Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

De brinken van Laren (1)

De brinken van Laren (1)

Naar aanleiding van de discussie in Laren in 2014 over de vraag ‘Wat te doen met de Brink?’ leek het de redactie van Kwartaalbericht een goed idee om de historische achtergrond van brinken en brinkdorpen eens bij haar lezers onder de aandacht te brengen, zonder zich overigens in een politieke discussie te willen mengen. De redactie had er lucht van gekregen dat de auteur zich verdiepte in het fenomeen ‘brink’ op de Utrechtse Heuvelrug en het Gooi, zodat hem gevraagd werd dat te doen.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 133 [2015-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Jaap Groeneveld

Deel 1: Historische achtergrond van esdorpen in het algemeen

Er blijken veel historische misverstanden of gedateerde ideeën over brinken en brinkdorpen te bestaan. In de laatste decennia zijn nieuwe inzichten over Drentse esdorpen ontstaan die ook voor Laren van belang kunnen zijn. De vraag leidde tot een zoektocht naar informatie die gaandeweg meer vragen dan zekerheden opleverde. Hier volgt een momentopname in deze niet beëindigde zoektocht.
Deel 1 zal zich richten op de algemene nederzettingsgeschiedenis en het ontstaan van esdorpen, zoals Laren er één is.
Deel 2 zal zich daarna richten op het ontstaan van brinken en Laren meer in het bijzonder, waarna deel 3 de recente geschiedenis van de laatste twee eeuwen behandelt.

Verwrongen beeldvorming
Bij het ‘grote publiek’ leeft in het algemeen het idee dat een brink het centrale dorpsplein is van waaruit een brinkdorp is gegroeid. Echter, het is het eindresultaat van een eeuwenlange evolutie, die anders in elkaar blijkt te steken. Het fenomeen ‘brinkdorp’ is nergens zo diepgaand bestudeerd als in Drenthe. Orvelte is algemeen bekend, maar ook andere dorpen mogen er met nog meer recht zijn, zoals Oud-Aalden en Borger, om een paar te noemen. Op en rond de Utrechtse Heuvelrug komt men ook brinken tegen, waarvan die in het Gooi het meest overeenkomen met de Drentse brinken. Die van Laren en vooral Muiderberg zijn daarvan het best bewaard gebleven; om zuinig op te zijn dus. Die van Baarn, Bussum en Hilversum zijn daarentegen zwaar verstedelijkt of praktisch verdwenen.

Boerderij- of huisbrinken in Meppen (Drenthe) in particulier bezit, aan het begin van de straat Brinken op de achtergrond, terwijl het dorp ook een dorpsbrink kent (foto auteur).

Het algemene beeld is dat de ontwikkeling van de brinkdorpen in het Gooi niet anders was dan in Drenthe. In de vakliteratuur wordt overigens tegenwoordig de term esdorp gebruikt. Hoewel op de Utrechtse Heuvelrug en in het Gooi de essen eng worden genoemd, gebruiken we daarom ook voor het Gooi de term esdorp. Brinkdorp en esdorp zijn echter niet volledig synoniem, want er zijn ook esdorpen zonder brink. Ze komen alleen voor op de zandgronden en stroomruggen. De toponiem brink komt alleen voor boven de grote rivieren, als ‘dorpsplein’, maar ook als weiden.

De beeldvorming ten aanzien van de esdorpen is een eeuw lang – van pakweg 1880 tot 1980 – gedomineerd door historisch-geografen, die uitgingen van het landschap en dat anachronistisch extrapoleerden naar de prehistorie. De eerste historisch-geografen zouden daarbij niet geheel vrij zijn geweest van romantische beeldvorming. Hun opvolgers zouden die beeldvorming wetenschappelijk hebben gelegitimeerd en daarbij ideaalbeelden hebben gecreëerd ten aanzien van hoe esdorpen er idealiter uit zouden moeten zien, waarbij de brink in het centrum zou moeten liggen. Dat ging zelfs zo ver dat wat niet aan die typologieën voldeed, zowel in Drenthe als elders, als ‘onvolmaakt’ of ‘verworden’ werd beschouwd: ‘gemankeerde esdorpen’ dus.

Een fraai voorbeeld van hoe zoiets kan ontsporen is Orvelte. Toen daar in de jaren zestig het dorp moest worden omgevormd tot museumdorp en er geen brink in het midden lag, heeft men op een plaats waar nooit een brink was, de huidige brink aangelegd. Hele generaties zijn via school, populaire publicaties en toeristische informatie opgevoed met deze beeldvorming, die Spek ‘het Drentse model’ noemt. Dit model veronderstelt een tamelijk statische ontwikkeling van de esdorpen vanuit enkele familiale boerderijen in de prehistorie op de huidige locaties.

Brink met Coeswaerde omstreeks 1905 (coll. Historishe Kring Laren).

Voortschrijdend inzicht
In de tweede helft van de twintigste eeuw werden er al vragen gesteld bij de juistheid van het model. Historici en archeologen vonden gaandeweg zaken die zich niet verhielden met het model. Spek heeft tenslotte het Drentse model met zijn imposante proefschrift ‘Het Drentse esdorpenlandschap’ in 2004 danig genuanceerd vanuit verschillende disciplines. Het blijkt dat het allemaal veel dynamischer was en dat pas sinds omstreeks 800 tot 1300 sprake is van honkvaste nederzettingen met intensivering van de akkerbouw en daarmee gepaard gaande investering in bemeste akkers. Verschillende factoren, zoals hydrologie, bodemerosie en afstanden tot nieuw in gebruik genomen gronden speelden daarbij een rol.
Vervloet, promotor van Spek, heeft op grond van de vernieuwde inzichten zijn bijdrage ‘Zandlandschap’ in Het Nederlandse landschap (2010) daarom grondig herzien.
In 1981 verscheen het waardevolle boek Brinkdorpen van Houting e.a. dat de nog bestaande Drentse brinken inventariseert. De achtergrondinformatie ervan leunt echter sterk op het Drentse model. In ‘Brinken in beeld’ (2007) hebben de auteurs het nog eens dunnetjes in een kleurenuitgave overgedaan met medeneming van de nieuwe inzichten; een fraaie aanvulling.

In het Larense geschiedenisonderzoek heeft de landbouwingenieur Van Tol in 1986 en 1987 in dit kwartaalblad interessante bijdragen geleverd. Verder ligt van hem in het Streekarchief te Hilversum een nooit uitgegeven manuscript voor een boek, ‘De brinken, de kampen en de eng van Laren’. Ook hij leunde daarin in algemene zaken sterk op het Brinkenboek en daarin aangehaalde literatuur en het Drentse model. Alsnog uitgeven zou dan ook weinig zinvol meer zijn.

Kaart 1: Twaalfde/dertiende-eeuwse vindplaatsen in de Wester- en Bussummerheide (uit: Wimmers en Van Zweden, 1992). Het gearceerde gebied duidt de nederzetting Hoog Laren volgens Van Tol aan; toegevoegd door auteur, evenals de teksten en de Banscheiding.

Gooise bewoningsgeschiedenis
Over de nederzettingsgeschiedenis van het Gooi vóór de late middeleeuwen is eigenlijk praktisch niets bekend, niettegenstaande dat Wimmers en Van Zweden in 1993 een belangrijk onderzoek deden op de Westerheide. Eerder zijn er archeologische opgravingen gedaan in grafheuvels en urnenvelden. We weten daardoor dat er al menselijke bewoning was, getuige de ca. 5000 jaar oude grafheuvels, onder andere de Zeven Bergjes op de Zuiderheide uit de Bronstijd (ca. 3000 tot 800 v. Chr.). Bepaalde vondsten leidden tot de definitie van de Hilversumcultuur (1800-1200 v. Chr.).

Volgens Koopman en Sevink, in hun publicatie over de stuifzanden bij de Laarder Wasmeren van dit jaar (2015), wijkt het Gooi ten aanzien van bewoningsgeschiedenis en daarmee samenhangende grond­erosie af ten opzichte van andere zandgronden. Het Gooi zou reeds veel vroeger relatief dichtbevolkt zijn geweest, als een eiland tussen uitgestrekte veengebieden. Neanderthalers kwamen er overigens ook al. In relatie tot de esdorpen liggen deze onderwerpen echter ver buiten het bestek. Een probleem is dat er nauwelijks of geen prehistorische en Vroeg-Middeleeuwse bewoningslocaties zijn gevonden (huisgronden), maar daarentegen grafheuvels en grafvelden, die op afstand lagen van de bewoningslocaties.

Noodgedwongen moeten we – onder voorbehoud – in algemene zin gebruik maken van recente inzichten die sterk op Drenthe zijn gebaseerd. Zowel Spek als Vervloet benadrukken dat het Drentse zandlandschap, evenals de ontwikkelingen op de zandgronden elders in Nederland, niet los kunnen worden gezien van een algehele Noordwest-Europese ontwikkeling. Er zijn grote overeenkomsten gebleken, maar er zijn ook zeker lokale verschillen, zoals ook Koopman en Sevink aangeven. Wat bekend is van de bewoningsgeschiedenis van het nabij Laren gelegen gebied proberen we te plaatsen in die algemene context.

Bewoning in de Bronstijd heeft een grote aantasting van het Atlantische loofbos op de hogere zandgronden veroorzaakt door de aanleg van brandakkers. Wegens het gemak van bewerken ging volgens Spek aanvankelijk de voorkeur uit naar lager gelegen leemarme dekzanden. Uitgeputte brandakkers veranderden in heidevelden, waarna door uitspoeling van mineralen de bodem nog verder verschraalde (podzolering). Aan het eind van de Bronstijd vond in heel Noordwest-Europa een reductie plaats van de bevolking, waarvan de oorzaken niet duidelijk zijn. Uitputting van de grond gekoppeld aan een nog niet gerealiseerde technologische sprong kan een oorzaak zijn. Hier en daar zou, na het verdwijnen van veel oerbos, bos zijn overgebleven of zich hersteld hebben. Plukjes bos en open plekken in het bos, die respectievelijk lo(o) en laar worden genoemd, gaven het landschap een half open aanzien.

Op de Bronstijd volgde de IJzertijd (600 v. Chr. tot 200 na Chr.) die een technologische vernieuwing inhield. In het Gooi vormen de complexen Celtic fields (raatakkers) op de Hoorneboeg en het mogelijk grootste prehistorische urnenveld van Nederland op de Aardjesberg de belangrijkste bewoningsbewijzen uit deze tijd. Het is in Drenthe aangetoond dat er tussen 500 en 50 v. Chr. een droogteperiode was, die mogelijk ook het Gooi trof indien die met het klimaat samenhing, maar daarover verschillen de meningen. IJzeren ploegschoenen aan het zogenaamde eergetouw (een oud type ploeg) maakte het mogelijk op vruchtbaarder klei- of leemachtige gronden te ploegen.
Of het Gooi geheel of gedeeltelijk is verlaten is niet duidelijk, maar Wimmers en Van Zweden (1992) zien op grond van de archeologische vondsten dat dit gebied in de periode van de Midden-IJzertijd tot de Vroege Middeleeuwen niet verlaten is geweest. Zij vermoeden dat de grafvelden zijn aangelegd op de tot heide verworden akkercomplexen, terwijl de nederzetting(en) ergens anders lag(en). Het blijft vooralsnog de vraag: waar?

Ontstaan van brink- en esdorpen
Niettemin, in de Laat-Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen (2e tot 7e/8e eeuw na Chr.) zochten familiegroepen waarschijnlijk opnieuw geschikte plekken om zich te vestigen. Aanvankelijk kozen zij toen daarvoor hoog gelegen locaties bij of in de bosranden op plateaus en stuwwallen. Er waren al grote arealen heide. Gunstige hydrologische omstandigheden, door bijvoorbeeld een leemlaag in de ondergrond (zoals ook aangetoond op de Aardjesberg), de hogere grondwaterstand door geringe verdamping via de bomen en op dat moment aanwezige voldoende (herstelde) vruchtbare bosgrond maakte vestiging blijkbaar (weer) mogelijk. Andere groepen waren mogelijk gebleven, waarover later meer.

Ook toen zouden eerst nog open plekken in het bos of de bosranden zijn gebruikt om een huiskamp te ontginnen. In het bos werden nog steeds brandakkers, kampen, ontgonnen die van tijd tot tijd braak bleven voor herstel van de vruchtbaarheid. In die tijd waren overigens de nederzettingen nog niet vast. Zo nodig verhuisde men naar een andere plek even verderop. De houten bebouwing had een beperkte levensduur en herbouw kon met hetzelfde gemak op een andere, betere plek plaats vinden, zoals dat ook waarschijnlijk in de tijd van de Celtic fields ging. Volgens Wimmers en Van Zweden zou in de Vroege Middeleeuwen kortstondig een prehistorische nederzettingslocatie in het zuidwesten van de Westerheide zijn gebruikt. Het Merovingische/Karolingische grafveld (7e/8e eeuw na Chr.) aan de Liebergerweg past in dit plaatje en het steunt de suggestie dat Hilversum toen al bestond.

Kaart 2: De zwervende nederzetting Peelo. De nummers 1 t/m 6 geven de locaties voor de Karolingische tijd, 7 t/m 9 de latere stabiliserende: 1 = 400-100 v.Chr.; 2 = 100 v.Chr-100 na Chr.; 3 = 100-200 na Chr.; 4 = 200-400; 5 = 400-500; 6 = 500-800; 7 = 800-1300; 8 =1300-1600; 9 = 1600-1800. Ontleend aan T. Spek, ‘Het Drentse esdorpenlandschap’. Hoogten toegevoegd door auteur.

Met de groei van de nog kleine familiale gemeenschappen en de navenant uitdijende akkercomplexen kon men op den duur niet meer gebruik maken van brandakkers (extensieve landbouw). Om uitputting tegen te gaan, ontwikkelde zich in de periode van de achtste tot elfde/twaalfde eeuw een ander landbouwsysteem, op basis van vruchtwisseling en verbeterde bemesting, die ongeveer samenvalt met de onderwerping aan het Karolingische bestuur.

De oudste kerkstichtingen in onze omgeving zijn die van Nederhorst den Berg (Werinon), die de moederkerk werd van die van Muiden (Amuthon), Loenen (Lona), Weesp (Wesopa) en het oudste in de zee verzwolgen Naarden (Naruthi). Hoewel dit de indruk wekt dat de centra daar lagen, zullen de Gooise dorpen er als gehuchten reeds zijn geweest, evenals verdwenen nederzettingen. De Vechtstreek was bezit van Friese hoofdmannenfamilies en voorouders van Liudger (742-809), die in 797 het klooster van Werden stichtte en o.a. Nardincklant daaraan schonk. Via de bisschop van Utrecht raakte dit gebied in bezit van graaf Wichman IV van Hamaland, die het schonk aan het adellijke jufferenstift dat hij 968 in zijn burcht op Hoog Elten stichtte. De bewoners in het gebied stonden aannemelijk in een horige relatie tot deze heersers. Belastinginkomsten (tijns en tienden) waren drijfveren om het gebied te laten ontwikkelen.

Wimmers en Van Zweden tonen op en rond de Aardjesberg en Lange Heul woonsporen aan in de vorm van oude putten (diepste 9 m!) en enkele paalresten. Zij onderzochten alleen de heide. De oude Larense engen, overigens nu grotendeels bebouwd, lagen buiten het onderzoeksgebied. Door Van Tol (1986) is op grond van historisch onderzoek naar kavelvormen en grondbezit duidelijk geworden dat juist ten oosten van het St-Janskerkhof vermoedelijk een kleine nederzetting heeft gelegen met circa acht boerderijen, waarbij de oude St-Vituskerk werd gesticht omstreeks de twaalfde eeuw. In deel 2 komen we daarop terug.

Waterbolk heeft aangetoond dat onder sommige Drentse essen Celtic fields liggen, die daarom een continue bewoning suggereren. Uit archeologische onderzoek is gebleken dat de oudste nederzettingen vaak niet in de huidige dorpskern liggen, maar juist in de es, c.q. eng. De nederzettingen zwierven door het gebied. Het verlaten huiserf, doordrenkt met mest en huisafval, werd toegevoegd aan het akkercomplex, terwijl de nederzetting geleidelijk opschoof of soms geheel werd verplaatst. Het voorbeeld van Peelo, waar een grote opgravingscampagne is geweest voorafgaande aan een uitbreiding van Assen, is illustratief. De stabiliserende nederzetting van na 800 na Chr. lag net boven de daar geldende kritische 10 meter hoogtelijn, dicht bij de vochtiger weidegronden (voormalige broekbossen) daaronder.

Veranderende (lokale) omstandigheden hadden mede verplaatsingen van de nederzettingen naar de plateau- en stuwwal­flanken in de Late Middeleeuwen (1000-1500) tot gevolg. Mestverzameling en intensivering van de bemesting, daaraan gepaard een groter belang van veeteelt, ging een wezenlijk onderdeel vormen in het proces. Het houden van rundvee zou aanvankelijk belangrijker zijn geweest dan schapenteelt, wat de behoefte vergrootte om dichter bij de lage gronden te wonen. Op grond van de twee oudste schaarbrieven van de erfgooiers uit 1404 en 1442 zou het op grote schaal houden van schapen in het Gooi zijn ingevoerd tussen die beide jaren, want alleen die van 1442 gaat in op het houden van schapen, dat alleen aan Hilversum en Laren was toegestaan. Tussen 1423 en 1428 werd de banscheiding tussen de heiden van Hilversum en Laren als wal aangelegd. Dat kan erop duiden dat het toen nodig was om conflicten over het begrazingsgebied op te lossen of te vermijden.

De ontwatering van het veen rond het Gooi vanaf de elfde eeuw door het ontstaan van de Zuiderzee, lager waterpeil in de Eem, maar vooral de ontginning van de venen rond het Gooi daarna in de twaalfde eeuw, moet gevolgen hebben gehad voor de grondwaterstand in de Gooise stuwwal. Daarna is de Aardjesberg voorgoed verlaten. Weiden op vochtige ondergrond kwamen verder af te liggen en putten moesten dieper worden. Allemaal lastig, dus een verhuizing naar of uitbreiding op een gunstiger gelegen locatie lag voor de hand. Verplaatsing van Hoog Laren naar het huidige Laren aan de andere lage zijde van de huidige eng past ook in dat beeld, hoewel oorlogsgeweld daarbij in 1478 een finale rol speelde.

In deel 2 gaan we verder in op de brinken van Laren en het ontstaan daarvan.

Literatuur
• E. Houting, K.R. de Poel, J.H.P. van der Vaart (red.), Brinkenboek – een verkenning van de brinken in Drenthe, Assen 1981.
• E. Houting, K.R. de Poel, H. Vrijer, Brinken in beeld; langs esdorpen in Drenthe, Groningen 2007.
• S. Koopman & J. Sevink, Zand in beweging – Over Goois stuifzand en stuifzandrestauratie, Huizen 2015.
• J.A.J. Vervloet, ‘Zandlandschap’, in: S. Barends e.a. (red.), Het Nederlandse landschap – Een historisch-geografische benadering, tiende herziene druk, Utrecht 2010, p. 132-161.
• Tussen Vecht en Eem, 28 (2010) nr. 1, waarin verschillende artikelen, over Liudger en de St.-Vituskerk te Laren.
• T. Spek, Het Drentse esdorpenlandschap – Een historisch-geografische studie, dissertatie, 3 banden, Utrecht 2004.
• T. van Tol, ‘De verdwenen nederzetting Laren bij het Sint Janskerkhof’, in: Kwartaalbericht Historische Kring Laren (NH), 5 (1986), no. 18/19, p. 59-100.
• W.H. Wimmers, en R. van Zweden, Archeologische en historisch-geografische elementen in een natuurgebied: antropogene achtergronden van de Gooise natuurgebieden, Wageningen 1992, SC-DLO Rapport 143.