Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Schaapherders in de fout

Schaapherders in de fout

In 1999 dook een, tot dan toe onbekende, kroniek op van de 18-eeuwse Scheepen (Schout) van Huizen Huizer schepen Lambert Rijcksz Lustigh. Het geschrift bestond uit 66 bladzijden, hoofdzakelijk door Lustigh gemaakte afschriften van allerlei akten.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 109 [2009-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Frans de Gooyer

In een van de zich daarin bevindende afschriften werd melding gemaakt van een gebeurtenis, die plaats vond op vrijdag 30 september 1718. Het had zich afgespeeld op de heide van de Gooise gemeenschap en de betrokkenen waren de Naarder magistraten contra twee schaapherders. 

Op genoemde vrijdag stuurde, de Naarder schout Gerrit Ganseb genaamd Tengnagel, vier van zijn dienders naar een plek ten oosten van het dorp Hilversum. Naar hem ter ore was gekomen was er weer eens een Stichtse (Streek in het westen van de provincie Utrecht.) schaapskudde Goois grondgebied binnengedrongen. De begrazing van de Gooise heide was echter uitsluitend voorbehouden aan de ongeveer 2000 schapen van de lokale Erfgooiers. De vier helpers van de schout kregen de opdracht de Stichtse herders met hun kudden op te brengen naar Hilversum.

In de buurt van de Hollandse Rading (Hollandse grens;) vonden ze twee onbekende herders met hun kudden.
Zij liepen direct op een van hen af. Bij het zien van de rakkers (helpers van de schout) floot deze herder op zijn vingers, zodat de hele kudde op hol sloeg, opgejaagd door de herdershond. In een poging de schapen tot staan te brengen, schoot een rakker op de hond. Hoewel het dier zwaar gewond raakte, trachtte het trouw zijn taak te volbrengen. Later bezweek het arme dier toch aan zijn verwondingen. De in woede ontstoken herder bedreigde de rakkers met zijn herdersstaf en dreef de kudde oostwaarts over de grens. Op Utrechts grondgebied aangekomen was hij veilig, het Naarder gerecht had daar geen bevoegdheid. De herder bleef daar dan ook rustig staan en begon tegen de rakkers te schelden. De scheldwoorden en vervloekingen bleken zo verschrikkelijk, dat ze niet in hun rapport mochten worden opgenomen.

Hierna begaven de rakkers zich naar de tweede illegale kudde. Deze herder zette ook de kudde in beweging en probeerde met zijn hond te ontkomen. Hij werd echter gegrepen en gedwongen met zijn dieren naar het dorp Hilversum te gaan. Aldaar werden ze in beslag genomen. De herder bleek een knecht te zijn van een zekere Willem Dirksz Smaldaat, de eigenaar van de schapen. Smaldaat werd gesommeerd in Hilversum te komen.

Inmiddels was daar ook de Naarder schout aangekomen, hij was bij de Gooise Justitie de hoogste gezagsdrager. De Hilversumse dorpsschout Jan Bitter samen met de dorpsburgemeesters Lambert Tijmensz Vlaanderen en Lubbert Boschuizen boden hun bemiddeling aan in deze netelige kwestie. Ze wilden liever geen ruzie tussen de Stichtse en Gooise buren. Uiteindelijk ging de Naarder schout akkoord met een aan Smaldaat opgelegde boete van 225 gulden. Een aanzienlijke som geld, waarvoor men in de Gooise dorpen een kleine boerderij kon kopen. Smaldaat vertrok huiswaarts, nadat hij had beloofd de volgende dag met het geld terug te komen. Bij zijn terugkeer bleek hij niet over het bedrag te kunnen beschikken. Er was echter een man genaamd Cornelis Dirksz die hem het geld voor de tijd van veertien dagen wilde voorschieten. Als waarborg eiste Cornelis de hele kudde op. Mocht Smaldaat niet aan zijn schuld kunnen voldoen, dan werd de kudde zijn eigendom. Aanvullend moest er ook nog eens twaalf gulden betaald worden voor het twee weken laten weiden van de schapen. 

Het incident leidde tot nare gevolgen. Willem Dirksz Smaldaat en Zeeger Hendriksz Schouten, de eigenaar van de ontkomen kudde, beklaagden zich namelijk bij hun Utrechtse overheid. Zij hingen daar een heel ander verhaal op dan wat de rakkers onder ede hadden verklaard. De Edel Mogende Heeren van de Staten van Utrecht (titel van de bestuurders van provincie tot 1795) namen terstond contact op met de Naarder schout. Pas een jaar later antwoordde schout en beschreef hij hoe volgens hem de toedracht was geweest. Uit onderzoek bleek dat het niet alleen de dorpelingen van het Sticht waren die zich aan grensoverschrijding schuldig maakten. De Gooiers bleken ook heel wat op hun kerfstok te hebben. Ze staken illegaal turf op Stichts grondgebied en smokkelden vee en bier. Als gevolg van deze en andere grensschendingen kregen twee landmeters in 1719 opdracht de grens tussen Gooi en -Sticht voorgoed te bepalen. Om onpartijdigheid en objectiviteit te waarborgen werd het werk gezamenlijk uitgevoerd door de Utrechtse landmeter Justus van Broeckhuysen en de Hollandse Maurits Walraven. Het resultaat van de opmeting werd opgetekend op een smalle, lange kaart met een schaal van 1 : 2800.

Maurits Walraven nam de nieuwe grens op in zijn kaart uit 1723 (schaal 1 : 14.4000). Hij vermeldde de meting in de titel: GOYLANDT, met de Nieuwe Limiet-scheiding tussen Goylandr en het Sticht van Utrecht – volgens de Conventie in dato July Ao 1719. Om de grens vast te leggen, werden vanaf de ‘Leeuwenpaal’ (de oudste grenspaal met het leeuwenwapen van Holland) in Blaricum om de kilometer, hardstenen grenspalen geplaatst, 22 in totaal. Tot de dag van vandaag zijn deze historische palen in de natuur van Gooi en Sticht bewaard gebleven. Ze zijn te bewonderen langs de Hollandse Rading, de huidige provincie grens.

De rijke geschiedenis van Laren sluit nauw aan bij de geschiedenis van het Gooi en de erfgooiers. Naarder Frans de Gooyer heeft veel van die geschiedenis beschreven op zijn mooie en uitgebreide websites: http://gooijer.netfirms.com – http://gooijer.nl.jouwpagina.nl en http://gooiland.vijftigplusser.nl. Met zijn goedkeuring mogen wij enkele van die verhalen publiceren.