Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Cornelis van den Brink

Cornelis van den Brink

Cornelis staat gebogen over een grote koperen bak met daarin een diepblauwe kleurstof. De bak staat op een turfvuur. Voorzichtig laat hij hierin de strengen wol zakken. Het kleuren van de wol is een secuur en specialistisch werkje. De sterkte van het verfbad en de duur van de behandeling is essentieel. Dát is nou juist wat hem zo aantrekt. Met grote toewijding en vakmanschap kwijt hij zich van deze taak. Daarna zullen de strengen te drogen worden gehangen op zogenaamde droogpalen. Deze staan op de hoek Zevenend/Kostverloren, vlakbij de fabriek. Cornelis is de vijfde generatie Van den Brinken die zich bezig houdt met de productie van tapijten.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 133 [2015-3]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Antoinetty van den Brink

Krelis van Teunenmijns

Cornelis werd geboren in Laren op 15 augustus 1869. Hij was het vijfde kind van Mijns (Meins) van den Brink (1831–1871) en Teuntje Calis (1832–1910). Na hem, in 1871, werd er nog een zusje geboren. Het was hetzelfde jaar waarin hun vader Mijns zou overlijden. Roelof, de zes jaar oudere broer van Cornelis, was toen acht.

Vader Mijns was ‘van een oud Larens geslacht’, erfgooier en nakomeling van de eerste wever in Laren die zich als zodanig liet registreren: Klaas Janz van den Brink (1721–1814). Zijn zoon Theunis Klaasz van den Brink (1768–1838) was de eerste (geregistreerde) fabrikant. Deze was de overgrootvader van Cornelis. Hij kreeg vijf zonen. De vierde zoon, Cornelis Teuniszn (1800–1863), kreeg met zijn echtgenote Cornelia Mijnszen Majoor eveneens vijf zonen, waarvan er drie fabrikant werden. Mijns, de oudste zoon, was fabrikant aan het Zevenend, het bedrijf dat de basis vormde voor het latere Van den Brink & Campman (B&C). Deze Mijns werd in 1869 vader van Cornelis, zijn vijfde kind en tweede zoon. Later zou deze in Laren bekend staan als Krelis van Teunenmijns. Het weven zat dus al lang in de genen. Toch kunnen we niet met stelligheid zeggen dat Cornelis in de wieg was gelegd voor het vak dat hij vele jaren zou uitoefenen. Het lag meer voor de hand dat de oudste zoon Roelof, het stokje van de vader zou overnemen. Na het veel te vroeg overlijden van Mijns – hij was pas veertig jaar oud – zette zijn vrouw Teuntje de fabriek van haar man voort. Het was geen succes. Het bedrijf was noodlijdend en wellicht had zij haar hoop gevestigd op het moment dat haar oudste zoon het zou overnemen. Echter, wederom werd zij door het noodlot getroffen: Roelof overleed op achttienjarige leeftijd. Teuntje stond toen aan het hoofd van een vaderloos gezin van vier meisjes en één jongen, Cornelis, die toen veertien jaar oud was, én een bedrijfje dat het vroegere peil niet meer haalde. Cornelis ging in de leer bij zijn oom P.C. van den Brink, die op het Smidslaantje ‘het fabriek’ had.

Ruim twee jaar zou hij hier alle facetten van het maken van tapijten onder de knie krijgen. Loon werd er niet betaald, maar bij het afscheid na twee jaar kreeg hij een gouden horloge. Daar kan je niet van leven, dus ging Cornelis werken bij Tapijtfabriek Keyzer in Hilversum*. Al vrij snel echter zien we hem weer in het bedrijf in Laren.

Ondertussen gaat het privéleven ook door. Cornelis is altijd een stille en bescheiden jongen geweest. Als kind had hij een hondenkar. Het was zijn lust en leven! Als hij wat ouder is, blijkt dat hij erg houdt van belletrie, letteren en amateurtoneelspel. Een regel die zijn zonen zich nog lang na zijn dood herinnerden was: ‘Op Alonzo, de morgenstond gloort aan de kim, welkom heer graaf in Teisterbant.’ Dit was een citaat uit het toneelstuk ‘De Spaanse zilvermijn’ waarin hij een rol speelde. Degenen die de prachtige gedragen en diepwarme stem kennen van zijn zoon Theo, – ook goed articulerend en langzaam sprekend – kunnen zich wellicht een voorstelling maken dat de stem van zijn vader deze klank moet hebben gehad. Eveneens zien we Cornelis in 1886 bij de eerste Sint Jansprocessie na vijftig jaar, als één van de vier wierookdragers.
Terwijl Cornelis lang vrijgezel zal zijn, ontmoet zijn oudste zusje Jan Campman. Een onderwijzer uit Renkum die naar Laren was gekomen. Jan komt in het bedrijfje van zijn (aanstaande) schoonmoeder te werken, naast Cornelis. In 1897 besluiten ze samen een fabriek op te richten: Van den Brink & Campman. Campman was degene die de administratie deed en de man die naar buiten trad, de commerciële man. Cornelis was vooral voor de technische kant, waarbij hij zich gespecialiseerd had in het verfproces. Deze combinatie bleek een succes. Aan het begin van de twintigste eeuw zou B&C de grootste werkgever van Laren zijn. In 1909, Cornelis is dan veertig jaar, trouwt hij met Marie Reijnders. Hij had haar gespot in het dorp waar zij af en toe vanuit Utrecht kwam om in de bakkerszaak van haar familie te helpen. Tot zijn vrienden zei hij: ‘Met haar ga ik trouwen’. En zo geschiedde. Cornelis kreeg na zijn huwelijk de beschikking over een in traditionele stijl gebouwde villa, op het grote terrein aan het Zevenend waar ook de fabriek stond. Na de geboorte van de eerste zoon, Clemens (Clé), was er weer tegenslag op zijn weg. Het dochtertje dat werd geboren – Regina – is slechts een klein half jaar oud geworden. Het kindje daarna, een jongetje, mocht helaas maar ruim twee maanden worden. Gelukkig werden er daarna nog drie gezonde jongens geboren: Jan, Dolf en Theo.

Met Dolf ging hij begin jaren dertig nog ‘s morgens vroeg naar de ververij op het Zevenend om daar samen de vuren aan te steken. Er is altijd iets van pyromanie te bespeuren geweest bij Dolf, m.n. als het om kampvuurtjes of het grote vuurwerk ging! Op zondagmiddag wandelde Cornelis met zijn zonen naar de autoweg om auto’s te tellen – soms wel vijf op een middag! – en ongetwijfeld te bekijken. Daarna naar huis voor de groentesoep waar hij zoveel van hield (evenals van rode beuken waar er een paar op het terrein van B&C stond) en een pijpje. Het was in datzelfde huis dat in december 1921 de echte waskaarsjes in de kerstboom ontstoken waren. Cornelis en zijn drie oudste zonen die op weg gingen naar de kerk – het was nog de Waterstaatskerk – om de nachtmis bij te wonen, keken nog even om ‘om de mooie kerstboom met zijn ontstoken lichten te bewonderen’ en zagen dat deze vlam had gevat! Broertje Theo lag in zijn wiegje heerlijk te slapen en was zich van geen kwaad bewust. Met een vloek die uit zijn tenen kwam, snelde Cornelis weer naar binnen…!

In februari 1932 richtten de twee directeuren een N.V. op, te weten: ‘De naamloze vennootschap Electrische Tapijtfabriek voorheen Van den Brink en Campman’. Door de toename van het aantal aandeelhouders was dit een voor de hand liggende stap. De waarde van de machines was op dat moment 17.000 gulden en de kantoor- en fabrieksinventaris had een waarde van 1.300 gulden.

Cornelis is een harde werker. Naast de grote verantwoordelijkheid voor de fabriek, ook vier zonen te voeden én te (laten) onderwijzen. Zijn negen jaar jongere echtgenote wordt ziek en overlijdt in oktober 1935 op zevenenvijftigjarige leeftijd aan borstkanker. Hun zonen zijn dan resp. vierentwintig, twintig, zestien en veertien jaar oud. Het is de zoveelste keer dat hij aan het graf van een zeer dierbare staat!

Hij had de gave om niet bij de pakken neer te zitten en bleef zorgen voor al degenen die van hem afhankelijk waren. Van den Brinken waren hardwerkende mensen, en hoewel ze in de begin jaren van de twintigste eeuw zeker tot de elite van het dorp behoorden, had Cornelis niet een groot netwerk zoals dat bij adellijken of stadmensen vaak het geval was. Het is dan ook buitengewoon dat twee van zijn zonen het Larense milieu verre ontstijgen. Beiden, Jan en Dolf, zouden in de naoorlogse periode een positief stempel drukken op de nationale economie. Op zijn sterfbed ‘voorspelde’ Cornelis in een gesprek met Jan: ‘Jij wordt nog eens minister’. Los van de voorspellende kracht, gaf het ook aan hoe trots hij op zijn zoon was. Jan wérd minister (1948–1952) en was daarmee de jongste minister van Nederland. Dolf zou het tot president-directeur van Elsevier Uitgeverijen schoppen en een groot aantal maatschappelijke, landelijke functies bekleden. Tegen Clé, de oudste zoon, werd in een van de laatste maanden gezegd: ‘Je hoeft echt geen directeur van B&C te worden, als je dat niet wilt!’ Was dit uit ervaring dat hij dat zei? Door het overlijden van zijn broer immers was Cornelis opeens de enige zoon en daarmee geoormerkte opvolger van zijn vader in de kleine tapijtfabiek op het Zevenend. Clé stapte wél in de voetsporen van zijn voorvaderen en werd op zevenentwintigjarige leeftijd directeur. Naast dat het leidinggeven van een fabriek in die jaren voor de oorlog geen sinecure was, kan ook het ondersteunend onderwijs wat de jongere broers genoten en waarmee zij de loopbanen kregen zoals we reeds zagen, mede op het conto van Clé worden geschreven. De jongste zoon Theo, zeventien toen hij wees werd, was een zeer begaafd iemand. De liefde voor letteren had hij zeker van zijn vader. Na wat omzwervingen in Nederland, vestigde hij zich na de oorlog in Italië.
Cornelis hield zijn zonen voor: ‘Weurke, weurke en nog eens weurke!’: er moest flink worden aangepoot om in het leven iets te bereiken. Een uitspraak een erfgooier waardig.

Op 13 september 1938 overlijdt Cornelis, 69 jaar oud, na een langdurige ziekte.
‘Verzoeke geen bloemen’
Krelis van Teunenmijns was niet meer!

Het fabriekscomplex gesitueerd tussen Zevenend (rechts de villa met de rode beuken) en
Zevenenderdrift.

*In 1930 nog bestond er Cornelis van den Brink’s Tapijtfabrieken in Hilversum, met als directeur de heer A.H.J. Keyzer. Was dit ónze Cornelis? Of is het toeval? We hebben niet kunnen achterhalen of hij daar nog mee van doen had. Wellicht als Michael of ondergetekende nog wat archiefdozen gaan openen, dat er antwoord komt op deze vragen.

Bronnen: ‘Door de Wol geverfd! Weverijen in Laren’, 2010, samengesteld door Antoinetty van den Brink, Jos Joosen en Teun Koetsier, waarin opgenomen een (belangrijk) hoofdstuk van dr. A.C.J. de Vrankrijker (zijn vader was getrouwd met het jongste zusje van Cornelis) geschreven in 1980 voor tijdschrift Tussen Vecht en Eem.

Met grote dank aan neef Michael van den Brink, voor het op schrift stellen van zijn herinneringen die hierin verwerkt zijn!