Een charismatische levenskunstenaar Tony Offermans (1854-1911) – 3

Een charismatische levenskunstenaar Tony Offermans (1854-1911) – 3

In de eerste aflevering over leven en werk van Tony Offermans hebben wij met hem kennisgemaakt als succesvol docent tekenen en schilderen aan de damesklasjes van Leidse Tekenacademie Ars Aemulae Naturae. Vervolgens leerden we in deel twee dat Offermans door zijn kunstvrienden hogelijk werd geprezen vanwege zijn humor, spreektalent en muzikaliteit. In deze derde aflevering besteed ik aandacht aan Offermans als beeldend kunstenaar. Wat zei de kunstkritiek over hem en wat had hij te vertellen over de recensenten.
Ook geef ik mijn indruk over zijn schilderijen en aquarellen. Dankzij het Singermuseum ben ik op mijn verzoek in contact gebracht met een verzamelaar van het werk van ­Offermans. Hierdoor heb ik vijftig originele werken van Offermans kunnen aanschouwen.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 133 [2015-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Peter C.L. van der Ploeg

Deel 3: De meester-schilder van de poëzie van het ambacht

Het debuut als kunstenaar
Offermans wordt hartelijk ontvangen als hij voor het eerst deelneemt aan de Tentoonstelling voor Levende Meesters in Den Haag in 1875.

“Een hartelijk welkom!” roep ik den jongen Offermans toe, die met zijn ‘Brillenkoopman aan den molen’ voor ‘t eerst in de stad zijner en onzer inwoning débuteert. Wie zoo talentvol optreedt, na het ‘vak’ pas sedert weinige jaren beoefend té hebben, voor diens kunstenaars-toekomst zal wel niemand bevreesd zijn.”
J. van Santen Kolff

Van Santen Kolff vervolgt zijn hartelijk welkom dat ik hier overneem zodat we ons ook enigszins een voorstelling kunnen maken van wat Offermans heeft afgebeeld, want tot nu toe is er van dit werk geen foto bekend:

“De bijval die hem van de zijde van kunstkenners en… kunstmaecenassen te beurt is gevallen – reeds weinige dagen na de opening der tentoonstelling prijkte zijn stuk met het voor den jeugdigen artist zoo prikkelend en voor den ouderen kunstenaar zoo welkom ‘verkocht’ – zal hem stellig tot spoorslag strekken om met ijver op den ingeslagen, weg voort te treden. Zulk gezond réalisme, met zooveel talent, geest en naieveteit behandeld, kan niet anders dan ‘ten heil’ in de kunst leiden. Dat duidelijke sporen van den invloed van zijn vroegeren leermeester Blommers in behandeling en kleur aanwezig zijn, strekt zijn aantrekkelijk werk stellig niet tot oneer, vooral daar er buitendien zelfstandigheid en oorspronkelijkheid genoeg uit spreken. Ware het geheele tafereeltje wat helderder in kleur gehouden, ‘t zou er, dunkt mij, door hebben gewonnen; nu is ‘t wat zwaarmoedig. Behalve de zeer goed gelukte karakteristiek der figuren – het aardig, over haar onderdeurtje heengebogen, de bril op de proef stellend oud vrouwtje, en de zijn waar aanprijzende koopman – verdienen de muur en het keurig stilleven – parapluie met toebehooren – in den hoek links den warmsten lof.” 1)

De grijze school
In hetzelfde jaar 1875 dat de gerenommeerde kunstcriticus van Santen Kolff (1848–1896) de term ‘Haagsche School’ munt voor de groep schilders die in grijze tinten het alledaagse leven verbeelden, steekt hij de loftrompet voor Tony Offermans. Helaas heb ik nog geen afbeelding van ‘Brillenkoopman aan den molen’ gevonden, waardoor ik de kleuren niet kan beoordelen, maar graag koppel ik hieraan een anecdote die Van Gelder in zijn boek ‘100 jaar Haagse schilderkunst in Pulchri Studio’ noemt. In het boek over Anton Mauve 2), die door van Gogh als ‘de meester van het grijs’ wordt betiteld, lees ik:
“…dat men vooral in de meer conservatieve kringen sprak over ‘de grijze school’ in plaats van de Haagse school. Dit tot grote ergernis van de zich steeds uitbreidende groep van jonge schilders, die zich aansloten bij de grote meesters: Israels, Bosboom, Weissenbruch, de Marissen, Mauve.” Offermans en zijn huisgenoten behoren tot die groep.
“Een anecdote vertelt hoe De Bock, Jozef Neuheuys en Tony Offermans, die in hun jonge jaren samenwoonden in het toen aan de stads buitenkant liggende huis Rozenburg, (waar later de aardewerkfabriek zou komen), bij de inwijding daarvan de vestibule hadden bekleed met grijs papier, in het midden was een grijs medaillon, verlicht door een nachtpitje, met het opschrift: ‘hulde aan de ridders van den grijzen nevel’; het was de inleiding tot een schitterend feest ter ere van de uitgenodigde grote meesters.” 3)

Recensenten
In het Haags gemeentearchief zijn enkele brieven van Offermans bewaard gebleven. In een van deze brieven geeft hij ongezouten commentaar op de recensies van twee kunstcritici. Het betreft Grada Marius en Albert Plasschaert. In haar boek haalt kunsthistorica Yvette Marcus-de Groot 4) de brief aan van 7 december 1903 van Offermans aan de hem welgezinde kunstcriticus Loffelt en licht hier twee voorbeelden uit: Offermans versus Plasschaert en Offermans versus Marius. Volgens het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie was ­Plasschaert (1874–1941) in zijn tijd ‘een van de belangrijkste en meest gevreesde critici van Nederland’. Offermans haalt flink uit naar beide recensenten. Yvette Marcus-de Groot stelt dat Plasschaert volgens Offermans “kleinerend, spottend en in slechte stijl” over zijn werk schrijft. Maar hier zet zij haar lezers op het verkeerde been. Offermans fulmineert tegen Plasschaert omdat: “Zijn geschrijf over Henkes trof me zoo dat ik in woede ontstak!” Dat is wat er in zijn brief staat. Het gaat helemaal niet om een slechte recensie voor Offermans. Het gaat over de recensie op het werk van kunstschilder Gerke Henkes (1844–1927) die Offermans heeft leren kennen in het atelier van Blommers 5). Het “kleinerend, spottend en in slechte stijl” is de typering die Offermans geeft van de brief die hij van Plasschaert ontving. Offermans besluit zijn tirade tegen Plasschaert met: “(ik) … veeg 5 maal graager paardenvijgen op de publieke straat bij elkaar dan dat ik op die manier aan mijn kost moet komen. Maar… Hij kan ’t niet helpen. Gek geboren. Gaat zelden over!!”
In haar boek ‘De Hollandsche Schilderkunst in de 19e eeuw’ 6) – eerst gepubliceerd in 1903/4 – schrijft Grada Marius (1854–1919) over Offermans: “Tony Lodewijk George Offermans, in Den Haag in 1854 geboren, heeft in zijn ambachten-interieurs, eenigszins op de wijze der Haagsche School met iets er in van den vroegeren Th. Mesker, goed geschilderde stukjes gegeven, welke door de deugdelijke factuur en de trouwe weergave der typen op zich zelf goed zijn. Hij is de leerling van Blommers en indirect van Artz, en wat meer is, hij is de zoon van de grootste lyrische zangeres, die wij te onzent gehad hebben, Mevrouw S. Offermans-van Hove, een geslacht, het hare, waar schilders en muziek plachten te heerschen.” In zijn brief aan Loffelt geeft Offermans ronduit aan zich erg te storen aan haar breedvoerig en indirect taalgebruik. Het is niet zozeer dat mevrouw Marius zijn werk niet positief waardeert, want daar geeft ze een redelijk gunstig oordeel over. Hij windt zich er over op dat haar recensies in het algemeen zo genuanceerd zijn uitgeschreven, dat haar oordeel verloren gaat in een stroom van ‘blijken, schijnen en dunken’.

De veemarkt van Purmerend, naar een schilderij van Tony Offermans, Nederlands Tegelmuseum.

A.C. Loffelt
Journalist en Nieuws-van-de-Dag-kunstcriticus Loffelt (1841–1906) heeft doorgaans veel waardering voor het werk van Offermans. Het is goed denkbaar dat zij elkaar via Blommers hebben leren kennen. Uit de brieven die stammen uit Offermans’ na-Haagse periode (na 1899) wordt duidelijk dat de heren elkaar kennen uit Den Haag. Het is jammer dat Loffelt’s reacties op de correspondentie van Offermans ontbreken. Ik krijg namelijk de indruk dat er een plagerig, ondeugend en misschien te vriendschappelijk toontje in de brieven van Tony zit. Want Offermans weet als geen ander wat je met woorden kunt doen. Zonder commentaar van Loffelt is de strekking en de diepgang van hun verhouding tot elkaar moeilijk definitief te duiden. Het lijkt er op dat Loffelt toch graag professionele afstand houdt. Hij bespreekt het werk van Offermans op gunstige wijze. Loffelt is een echte liefhebber zoals blijkt uit onderstaand stukje dat werd gepubliceerd in Nieuws van den Dag van 1 Oktober 1904.
Als Loffelt In het Nieuws van de Dag van 19 februari 1896 de tentoonstelling van de portefeuille van Mevrouw Artz-Schemel in Pulchri Studio bespreekt, komt voor mij aan het licht dat er nog een versie bestaat van ‘de groote veemarkt’ en dat Loffelt dat als een belangrijk werk ziet. “…zoo ook de groote veemarkt te Leiden, door Tony Offermans; de achtergrond is hier veel beter in toon, dan op het gelijksoortige schilderij, dat te Chicago, meen ik, bekroond is”. Tony werd inderdaad op de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1893 met een medaille beloond door een uit 35 leden bestaande internationale jury voor zijn inzending. Van het originele schilderij ‘De groote veemarkt te Purmerend’ ken ik geen afbeelding. Er bestaat echter wel een tegelplateau dat hierop is gebaseerd.

Uit het boek van Yvette Marcus-de Groot weet ik dat Loffelt in 1894 met Grada Marius in conflict kwam omdat hij blijkbaar niet van haar kunstbeschouwingen was ‘gecharmeerd’. Het lijkt mij waarschijnlijk dat Offermans van de polemiek tussen Loffelt en Marius op de hoogte was. Zo preekte Offermans in zijn brief aan Loffelt met zijn scherpe verontwaardiging over Marius voor eigen parochie. In deze context is het daarom interessant dat Loffelt in hetzelfde artikel van 19 februari ook ingaat op een werk van Marius die ook schilderde: “Mej. Marius’ binnenhuis met schrijvend boertje is wat zwart en zwaar behandeld.” Loffelt’s laatste recensie voor zijn overlijden van Offermans’ werk in september 1906 dateert van 10 februari 1906 en levert ook weer een fijne verrassing op. Loffelt beoordeelt hier een tentoonstelling die op initiatief van De ‘Larenschen Kunsthandel’ in Pulchri Studio wordt gehouden. “De beide figuurstukjes van Tony Offermans in de aquarellenverzameling oefenen daar een groote aantrekkelijkheid. De ‘Schrijnwerker’ is weer vervuld van de poëzie van het ambacht”.
De verrassing voor mij betreft het werk: ‘Bloemenmeisje aan het strand’ dat zich volgens Loffelt: “onderscheidt (…) evenzeer door afwezigheid van conventie, die in dergelijke voorstellingen door Duitschers zoo hinderen kan.” Ik had mij al herhaaldelijk afgevraagd of Offermans in navolging van zijn leermeester Blommers ook strandtaferelen zou hebben geschilderd al of niet met vissersvrouwen in de duinen of bomschuiten aan het strand. Nu weten we dat er in ieder geval één strandscène tot zijn oeuvre behoort. Geen visverkoopster sjouwend met een grote rieten vismand, maar een jonge vrouw met een mandje rozen aan de ene hand en een losse bloem in de andere kijkt ons aan als wij het strand oplopen.

Interieur Albert Neuhuys
Interieur Tony Offermans

Tweede garnituur
Journalist en kunstcriticus Nathan Wolf (1872–1942) roemde Offermans in zijn in memoriam in 1911 in het door hem opgerichte geïllustreerd weekblad De Kunst: “Offermans was namelijk een zeer knap en gevoelig aquarellist” en: “Wat Tony Offermans maakte was degelijk en mooi van kleur: hij verloochende zijn leermeester Blommers niet.”
Toch was er ook kritiek op de kleur in Offermans’ werk. Het was te donker of zelfs te zwart. Offermans worstelt daar in zijn zelfkritiek ook mee als hij het ‘blonde’ licht niet juist weet te treffen.

In het tijdschrift De Kunst 7) bespreekt criticus Wolf het toneelspel LouLou dat werd opgevoerd door het gezelschap N.V. Het Toneel in Paleis Schouwburg Amsterdam. Interessant is hier de metafoor die hij gebruikt. “Als maatstaf van beoordeeling kan niet dienen die welke men aanlegt aan artiesten van den eersten rang: een Larensch binnenhuis met figuren van Tony Offermans is een ander dan een Larensch binnenhuis met figuren van Albert Neuhuys (1844–1914); en wie een Offermans beoordeelt naar de maatstaf die men een Neuhuys aanlegt, komt natuurlijk tot verkeerde konklusies. Maar daarom kan een Offermans op zichzelf wel een goed en gaaf schilderij wezen… een geheel, een gaaf geheel, een ensemble, dat, op zichzelf beschouwd, góed was: niet de maatstaf waarnaar men een Albert Neuhuys beoordeelt moest hier worden aangelegd, maar die van een Tony Offermans; niet de eerste artiesten stonden hier, maar een goed geheel van tweeden (en derden).”
Liever spreekt men hier van meesters en kleine meesters. Jozef Israëls en Anton Mauve worden steevast tot de grote meesters van de Haagse School gerekend. Maar ook niet al hun werken zijn meesterwerken. Het werk van Offermans komt in zekere zin voort uit de verworvenheden van de Haagse School en hij heeft ons beslist een aantal meesterlijke werken nagelaten. Hij heeft zijn eigen kleur en zijn eigen niche gevonden.

Groentensnijdsters
De topschilders van de Haagse School zijn aan het einde van de 19e eeuw zo gewild dat hun werk niet is aan te slepen. “Er is een grote vraag naar deze strandtaferelen (van Sadée en Blommers), vooral uit het buitenland, zodat de kunsthandelaar als het ware het werk onder de handen van de schilder vandaan haalt. Veel onderwerpen worden dan ook vaak herhaald, steeds in een wat andere compositie.” (Uit: B.J. Blommers, Tiny de Liefde-van Brakel, Katwijks Museum 1993). Het geldt niet alleen voor Offermans leermeester Blommers, ook Offermans zelf ontsnapt niet aan de druk van de handelaren en het herhalen van onderwerpen. De groentensnijdsters zijn daarvan een goed voorbeeld.
Tony Offermans, Koolsnijdster, ongedateerd, olieverf op doek, 40,5 x 31 cm, Singer Laren, schenking Anna Singer-Brugh 1956.
De generale koorrepetitie.

Mijn kijk op Offermans

Aquarellist
In het Teylers museum in Haarlem was van 21 februari tot en met 8 juni 2015 een tentoonstelling waar de mooiste aquarellen uit de 19e eeuw werden getoond. Ik hoopte daar ook werk van Offermans aan te treffen. Hij was immers vrijwel van meet af aan lid van de Hollandsche Teekenmaatschappij, opgericht in 1876 door o.a. Mesdag en Blommers. De vereniging had tot doel de waardering voor de aquarelleerkunst en productie van aquarellen te bevorderen. Op de tentoonstelling waren vele sublieme werken te zien. Maar geen enkele aquarel van Offermans, wel van zijn leraar Bernard Blommers. Een gemiste kans voor Teylers, want het museum beschikt in haar collectie over één van Offermans mooiste aquarellen, die ook nog eens kenmerkend is voor zijn oeuvre. Aan het slot van mijn artikel vertel ik u hoe u dit prachtige werk toch kunt bewonderen.

Figuur- of landschapschilder?
Johan Gram schrijft in 1880 in zijn boek: ‘Onze schilders in Pulchri Studio’ dat Offermans zich aanvankelijk ontpopte als een figuurschilder, maar : “hij (heeft) zich in den laatsten tijd meer aan het landschap gewijd.” In oktober 1890 vult Offermans op een antwoordkaart van Kunsthandel maison Artz in dat hij een figuurschilder is. Zijn aanmelding bij kunsthandel Artz, dat voornamelijk handelde in kunstwerken van de Haagse school, is waarschijnlijk goed uitgepakt gezien de hartelijke brief die Offermans schrijft aan Helene Sues-Schemel, als dank voor de lange brief die zij hem zond voor zijn vijftigste verjaardag in 1904. Helene was eerder getrouwd met schilder David Adolphe Constant Artz (1837–1890) en is de moeder van schilder Constant Artz (1870–1951). Constant Artz is vooral bekend door zijn ‘eendjes’. Hij was een leerling van Offermans in de periode 1899–1902 waarin Tony woonde en werkte in Villa Sophie in de buurtschap de Steeg nabij Rheden.

De figuren in het werk van Offermans vallen mij op door hun bijzondere getroffenheid. Hier zijn de personen afgebeeld als waren zij onbespied door de schilder. Hun houding en expressie komen volkomen natuurlijk over en zijn harmonieus met de omgeving waarin zij zijn afgebeeld. Het is daarom interessant te lezen dat Emke Raassen-Kruimel 8) eenzelfde observatie bespreekt ten aanzien van de figuren in de werken van Anton Mauve. Zij zegt daarover: “Opmerkelijk is de wat verstarde houding van de boerin op het schilderij ‘In de moestuin’. Ook in andere schilderijen is te zien dat Mauve soms problemen had met het soepel weergeven van figuren.”
Spreekt er engagement uit het werk van Offermans? Toont het een maatschappelijke betrokkenheid? Hij beeldt met name de eenvoudige beroepen uit (geen rechters, doctoren, of fabrieks- of bankdirecteuren) en gaat voorbij aan de industriële revolutie. Is het kunst met een diepere laag? Wat zie je als je naar het werk van Offermans kijkt? Zijn het overwegend eenzame figuren? Of zijn zij juist ‘gelukkigen’ die stil genieten van de roes die geconcentreerde arbeid genereert en ook wel met ‘flow’ wordt aangeduid. Dromen ze misschien weg in een fantasie die zich achter de horizon van het schilderwerk bevindt?

Offermans’ domein
Het weergeven van één solitair aan het werk zijnde persoon in zijn of haar vertrouwde werkomgeving is zijn niche geworden. Door een open deur en/of nabijgelegen raam valt het (zon-) licht het vertrek binnen en vestigt de aandacht op de arbeidende figuur die het middelpunt van de compositie is. Geen juristen, filosofen, schrijvers, astronomen, dominees en andere geestelijken. Geen zangers of zangeressen. Wel instrumentmakers maar geen musici, geen pianist of violist, geen dirigent. Het ontbreken van musici is op zijn minst opmerkelijk gezien zijn muzikale familie en zijn eigen muziektalent.
Toch ken ik inmiddels twee uitzonderingen: ‘De generale koorrepetitie’. Dit werk werd getoond op de tentoonstelling van Arti et Amicitae in Amsterdam in 1881. In meerdere opzichten is dit een opvallend en uitzonderlijk olieverfschilderij. Allereerst vanwege de afmeting: 78 cm bij 127 cm. Meestal werkt Offermans op kleiner formaat. Op dit doek zijn maar liefst zestien personen afgebeeld. Uniek in zijn oeuvre. Helaas uniek, maar daardoor uniek. Het veertien jongens tellende koor, de dirigent en een zittende pijprokende man, mogelijk zijn zij beiden wel priesters.
Het andere werk betreft (waarschijnlijk) een monnik spelend op een traverso (houten voorloper van de dwarsfluit).
Misschien is ‘schoenmaker blijf bij je leest’ wel een goed adagium voor een figuurschilder die aan het werk zijnde ambachtslieden in hun werkplaats weergeeft in aquarel of olieverf.

Jan Luyken (1649–1712) kan in zekere zin worden gezien als de voorganger van Tony Offermans in het uitbeelden van ambachten. Jan Luyken publiceerde samen met zijn zoon Caspar in 1694 het boekwerk ‘Spiegel van het Menselyk Bedryf’ waarin 100 ambachten in afbeeldingen zijn afgedrukt. Een aantal daarvan komen we weer tegen bij Offermans; o.a. timmerman, brillenmaker, kuiper, visser, klompenmaker, etc. Toch overtreft de diversiteit aan ambachten van Luyken ruimschoots die van Offermans.
Een dergelijk uitstapje maken we ook naar Herman Heijenbrock (1871–1948) die twee decennia na Offermans wordt geboren en in zijn werkzame periode veel industriële arbeiders in een fabriek of op de scheepswerf schildert, maar vooral ook vaak pastelleert.

Schoenmaker hou je bij je leest
Aan het slot van het interview van Paul du Rieu met Offermans in 1899 9) valt bij het verlaten van het atelier het licht op een bijna voltooid schilderij van een schoenmaker. Du Rieu merkt dan op dat het onderwerp doet denken aan vroeger werk van Offermans. “Ja!, dat doet het. Maar het is zooals het is, je slaat wel eens een zijpad in, maar het draait zoo dikwijls weer naar den hoofdweg toe. On en revient toujours á ses premiers amours.”
Een heel mooi en karakteristiek werk van Offermans kunt u vinden op de website van Teylers museum: http://goo.gl/4ryK98
In de volgende aflevering sluit ik de verhandeling over leven en werk van Offermans af met nog enkele bijzondere gebeurtenissen uit zijn Larense periode en een interview met de verzamelaar van zijn werk.

Herman Heijenbrock: Het uithalen van de electro-oven.

Bronnen: Delpher; Wikipedia; RKD; www.heijenbrock.org; www.hetgeheugenvannederland.nl; Haags Gemeentearchief.

Met dank aan: Singer Museum, Anne van Lienden; Verzamelaar Hinno Böttger.

  1. J. van Santen Kolff, Een blik in de Hollandsche schilderschool onzer dagen. III in De banier; tijdschrift van “Het jonge Holland” jrg 1, 1875, no 3
  2. Anton Mauve 1838-1888, Redactie: Saskia de Bodt en Michiel Plomp, Uitgeverij Thoth, Bussum, 2009
  3. 100 jaar Haagse schilderkunst in Pulchri Studio, Dr. H.E. van Gelder, Uitgegeven bij G.W. Breughel Amsterdam,1947
  4. hoofdstuk 5 van het boek van Yvette Marcus de Groot: Kunsthistorische vrouwen van weleer, de eerste generatie in Nederland voor 1921, Uitgeverij Verloren 2003
  5. B.J. Blommers, Tiny de Liefde-van Brakel, Katwijks Museum 1993
  6. “De Hollandsche Schilderkunst in de 19e eeuw” G.H. Marius, tweede geheel herziene druk, Martinus Nijhoff, ’s Gravenhage, 1920
  7. De Kunst no. 267, 08-03-1913
  8. Anton Mauve 1838-1888, Redactie: Saskia de Bodt en Michiel Plomp, Uitgeverij Thoth, Bussum, 2009, blz. 112.
  9. Elseviers Geïllustreerd Maandschrift 1899 deel 2