Hoe Laren 300 jaar geleden een windmolen kreeg

Hoe Laren 300 jaar geleden een windmolen kreeg

In 1980 schreef Gerrit H. Keunen1, molenspecialist bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Zeist, een mooi artikel over de geschiedenis van de Larense molen ([Keunen,1980]). Het nog steeds verkrijgbare boekje over de molen van de hand van Corry Majoor-Vos is mede op Keunens werk gebaseerd ([Majoor-Vos,2006]). Dit artikel is een aanvulling op het werk van Keunen.
We gaan in op de vraag wanneer en onder welke omstandigheden Laren een windmolen kreeg.
2
We menen nu ook te weten wie de eerste Larense korenmolenaar was.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 167 [2024-1]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 9,50 per stuk in de Lindenhoeve en bij Bruna en de Larense boekhandel te koop, zolang de voorraad strekt.

Tekst: Richard Keijzer & Teun Koetsier

Gerst was de eerste graansoort die in Europa werd geteeld. Daarna kwamen spelt en haver en nog wat later in de Middeleeuwen rogge en tarwe. Vanaf de 14e eeuw deed boekweit – dat niet zoals de graansoorten tot de grassen, maar tot de duizendknoopfamilie behoort – zijn entree in West Europa. Op de arme zandgrond in het Gooi was het hier en daar gerst maar eerst voornamelijk rogge dat werd geteeld. Later deed ook boekweit het uitstekend.3 Boekweit gedijt goed op schapenmest, zegt men. Dat het wapen van Hilversum vier boekweitkorrels laat zien, geeft aan dat in ieder geval in de 17e eeuw boekweit een belangrijke rol speelde.4

Hoe de Laarders in de Middeleeuwen hun granen of boekweit maalden, weten we niet. Mogelijk met simpele handmolens, bijvoorbeeld kweerns.5 Een kweern bestaat uit twee stenen: een liggende steen (de ligger) en een ronde steen (de loper) die erop wordt rondgedraaid. De loper heeft een gat in het midden en wordt met een handvat rondgedraaid. In 1676 lieten de Laarders hun graan malen op de windmolen in Blaricum ([Keunen,1980], pp.76-77). Dat was een standerdmolen6 die er al sinds 1527 stond.7 Eind 17e eeuw was daar Brant Pietersz. Craaijcamp de molenaar.

In de 17e eeuw was er nog geen windmolen in Laren, maar waarschijnlijk al wel een grutmolen. We weten dat in 1704 de grutters in Naarden concurrentie ervoeren van ene Cornelis Martens, die in Laren een grutmolen runde ([Keunen,1980], p.77).8 Dat was een door een paard of ezel bewogen molen waarop boekweit werd verwerkt en gemalen. De maalstenen van zo’n grutmolen zijn wat kleiner dan die van een windmolen. 

We weten dat begin 1724 Laren nog geen eigen korenmolen had, maar er wel graag een wilde hebben. Men wilde niet langer afhankelijk te zijn van molens in de omliggende dorpen. Het kan zijn dat men slechte ervaringen had met de molenaar in Blaricum, Brant Pietersz Craaijcamp. Zoals we zullen zien zou dat heel goed het geval kunnen zijn geweest. Het is ook denkbaar dat er een Laarder was die goedkoop een molen kon kopen en in Laren wilde gaan malen. 

Nu kon je in de Republiek niet zo maar een molen neerzetten en de gemeenschap je diensten aanbieden. Je zou zeggen: de wind is toch gratis! Dat is zo, maar op veel plaatsen in Europa, en ook in de Republiek, was voor het gebruik van de wind in een windmolen een vergunning nodig. Het hield in dat men het zogenaamde windrecht kreeg. Daarvoor moest door de gemeente aan de provinciale overheid worden betaald, maar het had ook voordelen. Het betekende dat er in de omgeving van de molen niet gebouwd mocht worden. Soms betekende het ook dat boeren in de omgeving verplicht konden worden hun graan door die molen te laten verwerken. Dat heette molendwang. Het laatste was in Laren en Blaricum echter niet aan de orde.

De overheid in de 18e eeuw
Laren had een gemeentebestuur bestaande uit een schout, die door de baljuw van Gooiland werd aangesteld, een secretaris, vijf schepenen en twee buurmeesters.9 De schout en de secretaris hadden langlopende aanstellingen. Buurmeesters bleven twee jaar aan. Ter wille van de continuïteit was er altijd een buurmeester die in zijn eerste jaar zat en een die in zijn tweede jaar zat. De schout en de kortst zittende buurmeester nomineerden jaarlijks tien kandidaat-schepenen waaruit de baljuw er dan vijf koos. De schepenen kozen een aantal personen die de titel van ‘raad’ kregen en één jaar aan bleven. De schepenen kozen ook jaarlijks één buurmeester. 

De schout was belast met de ordehandhaving en het innen van belastingen. Als voorzitter van het college van schepenen nam hij ook deel aan de rechtspraak. De buurmeesters waren belast met het financiële beheer van de gemeente.

De standerdmolen in Blaricum in 1612.

De Staten van Holland en West-Friesland vormden het hoogste bestuursorgaan van het gewest Holland en West-Friesland, bestaande uit vertegenwoordigers van de Ridderschap, zeg maar de adel, en een groot aantal steden. Daar had Laren in zoverre mee te maken dat het windrecht alleen maar door de Heeren Staten van Holland en West-Friesland kon worden verleend. De Heren hadden het overigens altijd druk met belangrijke zaken en lieten simpele dingen als het verlenen van windrecht aan hun ambtenaren over.

De overheid bemoeide zich ook nog op een andere manier met een windmolen. Er werden ook toen al allerlei belastingen geheven, onder meer op het verbruik van wijn, brandewijn, bier, tabak, koffie en thee, boter, turf, kolen enzovoort. Maar ook op al wat gemalen werd voor menselijk voedsel, dus ook op graan en boekweit, werd belasting geheven. Dat leverde de provincie Holland veel geld op. Ter illustratie: in het jaar 1720 leverde de belasting op de consumptie van bier 978.601 gulden op en de belasting op al wat werd gemalen leverde 1.853.784 gulden op.10 De overheid nam dit alles zeer serieus. Op een zeker moment werd “alle vermaling van graan door particulieren ten strengste verboden; ook het feitelijk bezit van handmolens alleen reeds was strafbaar als bewijs van fraude”.11 Er waren ook speciale ambtenaren die belast waren met de controle. Vanaf 1749 gold het volgende: “Bij iederen molen was een Chercher of Toeziener geplaatst, bij wiens afwezigheid de molen moest stilstaan; de Chercher was gehouden in den molen tegenwoordig te blijven, telkens tot zoolang de maling was afgeloopen. Hij moest toezien, dat geen zak met graan in den bak gestort werd vóórdat het biljet van betaling van den Collecteur vertoond was; van het biljet zelf, door den Chercher door midden gescheurd, werd de eene helft door den molenaar bewaard, de andere helft ter latere vergelijking aan den Collecteur gebragt. Het vervoer van den molen naar de bakkerij mag alleen plaats hebben door de beëedigde knechts van den molen; van het vervoer moet kennis worden gegeven aan den Chercher.”12 Hoe het vòòr 1749 geregeld was in Laren en Blaricum weten we niet, maar over alle graan en boekweit dat werden gemalen moest belasting worden betaald en dat werd op enigerlei wijze gecontroleerd.

Verzoek regenten van Laren
Op 22 januari 1724 dienden een buurmeester van Laren, Tijmen Monjuer, de secretaris Michiel Biebesseen en drie raden, Gesbert Rutten, Jan Stomperts en Huijbert ­Cornelesz, een verzoekschrift in, gericht aan de Rekenkamer der Domeinen van de Edele Groot Mogende Heeren Staten van Holland en Westvriesland.13 Namens de regenten van Laren deelden zij mede dat zij een korenmolen wilden bouwen en om die te kunnen gebruiken vroegen zij om Laren het windrecht te verlenen. De heren wendden zich op de volgende manier tot de Rekenkamer: “ootmoediglijk versoekende uw Ed[dele] Mog[ende] goede geliefte sij haar supplianten in haar voorsz[egde] qualiteijt te verleenen het regt van de wint tot haar te bouwen koorn molen op soodanige arfpagt als andere molens sijn gevende, en aan haar supplianten daar van te doen depescheeren acte in forma”. 

De buurmeester, de secretaris en één van de raden zetten een handtekening. De andere twee ondertekenende raden waren analfabeten en tekenden met een handmerk. Het handmerk van Stomperts lijkt op een molen. Zo’n handmerk was soms aan een beroep ontleend. We weten dat de Blaricumse molenaar ondertekende met een handmerk in de vorm van een molenijzer of rijn.14 Een molenijzer is het stuk smeedijzer waarop de bovenste molensteen, die boven de onderste molensteen hangt, rust. Was Stomperts molenaar en wilde hij een molen laten bouwen in Laren? We zullen verderop zien dat het toch onwaarschijnlijk lijkt dat Stomperts de eerste Larense molenaar was. 

Alvorens te beslissen benaderden de ambtenaren van de Heeren Staten van Holland en West-Friesland een adviseur. Dat was de ‘advocaedt voor den hoven van Holland’, Wijnand van der Maas d’Avenrode, een prominente burger van Haarlem. Van der Maas was ook ‘Rentmeester Generaal van Kennemerlandt ende Westvrieslandt’. Mr. Van der Maas adviseerde snel en positief op 3 februari 1724.16 Als argument om Laren het windrecht toe te kennen gaf hij “in consideratie dat andere Gooijse dorpen van koorn molens zijn voorsien ent voorsz[egde] dorp geen van de minste sijnde mede van een Coornmoolen behoorde te jouisseeren”. 

Wel stelde de advocaat voor dat men naar zijn mening in Laren een erfpacht van 6 pond per jaar zou moeten gaan betalen, hoewel dat in de andere dorpen slechts 4 pond was. Als ze zo graag windrecht willen dan moeten ze er ook maar voor betalen, lijkt hij te hebben gedacht. 

Boven: Het handmerk van de Blaricumse molenaar & een molenijzer15.
Linksonder: Ondertekening van het verzoek van 22-01-1724.
De handmerken van Jan Stomperts en Huijbert Cornelisz.
De kop van de akte van vergunning van 31 mei 1724.

Verzet uit Blaricum
Klaarblijkelijk drong het op een gegeven moment in Blaricum door wat de Laarders van plan waren. Ze waren het er daar in het geheel niet mee eens. De molenaar in Blaricum, Brant Pietersz Craaijcamp, liet ook een brief aan de Rekenkamer der Domeinen schrijven. De brief was vergezeld van een verklaring van de kant van de schout, de buurmeesters en de schepenen van Blaricum, gedateerd 8 maart 1724.17 De molenaar stelde dat de tussen Laren en Blaricum staande molen sinds ‘s mensen heugenis de Laarders, zowel de bakkers als de ingezetenen zonder enige klacht had bediend. Bovendien had hij – of eigenlijk zijn schoonzoon aan wie hij vanwege zijn hoge leeftijd het werk had overgedragen – nog volop capaciteit over, omdat de twee dorpen die hij bediende zo klein waren. Hij suggereerde zelfs dat de Laarders kwalijke bedoelingen zouden hebben, namelijk om “smockelarijen te faciliteeren”. Dat betekende dat de Laarders de molen zouden kunnen gebruiken zonder over het graan of de boekweit de verplichte belasting te betalen. Helaas klinkt de mededeling dat Blaricummers betrouwbaarder zouden zijn dan Laarders niet erg overtuigend uit de mond van een Blaricummer. De molenaar bad verder de Heren om niet in te gaan op het verzoek van de Laarders.

De schout, de buurmeesters en de schepenen ondersteunden in hun verklaring het antidotale verzoek van de molenaar. Een antidotaal verzoek is een verzoek om niet in te gaan op een ander verzoek. Ze schreven dat de molenaar 83 jaar oud was en zijn vrouw 91. Er zouden nooit klachten zijn geweest en verder stond de molen de helft van de tijd stil. De molen kon nog wel twee dorpen extra faciliteren. Er was dus volgens hen helemaal geen behoefte aan een molen in Laren.

Op 14 april 1724 kwam er nog een brief binnen bij de ambtenaren van de Heeren Staten van Holland en West-Friesland. Dit keer van de Impostmeesters in Amsterdam.18 Dat waren belastinginspecteurs. Ook zij steunden de Blaricumse molenaar. Interessant is dat zij ook stelden dat het geven van toestemming aan de Laarders om een molen te bouwen hen de gelegenheid zou geven om de regels te overtreden. Ze noemden het “het fraudeeren en contra-veniëeren van des voors[zegden] gemeene lands ­propositiën.” 

De beslissing
Al deze antidotale correspondentie kwam ook terecht bij de adviseur Wijnand van der Maas d’Avenrode. We stellen ons voor dat Van der Maas zelf of een van zijn assistenten zich van Haarlem naar Laren begaf om ter plekke poolshoogte te nemen. Mogelijk verliep zijn route via achtereenvolgens de Haarlemmertrekvaart, de Weespertrekvaart, de Muidertrekvaart en de Naardertrekvaart. Vanaf Naarden liep je dan ten slotte naar Laren. 

Van der Maas gaf zijn definitieve mening op 27 april 1724: een positief advies om de Laarders hun molen te gunnen en een negatief advies met betrekking tot het antidotale verzoek van Blaricum. Van der Maas d’Avenrode had onderzoek gedaan en was tot de conclusie gekomen dat de korenmolen in Eemnes voor de Laarders dichterbij was dan de molen in Blaricum. Omdat veel Laarders van de molen in Eemnes gebruik maakten liep de overheid in Holland dus inkomsten mis. Over de Blaricumse molenaar schreef Van der Maas d’Avenrode: “wijders is mij mede geaffirmeert dat den voorsz[egde] suppliant Brant Pietersz, hoogh in jaeren sijnde en van een droncke gedebaucheerd leeven sijnde en weijnigh acht op sijn saacken geeft, de ingeseetenen van Laaren gansch niet wel van hem gedient sijn”. Kortom, Brant dronk te veel, hij maalde slecht en de Laarders moesten hem niet. 

De ambtenaren van de Heeren Staten van Holland en West-Friesland namen hun adviseur serieus. Er volgde al snel een positieve beslissing in de vorm van een erfpachtsbrief, of acte van vergunning, van 31 mei 1724. De Laarders kregen windrecht tegen betaling van 6 gulden per jaar te betalen vanaf het moment waarop de molen in gebruik zou worden genomen. 

Naar die brief van 31 mei wordt ook nog verwezen in een verklaring van 9 october 1724 van de schout, Dirk Willemsz Dros, en twee schepenen van Laren, Pieter IJserman, en Evert Jansz Backer. In de verklaring staat dat Meijndert Roelofsz, buurmeester in Laren, beloofde de verschuldigde erfpacht van zes gulden19 jaarlijks te zullen voldoen.20 In de verklaring staat ook dat de molen was begonnen met malen op 24 juni 1724. Vanaf dat moment werd dus gerekend bij het bepalen van de erfpacht.

Het is een saillant detail dat men de datum van 24 juni uitkoos als de dag waarop officieel de molen begon te functioneren. Dat is de dag van het feest van Sint Jan, in het katholieke Laren een belangrijke dag. Dan vindt de Sint Jansprocessie plaats. Dat gebeurde in 1724 zonder enig vertoon, maar alle Laarders wisten dat 24 juni de dag van Sint Jan was en gingen naar het Sint Janskerkhof. Het lijkt erop dat buurmeester Meijndert Roelofsz op subtiele wijze weer eens liet weten dat Laren een trots katholiek dorp was. Het is ook onwaarschijnlijk dat de molenaar op die dag heeft gewerkt. Mogelijk heeft hij bij het langskomen van de processie met de wieken een groet gebracht. 

Interessant detail is dat Brant Pietersz Craaijcamp, de Blaricumse molenaar, op 1 november 1725 zijn molen verkocht.21 Hij overleed kort daarna, want hij maakte de ernstig vertraagde betaling niet meer mee. Het was zijn erfgenaam die tot 1728 op 900 gulden moest wachten, want voor dat bedrag was de molen verkocht. 

De eerste Larense molenaar
We zagen dat in 1724 Jan Stomperts een handmerk gebruikte dat op een molen lijkt. Was hij de eerste Larense molenaar? Het lijkt waarschijnlijker dat de eerste Larense molenaar Jan Roelen Kales heette. Wij lezen namelijk in een akte van 1 juli 1737 het volgende: “Jan Roelen Kales, zedert eenige jaaren herwaards is geweest, en nog is molenaer malende op de koornmolen te Laren”.22 Het moet hier Jan Roelen Calis betreffen die volgens de website www.larensevoorouders.nl omstreeks 1695 werd gedoopt. 

Intrigerend is dat Jan Roelen een broer had die Meijus heette.23 Verder besliste het Larense gerecht op 7 maart 1746 dat een zekere Jan Roelen uit Laren een lening van 500 gulden, die hem is verleend op 22 augustus 1720 door ene Ernst Schriek uit Naarden, moest terugbetalen.24 Borg bij de lening stond ene Mijns Roelen. Het lijkt er op dat Jan Roelen Kales uit Laren, die daar in 1724 koren ging malen, in 1720 een bedrag van 500 gulden van Ernst Schriek leende en zijn broer borg stond. Dat was waarschijnlijk nog niet genoeg om een bestaande molen tweedehands te kopen, maar het zal hem aardig op weg hebben geholpen. We zagen dat de Blaricumse molen in 1728 voor 900 gulden van eigenaar verwisselde.

Auteurs
Richard Keijzer woont in Hilversum en heeft grote belangstelling voor lokale geschiedenis. Teun Koetsier is historicus en secretaris van de Historische Kring Laren.

Literatuur
[Lintsen et al.,1992]: H.W. Lintsen (hoofdredacteur), M.S.C. Bakker, E. Homburg, D. van Lente, J.W. Schot en G.P.J. Verbong (reds.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel I. Techniek en modernisering. Landbouw en voeding. Walburg Pers, Zutphen 1992 Zie: https://www.dbnl.org/tekst/lint011gesc01_01/lint011gesc01_01_0006.php 
[Keunen,1980]: G. H. Keunen, De Molen te Laren, Tussen Vecht en Eem, Jaargang 10, 1980, Nummer 2, pp. 76-86. Zie: https://www.tussenvechteneem.nl/wp-content/uploads/2015/09/TVE1980-02.pdf 
[Koeman-Poel,1975]: G. S. Koeman-Poel, De Molens van Blaricum, Tussen Vecht en Eem, Jaargang 5, 1975, Nummer 2, pp. 46- 52 en pp. 65- 66. Zie: https://www.tussenvechteneem.nl/wp-content/uploads/2015/09/TVE1975-02.pdf 
[Majoor-Vos,2006]: C. Majoor-Vos, De Molen van Laren, Laren, 2006.
[Monté&Spruit,2000]: J. Ph. De Monté ver Loren, 7e herziene druk, bewerkt door J. E. Spruit, Hoofdlijnen uit de ontwikkeling van de rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot de Bataafse omwenteling, Deventer, 2000.
[Sickenga,1864]: F. N. Sickenga, Bijdrage tot de geschiedenis der belastingen in Nederland, Leiden, 1864.
[Vrankrijker,1935]: A.C.J. de Vrankrijker, Geschiedenis van Gooiland, Tweede deel, Amsterdam, 1935.

Archieven
Nationaal Archief, Den Haag: 3.01.27.01 Inventaris van het archief van de Grafelijkheidsrekenkamer of Rekenkamer der Domeinen van Holland: Registers en Stukken, (1233) 1446-1728 (1812). Toegangsnummer 184, de jaren 1721 tot 1728.
Streekarchief Gooi en Vechtstreek, Hilversum, Nummer toegang: SAGV155.2: Oud-Rechterlijke Archieven, Inventaris nummer: 3267, Register van diverse schepenakten, hierin ook interrogatoiren17/9/1703-21/1/1726.
Streekarchief Gooi en Vechtstreek, Hilversum, Nummer toegang: SAGV155.2: Oud-Rechterlijke Archieven, Inventaris nummer: 3268, Register van diverse schepenakten, hierin ook interrogatoiren 1/4/1726-1/11/1756.

Noten

  1. Zie https://www.molens.nl/verhalen/gerrit-keunenen ook https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=keun013 
  2. Iets daarover is al te vinden op https://www.molens.nl/ontdek-molens/alle-molens/de-korenmolen-te-laren maar zonder bronvermelding.
  3. Zie voor het Gooi [Vrankrijker,1935], p. 9.
  4. De oudste afbeelding van het wapen is te zien op de Beresteinseweg in de muur van de stenen brug over de Gooise Vaart. Er staat het jaartal 1699 bij. Eerdere vermeldingen van het wapen kennen we niet.
  5. Zie bijv. https://en.wikipedia.org/wiki/Quern-stone 
  6. De eerste windmolens die vanaf de 12e eeuw in West-Europa gebouwd werden waren standerdmolens. Bij standerdmolens wordt de hele rechthoekige molenkast gedraaid om de molen op de wind te zetten. Alle andere windmolens in Europa stammen van de standerdmolen af. De Larense molen is een achtkantige houten rietgedekte binnenkruier. De molen wordt op de wind gezet door van binnen de kap te draaien. Op de kenmerken van de Larense molen wordt in een volgend artikel ingegaan.
  7. [Koeman-Poel,1975], p. 5-47
  8. Het betreft een request dat op 14 mei 1704 is behandeld in de Vroedschap van Naarden. Keunen verwijst naar Aantekeningen uit de Vroedschapsresolutiën van Naarden, gemaakt door dr. A.C.J. de Vrankrijker, Bussum.
  9. Wij hebben de situatie in Hilversum als uitgangspunt genomen. Zie: https://albertusperk.nl/eigenperk-artikelen/2002.3%20Spel%20om%20de%20macht.pdf Ruwweg zal het in Laren net zo zijn geweest. Omdat de verschillen tussen de provincies en ook binnen de provincies wat betreft de bestuurlijke en rechterlijke organisatie tussen de steden en dorpen soms groot waren is het niet altijd eenvoudig om snel antwoord te vinden op simpele vragen. Zie [Monté&Spruit,2000]. 
  10. [Sickenga,1864], pp. 322-323.
  11. [Sickenga,1864], pp. 394.
  12. [Sickenga,1864], pp. 395.
  13. Bron: Nationaal Archief 3.01.27.01
  14. https://www.molendatabase.nl/molens/ten-­bruggencate-nr-06504-kZonder bronvermelding.
  15. Bron: De Historische Vereniging Ameide en Tienhoven
  16. Bron: Nationaal Archief 3.01.27.01
  17. Bron: Nationaal Archief 3.01.27.01
  18. Bron: Nationaal Archief 3.01.27.01
  19. De Hollandse pond kwam in die tijd overeen met 1 gulden. De termen gulden en pond werden door elkaar gebruikt.
  20. Bron: Streekarchief 155.2, Inventaris nummer 3267
  21. [Koeman-Poel,1975], p. 49
  22. Bron: Streekarchief 155.2, Inventaris nummer 3268
  23. Bron: Streekarchief 155.2, Inventaris nummer 3268, Akte van 1 juli 1737, vraag 12 
  24. Bron: Streekarchief 155.2, Inventaris nummer 3268, Akte van 7 maart 1746.