Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Het Sint Jans kerkhof

Het Sint Jans kerkhof

In 1905 schreef Prof. J.A. de Rijk dit verhaal in “Wandelingen door Gooi- en Eemland en Omstreken”. 

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 121 [2012-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Letterlijk overgenomen: Bep G.L. De Boer

Hier op het St. Jans kerkhof heeft de eerste Christenkerk van Gooiland gestaan. Volgens overlevering was het in heidensche tijden een offerplaats, en deze overlevering wordt op merkwaardige wijze bevestigd door de hooge ligging van het terrein en door het aantal wegen, dat op dit punt samen kwam. Niet minder dan zeven oeroude wegen liepen weleer op dit eenzame kruispunt uit. De eerste zendelingen kozen juist de plaatsen waar het heiligdom zijn zetel had, om die te heiligen voor den dienst van het Evangelie.

Verbeeld u den toestand van den eersten Evangelieprediker in deze onherbergzame oorden, te midden eener half wilde bevolking den dood verkondigend van een Godmensch, die sterft uit liefde, uit onuitsprekelijke barmhartigheid, dan de luistervolle verrijzenis van Hem, den Koning der eeuwen. Met welke blikken hebben zij den vreemde begroet, met welke woorden hem toegesproken? Niets van dat alles is ons overgefluisterd; de stem der lang vervlogen jaren zwijgt. Alleen de dichter vertolkt het gevoel van verwondering dat den landzaat beving op het eerste zien van den vreemde:

“Gij, vreemd’ling, die in ’t stil en eenzaam kluisje huist!
Wat hoore ik door het woud met zulk een kracht weêrgalmen?
Bedrieg ik me? Is ’t de wind, die door uw bosschen ruischt,
Of hoore ik flauw ’t muziek van uw gewijde psalmen?
Het stormgeweld verdooft mij ’t oor;
Maar ’t geen ik, door zijn bruisen, hoor,
Is ’t zangrig stemgeluid van menschelijke tonen.
Doch wien, wien zingt ge in ’t statig lied
Met zooveel eerbied toe, o grijze Woudheremiet?
Zeg, geldt het de eer van heldenkronen,
Of ’t machtig Geestendom, dat op de winden zweeft?
Ai, matig dezen toon, die door de wolken streeft,
En (wilt ge) geef een zang aan dees verlaten velden!
Hier ziet ge, sla uw oog in ’t rond!
De heuv’len, ruig begroeid, van ’t overschot der Helden;
De steenen, geel bemost, die hun begraafplaats melden,
En ’t rank en snerpend gras van hun verheven grond.

Naar Bilderdijk’s vertaling van Ossian

Ondoenlijk is het, met eenige juistheid het jaar te bepalen, wanneer het allereerste bedehuis op dit kruispunt van wegen gesticht werd. Men kan voor de vestiging des Christendoms in onze streken de halve eeuw rekenen die er verliep tusschen de jaren 700 en 750, en vermoedelijk was reeds zeer kort na laatst genoemd tijdstip te deze plaatse een kerkje voor den geheelen omtrek aanwezig. Een oeroude legende, in de vroegste tijden van mond tot mond overgeleverd, reeds in 1564 opgeschreven, hecht zich aan de eerste stichting en luidt aldus:

“In de dagen van voorheen, toen zich hier op de hoogte nog een bosch verhief, waren eens drie meisjes, zusters, hierheen gekomen, misschien om eikels te zoeken, of zoete, wilde aardbeziën. Eensklaps, daar schieten twee roovers uit eene hinderlaag te voorschijn, en vallen de bevende meisjes aan en grijpen haar bij de haren. Ach, zij doen haar best onder tranen en bidden, het moorwapen van zich af te weren, maar tevergeefs! De ellendelingen dooden haar, snijden haar de borst af en laten de lichamen in bloed badende liggen. Met hun ijzingwekkkenden last ijlen zij naar het dorp, niet meenende dat hun gruwelstuk bekend zou worden. De zon was reeds ondergegaan, de schemering zonk over de aarde neder. Zij kloppen bij het eerste huis aan, en dit was toevallig de ouderlijke woning der in het bosch vermoorde meisjes. Een der twee zeide tot de vrouw des huizes: hier heb ik vleesch; kook het voor ons, en meteen wierp hij het in den te vuur staanden ketel. Dat gruwelstuk gedoogde God niet. Zoodra het kokende water de vreeselijke spijze had opgenomen, vloog deze er weder uit en op den schoot der huisvrouw, die de moeder der meisjes was. Wee! riep zij, ’t is van mijne dochters, en ze zijn vermoord! Vlucht, roovers, vlucht, nu het nog tijd is!

Dicht bij die woning was een waterkom, waarin men gewoon was de schapen te wasschen, en ter boete voor de gruweldaad legde men op de plaats van dezen vijver de grondslagen eener kerk, maar zie, wat vandaag gegrondvest werd, dat zag men morgen boven op de hoogte, en dit geschiedde aldus drie- of vier maal. Ten laatste door dit zeldzame geval getroffen, besloot de landman zijne kerk, een arm bedehuisje aan den Dooper toegeheiligd, op de hoogte te bouwen, en men stelde den optocht in, bij welken twee meisjes met loshangende haren het beeld der Heilige Moedermaagd over de heuvelen moesten dragen.” 

Aldus de legende. De laatste woorden doelen op de processie van St. Jan van Laren. In den nacht der tijden verliest zich het eerste begin van deze optocht; hij is zo oud als de kerk zelve, ouder wellicht, en telt ongetwijfeld veel meer dan duizend jaar. Nog heden wordt hij onder verbazend grooten toeloop en zonder ongeregeldheid gehouden op den 24e Juni. Dat er in de dagen van Hortensius ongeregeldheden bij plaats grepen, – wien kan het verwonderen, die weet hoe woelig en vol onrust de tijd toen was? Zij worden door Hortensius dan ook niet verzwegen. De waterkom, waarvan in de legende sprake is, bestaat nog heden, en is waarschijnlijk de Coesweerd, midden in het dorp Laren op den Brink gelegen en door opgaande boomen overschaduwd. Wij zullen ze later bezoeken.

Het kan geene bevreemding baren, dat de twee misdadigers, in het volksverhaal in zoo afschuwelijke gedaante geschilderd, voor dezelfden zijn gehouden van wie onder den naam van Wer en Ner gewaagd wordt in de Drakensteinsche legende.

Het eerste kerkje was van hout, gelijk onze voorouders in die dagen gewoon waren op te trekken, maar reeds zeer vroeg werd het van steen herbouwd. Uit eene oude kaart van vóór 1521, aanwezig in het Rijks-Archief, kan men, voor zooveel men op dergelijke kaartteekeningen kan afgaan, nog eenigzins opmaken, hoe de vorm moet geweest zijn; zeer duidelijk wijst die kaart eene kruiskerk aan, half in lommerrijk geboomte verscholen, met een toren in het midden op de viering en paarsgewijs staande, halfrond geboogde vensterramen, gelijk de romaansche bouwstijl dit medebrengt. Geheel anders echter ziet zij er uit op eene tweede kaart die ook oud is, maar toch van na 1521 (ofschoon vóór 1586) dagteekent. Hier zijn de boomen wel te zien, ook het kerkje en de toren, maar de kruisvorm is geheel verdwenen. Daarentegen staat er aan de noordkant, dicht bij den toren, een klein gebouwtje, de kosterij waarschijnlijk, en is de geheele kerkgrond omringd door eene haag of omheining. Na het jaar 1500 begon de beroemde oude kerk zeer in verval te geraken. Er werd aan gedacht, ze te herstellen, maar hiertoe betoonden die van Laren weinig neiging. Laten we ons den toestand duidelijk maken. In de vroege middeleeuwen had de kerk gediend tot parochiekerk voor geheel Gooiland, maar later, en vooral tusschen de jaren 1400 en 1500, was de toeneming der bevolking ieder der Gooische dorpen begonnen, eene kapel voor zich te bouwen, en deze kapellen werden in den loop des tijds tot parochiekerken verheven, zoodat niemand in de dorpen zich meer bekommerde om de oude moederkerk op de hoogte. Laren zelf, dat anders om de nabijheid er geene noodig had, bouwde eene kapel, die in 1521 voltooid werd, en de tegenwoordige Hervormde kerk van Laren is. Toen er nu spraak kwam van het herstellen der oude kerk, schijnt de heer van Nijenrode, Erfmaarschalk van Gooiland, zijne diensten te hebben aangeboden.Hij ontving van den Schout van Laren het volgende briefje:

“Nae alle behoirlycke grotinghe, doe ic Schout Ketel tot Laren uwer eerwairdicheyt weten, dat ic ontfanghen heb uwer brieff, welck ic oick mede getoent heb onsen gerechte, diewelcken U, L. grotelycken danckende waire van die psentatie, en souden het selfde angenaemelijck accepteert hebben, ’t had saick geweest, dat die kercknrs veel leijen, houdt, en ander veel dinghen, die notelyck waire totte reparatie gecoft hadde, en dat ons meestendeel mouverde, hebben wij overgeleyt om te hebben een kerckhoff dairinne onse doode soude begraven, en met dat onse capelle seer benaut staet tusschen die huyse soe en mochte wij dair om heen geen kerckhoff crijghe. Dancken Uwer eerwairdicheyt grotelijcken van die presentatie, die gij ons gedaen heeft.

Niet meer op dese tijt, dan God die wil u in lanck leven gesont sparen tot salicheyt.
Gescreven opten vijftien Junij Anno (onleesbaar jaartal) .
Ick Garbrant Roloffz, Ketel,
U willighe dienair tot allen bereyt.
Den Edelen vrome en wijse heer, den heer tot Nijewenroede ect.”

Derhalve bleef de kerk in haar vervallen toestand, en werd gebruikt als begraafplaats. In het jaar 1564 stond zij nog, maar werd zeer bouwvallig. Uit eene korte beschrijving, in dat jaar opgemaakt, ziet men, dat het dak niet meer tegen den regen beschutten, de voorgevel het water niet meer tegenhouden kon; van alle kanten kwamen er scheuren in de muren, die dreigden in te storten. Toch bezocht men haar ook toen nog veelvuldig, gelijk uitdrukkelijk vermeld wordt.

Ook in 1586 stond zij nog. Immers in dit jaar gaven de Staten van Holland last, om haar af te breken.

“De Staten van Hollandt aenmerckende, dat op het hooge van Laren in Gooilandt een kercke staende is, …hebbe goed gevonden ende geresolveert, dat de voorz. Kercke met het kerckhoff metten eersten sal worden afgebroocken ende gedemolieerd tot profijte van de gemeene saecke. Ende hebben voorts belast ende geautoriseert, lasten en autoriseeren bij desen jonckheer Willem van Nyevelt, baillui van Goijlandt oft sijnen substituijt ende Jan Pieterz. Burgemeester van Naerden metten eersten de voorschr. Kercke met het kerckhoff voorn. Ten meesten profijten van den Lande te vercoopen, omme gedemolieert te worden”.

Zoo werd dan de aloude kerk, de eerste van Gooiland, verkocht aan zekere Willem Michielse voor f. 215,= en afgebroken. Niets is er meer van over. Het kerkhof bleef echter bestaan, en ook de jaarlijksche processie. Zij trok nu niet meer, zooals voorheen, op klaarlichten dag uit, maar te middernacht, en dit heeft aldus voortgeduurd tot de eerste jaren der vorige eeuw. Sedert wordt zij wederom des daags gehouden. Een tachtigtal jaren geleden vertoonde het kerkhof zich geheel anders. De aarden wal er omheen was zeer vervallen; de weg liep midden over het kerkhof heen, dat in volkomen eenzaamheid zijne dooden bewaarde. De oude olmboom van dezen doodenakker, die ons reeds bij de zeven Bergjes in het gezicht kwam, overschaduwt de rustplaats van méér geslachten, dan op eenige andere plaats van ons vaderland ten grave zijn gebracht. Doch verlaten we deze eenzame plaats. We kwamen ditmaal wel herhaaldelijk met de rustplaats van voorgeslachten in aanraking; maar het kan zeker in onzen gejaagden tijd waarin bijna niemand meer aan den dood schijnt te denken, zijn nut hebben, dat te midden van een wandeling in de vrije natuur ook eens het “Memento mori” worde gehoord!