Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Herinnering aan kerstmis

Herinnering aan kerstmis

“O, Kerstnacht, schoner dan de dagen, hoe kan Herodes het Licht verdragen…“

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 102 [2007-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Arnold van Kessel

Ja, zo Vondel het ooit verwoordde, was het vroeger in mijn Kerstnacht in Laren. Veel licht. Héél veel licht en warmte. Leuk als het ook nog flink gesneeuwd had. Want met sneeuw buiten en warmte binnen werd de kerstsfeer nog extra verhoogd. Dat gebeurde niet altijd, maar wel in 1941, toen er een heel dik pak sneeuw lag, maar de oorlogsomstandigheden werkten toch negatief op de viering van het kerstfeest. Er was letterlijk en figuurlijk toen weinig licht.

Bij ons thuis was Kerstmis ook een hoogtijdag. In de adventtijd was ons goed ingeprent, dat wij als kinderen offertjes moesten brengen. Dat bestond dan uit b.v. zonder mokken je bord leegeten, een miniklusje doen of moeder helpen bij de afwas. Als beloning kreeg je dan een strootje, dat uit een klein blikken trommeltje te voorschijn kwam. Die strootjes hadden als doel om het Jezuskindje met de Kerst in het kribbetje zacht te laten slapen. Uit overlevering weet ik, dat ik op jonge leeftijd eens heb gezegd, dat ik een chocolaatje niet lekker vond. Maar ik zou het toch wel opeten, want dan had ik een strootje verdiend. Die vlieger ging natuurlijk niet op.

De kerststal werd een paar dagen van te voren van de zolder gehaald, waar hij een jaar gerust had tussen oude dozen met hoeden van oma en koffers. Jozef, Maria,de os en de ezel, de herdertjes en hun schaapjes werden uitgepakt en in een kamer op een tafeltje gezet. Erachter stond een door ons versierde kerstboom, geleverd door de kwekerij van Jan de Leeuw uit de Kerklaan. Op kerstavond kwam dan het kribbetje te voorschijn en wij mochten er eerst de verdiende strootjes neerleggen, alvorens het Jezuskindje er een zachte slaapplaats kreeg. Natuurlijk gingen wij altijd naar de nachtmis. Je moest er wel op tijd bij zijn, want vele mensen dachten er precies zo over. In de kerk werden er stoelen bijgezet voor de vele bezoekers. Veel mensen kwamen er, die door het jaar weinig in de kerk

kwamen, maar die dan toch graag aanschoven om de warme kerstsfeer te proeven, die er in de basiliek hing. Dat kwam ook zeker door de vele brandende kaarsen, de schitterende bloemstukken, de bekende kerstliedjes, de wierooklucht, de vele misdienaars met hun rode toogjes met de prachtig door de dames Bus geborduurde superplies en de grote kerststal met die grote beelden. Dat alles omlijst door het machtige orgelspel. Vader en ik aan de mannenkant (epistelkant heette dat)en moeder met mijn 2 zusjes natuurlijk aan de vrouwenkant (de evangeliekant). Vader had als kerkmeester een vaste plaats op de eerste rij. Plaats nummer 2. De Heer van Dijk zat op plaats nummer 1 en de Heer Ruysendaal op plaats nummer 4. De Heer Kerkhof van plaats 3 ging meestal naar de Hoogmis, dus dan mocht ik op zijn plaats zitten. Een mooi uitzicht op al het gebeuren. Het was wel een lange zit, want na de nachtmis kwamen er volgens de liturgie altijd nog de korte dageraad mis en de dag mis. Maar wij konden natuurlijk dan het “Stille nacht” meezingen en “De herdertjes lagen bij nachte”. “Nu sijt wellecome” zongen we ook graag uit volle borst mee. En “Hoe leit dit kindeke”. Al die overbekende liedjes droegen er stevig toe bij om de kerstsfeer te verhogen.

Na de nachtmis gingen we thuis weer naar bed. Rond 10 uur volgde het ontbijt. Een oud hoog grammofoonmeubel met 78 toerenplaatjes stond paraat. Aanzwengelen en het stille nacht ruiste door de kamer. Soms was het mechanische werk eerder klaar dan de plaat. Dan zakte het Stille Nacht steeds langzamer 3 octaven naar beneden, maar een snelle draai aan de zwengel zorgde er weer voor, dat het toerental zwaar kreunend 3 octaven de berg beklom.

Toen de klokken uit de torens in de oorlog waren weggehaald, draaide mijn vader vóór de kerstliedjes eerst een glasplaat met de klokken van de basiliek, die een firma nog gauw had gemaakt. Wij waren altijd doodstil, als wij onze mooie kerkklokken in de kamer hoorden. Buiten bleef het toen doodstil. Dat hoorde niet bij de Kerstnacht in Laren. De klokken hoorden te luiden bij de nachtmis,bij de stille mis om 8 uur, de hoogmis om 10 uur, het angelus om 12 uur, de vespers ‘s-middags om 3 uur en tot slot het avondlof om 7 uur. Na het ontbijt met kerstbrood volgde er nog iets, waar wij als kinderen naar uitkeken. Toen wij niet meer geloofden in Sinterklaas, hadden mijn vader en moeder besloten om wat pakjes in het vervolg onder de kerstboom te leggen. Dat was spannend. De gordijnen bleven dicht in de door vele kaarsen verlichte kamer. Pas ná de pakjes gingen de gordijnen open. De kerststal ging na Driekoningen weer naar zolder, de beelden werden dan ingepakt en de Kerst was dan echt voorbij. Die warme herinneringen aan “Kerstnacht in Laren, schoner dan de dagen” gaan nooit meer weg…