“Je bent er één van de grote brandweerfamilie”

“Je bent er één van de grote brandweerfamilie”

“Vroeger was er meer ruimte voor persoonlijk initiatief. Bij een schoorsteenbrand zette je een paar kluiven in het riet en zo klom je naar de schoorsteen. Tegenwoordig moet de ladderwagen uit Hilversum komen. Het is verzakelijkt. Door al die Arbowetten is de gemoedelijkheid weg,” zegt oud loodgieter Henk van de Brink met nadruk. Zijn vroegere collega, de huisschilder Kees Horst, luistert aandachtig mee.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 084 [2003-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Leo Janssen

Samen zitten de de twee oudste leden van de vrijwillige brandweer Laren aan de stamtafel van ‘t Bonte Paard herinneringen op te halen ter gelegenheid van het 75 jarig bestaan van het korps. Niet mopperend als twee oude brandweermuppets, maar als zelfverzekerde tachtiger en bijna tachtiger. De spuit hebben ze alweer enige tijd geleden achter zich gelaten, maar ‘de Speuit’, de gezelligheidsvereniging, bezoeken ze nog regelmatig.Henk door af en toe een bardienstje te doen in de brandweerkazerne en Kees maakt nog steeds de vetleren medailles voor een bijzondere gelegenheid. Anecdotes te over. De brand bij Menten bijvoorbeeld. In Blaricum. De mensen joelden de vrouw van de oorlogsmisdadiger uit en zij schreeuwde terug naar het massaal opgekomen publiek. “Een beladen brand”, zegt Henk nu. “Trouwens het publiek wist zich vaak snel een weg te vinden naar de vuurzee.

Foto: Kees Horst (l) Henk v.d. Brink (r)

Zijn eerste brand staat hem nog goed voor ogen. “Het was in de autospuiterij van van Gils. Iemand liep met een bak afgetapte benzine, maar struikelde voor de kachel. Ik heb toen met Gijs Willard over de grond moeten kruipen. Op je buik, schreeuwde hij. Ik weet nog dat ik heel zenuwachtig was. Een gasfles in de autospuiterij was al de lucht ingegaan en we wisten niet of er nog anderen waren.” Toch die zenuwen en misschien ook wel die angst, hielden je geconcentreerd, zodat je weinig fouten kon maken.” Kees Horst woont tegenwoordig in Blaricum. Eigenlijk altijd de grote concurrent van het Larense corps. “Ik weet nog dat brandweercommandant Niek van den Brink tijdens wedstrijden tegen ons zei: het geeft niet of jullie 11e worden, als Blaricum maar 12e wordt”. Ze lachen. Kees werd – net getrouwd – gepolst om bij de brandweer te komen. “Maar ik was katholiek. En ze hadden bij het corps behoefte aan andersdenkenden. Toen moest ik opeens solliciteren. Via de voetbalclub van de gemeente ben ik er alsnog bij kunnen komen.” Voor het geld hebben ze het nooit gedaan. “Ik zal het je nog sterker vertellen”, zegt Henk “Als kleine zelfstandige viel ik in een heel ander belastingtarief!” Ze wilden allebei iets doen voor de gemeenschap, gewoon om te helpen. “Het is een verkapte hobby. Je bent met een reuze ploeg. Je bent er één van de grote brandweerfamilie. Ook de dames. Ze luisterden mee naar de bel. Terwijl je je brandweerpak aantrok, hoorden ze de cijferstoten en zochten in het boek op bij welke brandweerpaal er iets aan de hand was. Je snelde er met de fiets of auto heen. Maar op eerste Paasdag kon ik van huis uit zien dat de Boerenhofstede in lichter laaien stond,” zegt Kees. Beiden hebben nog steeds de indruk dat die brand aangestoken was. “Omdat het toen oostenwind was en het vuur vanaf de gunstigste kant brandde. De vonken vlogen door het hele dorp richting de Larense molen. De pyromaan is nooit gevonden. We hadden wel een soort beschrijving onder ons pak zitten. Want vaak staat zo’n gek naar zijn eigen brand te kijken.” Het gevecht tegen het vuur en het sparen van haven en goed, zoals Kees het helder omschrijft, heeft hem tijdens de brand ook wel eens geëmotioneerd. “Als zo’n brand uitbreekt, word je een heel ander mens. Je nam met je auto of met je fiets op weg er naar toe al meer risico’s.” Lachend nu.” Ik ben nog eens door een agent bijna bekeurd, omdat ik vergeten was mijn fietslampje aan te doen. “En opeens weer serieus. “Maar je staat er niet voor je lol te spuiten. Je ziet de dingen voor je ogen verbranden. Daar krijg je soms tranen van in je ogen.

Soms was de concentratie er niet altijd. Zo herinnert Henk zich het voorval dat Bert Calis midden in de nacht op de nok zat en overvallen werd door de druk op de slang en zo het dak aftuimelde.” Je kreeg ook nog weleens met je slaperige hoofd een volle straal midden in je gezicht van je collega die aan de andere kant stond te spuiten. Nou dan was je klaarwakker.” Om de vijf jaar ging het brandweerkorps drie dagen met hun dames uit naar Belgie, Duitsland, Friesland of Zeeland. “Geweldige dagen waren dat. Het versterkte de onderlinge band.” Het was en is één grote familie. Je leeft met alles mee. Toen Bert Vos in het voorjaar overleed, is het alsof het je eigen kind is. Dat is dat onderlinge gevoel. Mijn lieve vrouw,” vervolgt Henk,” was 78, toen zij overleed. De vrouw van Bert is nog piepjong.

Dat zijn ingrijpende gebeurtenissen, die kenmerken wel. Brandweerman blijf je daarom voor je hele leven. We hebben er veel vriendschap van ondervonden. Juist omdat je bij een brand elkaar zo nodig hebt, je van elkaar afhankelijk bent.”