‘Het Larensche geval’; een vluchtelingenaffaire in 1934

‘Het Larensche geval’; een vluchtelingenaffaire in 1934

Schandaal uitleiding vier Duitsers naar Hitler-Duitsland

Het eerste hoofdstuk van het in 2016 verschenen boek Schieten op de maan van Teun Koetsier en Elbert Roest heet Staatsgevaarlijke elementen; Willy Brandt kruipt door het oog van de naald. Het is het verhaal van de zogenaamde ‘uitleiding’ van vier jonge Duitsers van Laren naar de Duitse grens bij Zevenaar op maandagochtend 26 februari 1934, door politiemensen, op bevel van burgemeester Jhr. Hubert van Nispen van Sevenaer (1879-1958). 

Hoofdsfoto: Op de hoek van De Kamp en de Groene Gerritsweg stond vroeger kamphuis ‘De Toorts’, een conferentie-oord van de OSP (Onafhankelijke Socialistische Partij).

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 156 [2021-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Tekst: Wim Keizer

De Duitsers namen samen met andere buitenlandse en Nederlandse jongeren op zaterdag 24 februari 1934 deel aan een conferentie van revolutionair-socialistische (ook wel als ‘trotskistisch’ aangeduide) jongeren in kamphuis De Toorts te Laren. Dit kamphuis werd geleid door Piet van Praag (1902-1977), gemeenteraadslid voor de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), een van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) afgesplitste partij.

Bij de groep jongeren was ook aanwezig Willy Brandt (1913-1992), de latere Duitse bondskanselier, maar omdat hij een Noorse verblijfsvergunning had, werd hij samen met de twaalf andere buitenlanders na hun arrestatie via Amsterdam naar België uitgezet.

De uitleiding leidde zowel in Laren als landelijk tot veel commotie en werd in die jaren bekend als ‘het Larensche geval’. De commotie ontstond vooral door het feit dat in 1933 in Duitsland Hitler aan de macht was gekomen en ook in Nederland iedereen kon weten wat dat betekende.

Piet van Praag en andere op de conferentie aanwezige Nederlanders lieten via advocaat Benno Stokvis per telegram landelijk alarm slaan, maar toen minister van Justitie Josef van Schaik het maandag las, waren de Duitsers al de grens overgezet. Van Praag, een fel tegenstander van de nazi’s, verweet Van Nispen in de gemeenteraad dat hij vier Duitsers aan hun beulen had uitgeleverd. Daarbij schold hij Van Nispen uit, met termen als schurftige hond, Jezuïet, fascist en lafaard. In de raadsvergadering mocht hij alles zeggen, maar daarbuiten niet en toen hij ‘lafaard’ riep zou de vergadering al gesloten zijn. Dat was aanleiding voor de burgemeester om aangifte te doen wegens belediging. Later dat jaar kwam er ook nog een aangifte wegens verzet tegen de politie bij een betoging op 1 mei, waarbij geroepen werd “burgemeester Van Sevenaer is een moordenaar”. In februari 1935 achtte de rechtbank Van Praag ten dele schuldig en kreeg hij voor de beledigingszaak 25 gulden boete en voor het verzet twee weken gevangenisstraf. In hoger beroep handhaafde het gerechtshof de uitspraak. 

Links: Willy Brandt; Midden: Jhr. Hubert van Nispen van Sevenaer; Rechts: Franz Bobzien.

Lot Duitsers
De vier Duitsers waren Franz Bobzien, Kurt Liebermann, Heinz Hoose en Hans Goldstein. De eerste drie waren, net als Brandt, lid van het jeugdverband van de in Duitsland illegaal verklaarde Sozialistische Arbeiterpartei (SAP, een afsplitsing van de SPD). De laatste was een Joodse emigrant. Hij werd na enige tijd vrijgelaten en week uit naar Tsjechoslowakije. Ook Hoose werd na enige tijd vrijgelaten. In een op internet aangetroffen Duitse dissertatie over Gertrud Meyer, toenmalig SAP-vriendin van Willy Brandt, wordt vermeld dat Liebermann een aantal jaren tuchthuisstraf kreeg. Dat geldt ook voor Bobzien, die na zijn straf door de Gestapo werd overgebracht naar concentratiekamp Sachsenhausen (de Gestapo deed aan ‘preventieve inhechtenisneming’). Hij kwam op 28 maart 1941 om in Berlijn bij verplichte werkzaamheden: opruimen van puin, veroorzaakt door bombardementen.

De stad Oranienburg, waarin Sachsenhausen ligt, 40 km noordelijk van Berlijn, reikt sinds 2010 om de twee jaar de ‘Franz-Bobzien-preis’ uit aan mensen of instellingen die zich in Berlijn of Brandenburg sterk maken voor democratie en tolerantie.

In Kwartaalberichten 102 (2007-4) en 132 (2015-2) besteedden wij summier aandacht aan de kwestie van de ‘uitleiding’, onder de kop De Kamp toen… En nu respectievelijk Rechtszaak in 1935; voorspel WO II

Studie dr. Paul Schneiders
Gebleken is dat de in Bussum wonende historicus dr. Paul Schneiders (1939) in 1970 het plan had te promoveren op het onderwerp ‘Duitse politieke vluchtelingen in de jaren 1933-1940’. Hij verzamelde materiaal en stuitte ook op ‘het Larensche geval’. Dat leidde tot een literatuurrapport en een scriptie, maar hij zag ervan af op dit onderwerp te promoveren. Als docent aan de Amsterdamse bibliotheek- en documentatieacademie, de Frederik Muller Akademie, promoveerde hij in 1982 op het onderwerp ‘De bibliotheek- en documentatiebeweging 1880-1914’. Schneiders is bezig papieren op te ruimen en besloot de getypte versies van het literatuurrapport en de scriptie, met enkele bijbehorende stukken, aan de Historische Kring Laren (HKL) te schenken. Het interessants van die stukken is een getypte brief d.d. 29 januari 1971 van Jhr. Huub van Nispen van Sevenaer (1919-2012), zoon van de burgemeester, waarin deze voldoet aan de wens van Schneiders om zijn herinneringen aan de affaire ten behoeve van de voorgenomen dissertatie op te sturen.

Dit artikel is gebaseerd op het literatuurrapport en de scriptie van Schneiders, de brief van Huub van Nispen en op wat al eerder geschreven werd en op internet te vinden is.

Wie verantwoordelijk?
Een belangrijk punt in de kwestie was of burgemeester Van Nispen op eigen gezag had gehandeld of op aanwijzing van de minister van Justitie, Josef van Schaik, partijgenoot van de burgemeester (RK Staatspartij, voorloper KVP). Bij debatten in de Kamer gaf de minister de schuld aan de burgemeester, maar deze beriep zich erop dat hij dacht naar wens van de minister gehandeld te hebben. De minister had, toen hij waarschuwde dat Laren bezocht zou worden door de linkse jongeren, gezegd telefonisch beschikbaar te blijven, maar die belofte was hij niet nagekomen. 

In zijn brief zegt Van Nispen junior dat zijn vader thuis over de kwestie heeft gesproken en dat het feit dat hij dit deed een aanwijzing was dat hij grote moeilijkheden vreesde. “Revolutionairen stonden in die tijd (tegenwoordig liggen de verhoudingen heel anders) bekend als bijzonder kwalijke figuren (de moord in Serajewo had een wereldoorlog tot gevolg), zodat hij zich ook in zijn persoonlijke veiligheid bedreigd moet hebben gevoeld.” Van Nispen noemt Piet van Praag ‘een uitermate lastige en agressieve communist’. 

De brief meldt dat de minister burgemeester Van Nispen telefonisch opdracht gaf de passen van de jongeren te controleren, nadat de burgemeester suggereerde om dat maar te gaan doen, daar naar diens indruk de minister zelf niet wist wat er moest gebeuren. “Zo’n passencontrole hield, behoudens beroep op asyl-recht, automatisch uitwijzing in. D.w.z. wie geen pas had, werd als ongewenste vreemdeling de grens over gezet.” Bij de controle door de politie konden vier personen van Duitse nationaliteit geen pas tonen. “Van de vier arrestanten bleken er twee Joden te zijn. Daardoor kwam mijn Vader, die niets tegen Joden had, maar des te meer tegen Hitler, in een moeilijk parket. Hij belde Minister Van Schaik om nadere instructies te vragen. Maar Zijne Excellentie bleek niet te bereiken.”

Van Nispen verder: “Het geval heeft veel deining veroorzaakt in den lande. Er waren mensen (vermoedelijk communisten) die mijn Vader op straat uitscholden voor moordenaar. Er werd een interpellatie gehouden in de Kamer, waarbij de Minister verklaarde dat de burgemeester van Laren voor het gebeurde verantwoordelijk was. Mijn Vader was hierover in hoge mate ontstemd. Hij noemde de Minister een laffe figuur. De vraag, wie uiteindelijk voor het incident verantwoordelijk was, is m.i. niet moeilijk te beantwoorden. Het was Minister Van Schaik, die persoonlijk opdracht gegeven had en die, door op het kritieke moment zijn post te verlaten, toch feitelijk een dubbele verantwoordelijkheid op zich genomen had.”

Van Nispen voegt er aan toe dat zijn vader later nooit een berisping heeft gehad en dat hij als anti-Hitler bekend is blijven staan. In 1943 werd hij door de bezetters ontslagen.

“Nadat mijn Vader na de oorlog weer op zijn post was teruggekeerd, kwam hij op zekere dag thuis en riep uit: ‘Nu raden jullie nooit wie ik vandaag op bezoek heb gehad.’ Daarop vertelde hij dat Piet van Praag hem op het gemeentehuis te spreken gevraagd had. Deze bleek gekomen te zijn om zijn excuus aan te bieden voor zijn optreden vóór de oorlog en hij gaf uitleg aan zijn behoefte om mijn Vader toch nog de hand te schudden. Ik meen dat dit voorval toch ook wel een licht op de zaak van de uitwijzing werpt.” [Na de oorlog is Piet van Praag voor de CPN lid van Provinciale Staten van Noord-Holland geweest en later voor de PSP gemeenteraadslid in Apeldoorn – wk].

Vreemdelingenwet museumstuk
In zijn studie behandelt Schneiders ‘het Larensche geval’ in de context van het hele vreemdelingenbeleid van die periode. Het was gebaseerd op een sterk verouderde vreemdelingenwet uit 1849. Kern was dat burgemeesters met de lokale politieautoriteiten zelfstandig bevoegd waren vreemdelingen uit te zetten. Schneiders: “Een beleid in de zin van een weldoordacht, van tevoren uitgewerkte en consequent toegepaste reeks van uitvoeringsmaatregelen is er zeker niet geweest.” En: “Gegeven de omstandigheid dat de beleidsvoering zich afspeelde achter de schermen en niet op de voet gevolgd werd door een controlerend parlement of juridische hulp voor de vluchteling, zal het resultaat duidelijk zijn. Het beleid tegenover de politieke vluchteling is geweest een voortdurende improvisatie, vastgelegd in een omvangrijke reeks circulaires en aanschrijvingen, nog doorkruist door allerlei incidentele ad hoc-beslissingen.” 

Schneiders bespreekt ook de verschillende linkse stromingen in Nederland, Duitsland en andere landen en de behandeling van ‘het Larensche geval’ in het parlement.

Gedraai autoriteiten
Minister Van Schaik was bevreesd dat in Duitsland streng zou worden opgetreden tegen de drie SAP-leden. Die vrees nam toe toen bekend werd dat Bobzien in de gevangenis was gestorven. Dit bericht bleek later echter onjuist te zijn (Dr L. de Jong vermeldde deze onjuistheid nog wel in deel 1 van zijn oorlogsgeschiedenis). Ondertussen had Van Schaik via zijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken geprobeerd de Duitse justitie mild te stemmen, maar die pogingen zullen weinig uitgehaald hebben. Als belangrijkste oorzaak van het feit dat de uitleiding zo veel ruchtbaarheid gaf, niet alleen in linkse kranten, maar ook in bijvoorbeeld de Nieuwe Rotterdamsche Courant, het Algemeen Handelsblad en de Haagsche Post, noemt Schneiders “het gedraai van de autoriteiten, het op elkaar afwentelen van de verantwoordelijkheid en de onvolledige informatie die zich gewroken hebben. Het heeft ertoe geleid dat wat als incident begon, ging uitgroeien tot een schandaal. Met name het optreden van minister Van Schaik in deze aangelegenheid kan niet anders dan uiterst ongelukkig worden genoemd. Hoezeer de minister zich er persoonlijk bij betrokken heeft gevoeld, blijkt uit het feit dat de bewindsman de Larense stukken apart liet bundelen en opbergen. Gelukkig, want daardoor is het dossier Laren aan massale verbranding in de meidagen van ’40 ontsnapt en is een reconstructie van het gebeuren aan de hand van de stukken mogelijk.”

Van Nispen geen fascist
In Duitsland werd Van Nispen beschouwd als aanhanger van de NSB. Ook in de genoemde dissertatie uit 2010 staat dat vermeld. Koetsier en Roest schrijven dat Willy Brandt Van Nispen in zijn memoires ‘nazistisch gesinnt’ noemt. “Dat is onjuist, maar in linkse kringen worden de gebeurtenissen zo geïnterpreteerd.”

Bij de discussies in de Kamer was Van Nispen beschuldigd van een fascistische gezindheid. Schneiders zegt erover: “Dat is niet waar, Van Nispen was zeker geen fascist. Hij was een zeer gelovig katholiek en conservatief edelman, het type regent met bonhomie, bij het overgrote deel van de Larense bevolking erg geliefd. Een der hoofdwegen van Laren is naar hem genoemd. Hij was een sterk nationaal denkende man die in de oorlog ondergedoken is geweest. Nergens blijkt van een fascistische gezindheid, wel van een grote afkeer en vrees voor links. Hij was al sedert jaren informant van de Centrale Inlichtingendienst over de linkse groepen in het Gooi, een geheime vertrouwensfunctie. In 1939 kwam hij opnieuw in het nieuws toen hij de film Het hart van Spanje verbood. Enige sympathie voor zijn vier Duitse arrestanten heeft hij dan ook zeker niet gehad. Hij vond hen ‘gevaarlijke sinjeurs’ en alleen al het feit dat hij, zoals zijn zoon zich herinnert, in het gezin over de komende bijeenkomst in De Toorts sprak, bewijst zijn angst.”

Na 1934
De scriptie zegt dat ‘het Larensche geval’ duidelijk verandering heeft gebracht in het vreemdelingenbeleid. Tot 1934 werkte de Nederlandse politie nog nauw samen met de Duitse collega’s, maar daar kwam een eind aan. Ook werden de bevoegdheden van de lokale autoriteiten aan banden gelegd. Tegelijk nam ook het aantal politieke vluchtelingen, na de eerste vloed in 1933-1934, af, een beweging die tegengesteld was aan de Joodse emigratie die in 1938-1939 zijn hoogtepunt bereikte. “Naast het slinken van het aantal [politieke] vluchtelingen en de strengere grensbewaking zal meegespeeld hebben dat de harde kern die in den vreemde bleef zich beter wist schuil te houden. En ten slotte Laren. Laren moet zeker een negatieve invloed gehad hebben als de vluchteling besliste waarheen te gaan. Het was het symbool geworden van onze afkeer linkse vluchtelingen te dulden, laat staan bescherming en asyl te bieden.”

Bronnen:

  • Koetsier, Teun en Elbert Roest, Schieten op de maan; gezag en verzet in Laren NH in WO II. Laren, Van Wijland, 2016.
  • Lenz, Gertrud, Gertrud Meyer, Eine politische Biografie. Inauguraldissertation Universität Flensburg, 2010.
  • Schneiders, Paul, Het Larensche geval; literatuurrapport, afgesloten op 7 april 1970 (getypte tekst).
  • Schneiders, Paul, Het Larens geval; een vluchtelingenaffaire (getypte tekst scriptie).
  • Van Nispen van Sevenaer, Jhr. H.R.R.L, Brief d.d. 29 januari 1971 aan drs. P. Schneiders (getypt).
  • De Kamp toen…En nu. In Kwartaalbericht HKL 102 (2007-4).
  • Rechtszaak in 1935: voorspel WO II. In Kwartaalbericht HKL 132 (2015-2).
  • Jong. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1, Voorspel, pagina 549 (via internet).
  • Wikipedia-pagina (Duits) over Franz Bobzien.
  • Website Stadt Oranienburg over Franz-Bobzien-preis.
  • Krantenartikelen op internet, via zoeken op Delpher en Streekarchief Gooi en Vechtstreek (‘Gooi en Vecht Historisch’).

Noot Wim Keizer: Paul Schneiders was in de periode 1977-1980 mijn docent geschiedenis op de Frederik Muller Akademie.