardse gemeenschap van gelovigen verbonden met de doden in de hemel, met de heiligen en met Christus de Verlosser, God. Hier vormden de levenden en de doden één lichaam met Christus. Het kerkhof met de kerk werd zo een geheiligde plaats. Dat verklaart naar mijn mening ook waarom het Heilige Sacrament niet uit de oude kerk op het Hoogt werd verplaatst naar het bedehuis in het dorp. Hoewel er geen sprake was van een processie ten tijde van Hortensius, is de gewoonte om naar het kerkhof op het Hoogt te trekken gebleven, ook toen er geen kerk meer stond. Ondanks dat er een Vituskerk stond was de Sint-Jansverering er in 1564 al prominent aanwezig. In deel 2 zullen we de algemene laatmiddeleeuwse context onderzoeken waarin de Sint-Jansverering zich afspeelde, hoe dat in Laren tot uiting kan zijn gekomen en hoe dat schaarse wat we weten of wat ervan over is daarin past.

Literatuur bij deel 1
P.J. Margry, ‘Larense mythologie en de vroege Sint Janscultus’, in: L. Janssen, K. Loeff (red.), Getuigenis op straat, de Larense Sint Janstraditie, Laren 2005.
H. Michielse e.a., Geuzen en Papen, Katholiek en protestant tussen Vecht en Eem circa 1550-1800, Hilversum 2013. In het bijzonder daarin: H. Michielse, ‘Van de Cultus der demonen tot het onderhouden van de Ware God – (…)’, p. 51-68;
F.A.L. Ridder van Rappard en S. Muller, Verslagen van kerkvisitatiën in het bisdom Utrecht uit de 16e eeuw, Amsterdam 1911.
H. van Rijn, Historie ofte Beschryving van ’t Utrechtse Bisdom (…)’, Leiden 1719.
H. van der Voort, ‘De Sint-Vituskerk op het Sint-Janskerkhof te Laren’, in: Tussen Vecht en Eem, 28 (2010) nr. 1, p. 20-32.
A.C.J. de Vrankrijker, G. Smit, Sint Jan – De Sint Jansprocessie van Laren in het Gooi, De ontwikkeling van Sint Jansfeest tot sacramentsprocessie, Laren 1952.

Noten
1) Tussen Vecht en Eem, 28 (2010) 1, p. 20-32; verkorte versie in: Kwartaalbericht van de Historische Kring Laren, nr. 124 (2014), p. 20-24.
2) E. Palmboom, ‘De Gooise koptienden, tiend of tijns?,’ in: Tussen Vecht en Eem, 11 (1993) 4, p. 188-195. Haar verwijzing naar de derde bewijsplaats hieronder m.b.t. 1530 blijkt daarin onjuist.
3) Respectievelijk: Citta del Vaticano, Archivio Segreto Vaticano, Register Supplicationum, Vol. 322, fol. 204-204v; id., Cam. Ap., Annatae, Vol. 9, fol. 176; Het Utrechts Archief, Archief van de Bisschoppen van Utrecht,
inv.nr. 5119, fol. 8.
4) Zie o.a. P.J. Margry ‘Laren, H. Jan (Johannes) de Doper’ op: http://www.meertens.knaw.nl/bedevaart/bol/plaats/422, 12-2-2017.
5) De Vrankrijker & Smit (1952), Margry (2005).
6) Van Rappard e.a., p. 407: ‘Dixit fontem baptismalem in parochiali ecclesia ess; sacramenta vero in capella conservari.’
7) latium.nl.
8) E.N. Palmboom, Het Kapittel van Sint Jan te Utrecht – Een onderzoek naar de verwerving, beheer en administratie van het oudste goederenbezit (elfde-veertiende eeuw), Hilversum 1995, p. 19-21.
9) Margry, p. 25.
10) De Vrankrijker, e.a., bijlage A, p. 104-107.
11) Op verzoek in 2015 vertaald om te vergelijken met de niet altijd correcte vertaling van Peerlkamp die is overgenomen door De Vrankrijker (1952). Boekelman is dicht bij de originele tekst gebleven zonder interpretaties zoals Peerlkamp deed.
12) www.beleven.org/feest/sint_jan; Michielse wees me hierop.
13) J.A. de Rijk, Wandelingen door Gooi- en Eemland, Hilversum 1905 (herdruk Arnhem 1967), p. 50.
In deze onbetrouwbare geschiedschrijving wordt de brief wel als authentiek beschouwd.
14) P.H. Bogaard, ‘Van den Bongard’, in: Oud Utrecht, p.161-205.
15) De Vrankrijker e.a., p. 55, verwijzend naar Hoofts Brieven, ed. Brill, brief no. 76, 29 Juni 1618.
16) Opmerking
d.d. 29 januari 2017.
17) Het Utrechts Archief, Archief van de Bisschoppen van Utrecht,
inv.nr. 5119, fol. 8.
18) Van Rijn, p. 397.
19) Margry, p. 28.