Ericaweg – in de jaren vijftig
In juni 1949 verhuisde ik in de kinderwagen naar Ericaweg nr 45, een nieuwe woning. Daarvoor huurden mijn ouders een bovenverdieping. Uiteindelijk zouden we daar met zijn achten wonen. Dat was niet vreemd, er waren veel grote gezinnen in de straat.
Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 170 [2024-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 9,50 per stuk in de Lindenhoeve en bij Bruna en de Larense boekhandel te koop, zolang de voorraad strekt.
Tekst: Ans Pieper (Zaandam)
Wij woonden op de nieuwe Ericaweg. Het zogenaamde oude deel was tussen de Heideveldweg en de Kloosterweg en al voor de Tweede Wereldoorlog gebouwd. Onze straat kwam uit op de Smeekweg. Daar waren in mijn beleving veldjes en dan liep je zo naar de hei. In de straat stonden rode meidoorns. Die bloeiden in mei.
Als ik het over onze straat heb hoort de Goossen de Witstraat daar ook bij. Onze achtertuin bereikte je via een poort in deze straat. En we speelden er ook net zo veel. Hier was ook het plantsoentje, we reden er omheen op onze steppen en fietsen. We haalden het niet in ons hoofd in het plantsoen te spelen. Dat stond vol coniferen en heesters en was kennelijk voor de sier.
Er reden nog vrijwel geen auto’s in de straat, dus een kleuter kon daar al veilig spelen. Er waren veel kinderen en we speelden ook altijd buiten. Je had periodes. Tollen, springtouwen, knikkeren, balspelletjes, zoals stand in de mand en stoepranden. Natuurlijk moest je uitkijken dat de bal niet in een tuin kwam, in elke buurt is wel een boze buurvrouw/man. Voor de huizen was een voortuintje, meestal met een ligusterheggetje, dan was er een strook zand en dan de stoeptegels. Op het zand kon je knikkerpotjes maken. Op de tegels hinkelbanen. Grote hinkelbanen tekende je gewoon op straat. Wat later kwam de hoela hoeptijd. De hoepels werden gemaakt van elektriciteitsbuizen. En dan stonden daar na het eten talloze kinderen en moeders te hoela hoepen.
Rolschaatsen ging niet zo lekker op de straatstenen, maar de Kloosterweg was geasfalteerd, dus trokken we daar naar toe. Als er sneeuw was maakten we een glijbaan op straat.
De meeste moeders waren thuis. Die hadden het ook druk met het huishouden. De bakker, melkboer Van der Brink met zijn pony en later Frans Valkengoed kwamen aan de deur. Net als de groenteboer en appelboer Luif. De slager en Van Vulpen kwamen boodschappen afleveren. Dan kwamen er nog regelmatig een schillenboer, een voddenboer, of een scharensliep langs.
Met vastenavond gingen we de huizen langs met onze rommelpot. We kregen snoepjes en soms een cent.
Ik heb ook nog wel een leuke herinnering aan de vakantie. In de jaren vijftig betekende het dat je zes weken thuis was. Of je ging eens een keer logeren bij een familielid.
We maakten een soort kermis. Die stond voor het plantsoentje. Met mijn zusjes hadden we een knikkerbak, die onze vader gemaakt had. Daar mochten kinderen voor een cent spelletjes doen. We hadden prijsjes, waarschijnlijk plaatjes, snoepjes en kleine speelgoedjes van onszelf. Zo had iedereen iets bedacht en gingen we de verdiende centen meteen weer uitgeven bij de volgende ‘kraam’.
In de straat woonden mensen van verschillende gezindten: katholieken, protestanten en niet-gelovigen. We zaten daardoor ook op verschillende scholen, maar na schooltijd gingen we allemaal met elkaar om. Volwassenen hielpen elkaar ook zo nodig bij een klusje en leenden gereedschap uit.
Tot mijn zeventiende heb ik op de Ericaweg gewoond. Ik heb er goede herinneringen aan.

