Leemzeulder

Leemzeulder

“Welke straat spreekt je het meest aan?”, vroeg onze voorzitter Mariëlle Bax in het vorige Kwartaalbericht aan ons, lezers. Mooie vraag! Maar wel een die niet zo snel en gemakkelijk te beantwoorden is. Niet omdat er in Laren geen aansprekende straatnamen zouden zijn. Integendeel, in haar artikel somt Mariëlle al een fraai divers rijtje kandidaat-straten op. 

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 170 [2024-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 9,50 per stuk in de Lindenhoeve en bij Bruna en de Larense boekhandel te koop, zolang de voorraad strekt.

Tekst: Hein Calis

Ook bij mij kwamen er direct meerdere namen naar boven, die om verschillende redenen voor mij het predicaat ‘aansprekend’ verdienen. Sommige vanuit fijne jeugdherinneringen, andere door aanleg, vormgeving, bebouwing, omgeving en weer andere door aparte, historische of mooi klinkende naamgeving. In gedachte door het dorp van mijn jeugd wandelend, bleven er na wikken en wegen uiteindelijk twee straten over die voor mij het meest gevuld zijn met nostalgisch Larense gevoelens, hetgeen bij mij kennelijk de doorslag heeft gegeven bij de uiteindelijke keuze .

De eerste is – waarschijnlijk voor de hand liggend – het straatje waar ik geboren ben en met heel veel plezier mijn jeugd heb doorgebracht. Klein weggetje met een – echt lekker Larens – iets te grote naam: ‘de Cornelis Bakkerlaan’. Niet lang, niet breed, niet recht, niet deftig, geen boom langs de weg te bekennen, maar toch ‘laan’. ‘Laantje’ was misschien beter geweest en dekt wat mij betreft beter de lading: groot van jeugdig leefplezier en klein van ouderwetse knussigheid. Toch wordt dat uiteindelijk niet mijn nummer één. Twee redenen daarvoor. Allereerst zijn de gemoedelijkheid van en het leefplezier in dit laantje in het verleden al meerdere keren door verschillende mensen die er geboren zijn belicht in eerdere Kwartaalberichten (o.a. 101, 105 en 151). Maar daarnaast scoort mijn tweede kandidaat bij mij vooral hogere punten, omdat die in mijn ogen veel betere breed-Larense papieren heeft. Het is ‘de Leemzeulder’.

Ik zal mijn keuze nader toelichten en moet daarvoor eerst terug naar mijn vroege jeugd, maar daarna ook naar mooie herinneringen uit later jaren. Als kinderen speelden we vaak samen buiten. En we hadden daar geen of niet veel duur speelgoed voor nodig: een bal, knikkers, een springtouw, een paar stelten, een mesje voor messenpikkertje, een brandglas voor een stinkveter en dergelijke attributen. 

Toen we wat groter werden – een jaar of 10 – was het summum: een zeepkist! Mijn neven en tevens buurjongens ‘de Wikkermannetjes’ en ik boften op dat gebied. Hun vader een meubelmaker, mijn vader timmerman; beiden garant voor het maken van een superkarretje. Uitvoering uiterst simpel: onderstel van een oude kinderwagen in twee delen, een plank om op te zitten, met een breed achterstuk en een smal voorstuk, zodat de voorwielen – eronder aan een balkje – bestuurbaar werden. Daar een touw aan om te trekken en mee te sturen (wat overigens ook met je benen kon). Dat was alles. Geen rem, geen rugsteun, heel basaal máár pracht speelmateriaal; eerst alleen voor in eigen straat, maar naarmate we wat ouder werden ook voor verderop. En al gauw werd ‘de Leemzeulder’ ons favoriete plekje. Eerst de kar naar boven zeulen tot de kruising met het Raboes en dan kon het feest beginnen: zittend of plat op je buik liggend met een noodvaart naar beneden. Smalle weg, lekker steil, rechts pal naast je – achter een smalle strook brandnetels – het prikkeldraad van Julianaoord en links het toen nog dieper naast de weg liggende rulle zandpad dat als escape gebruikt kon worden als er toevallig een auto tegemoet kwam. Redelijk onverantwoord natuurlijk, maar wel hartstikke leuk. Kunst was om zover mogelijk naar beneden te komen. Meestal niet ver na de slinger voorbij de ingang van Julianaoord. En hup, naar boven dan maar weer voor de volgende recordpoging.

Wat ik me toen als kind niet realiseerde, maar pas veel later toen ik volwassen met of zonder mijn kinderen wederom regelmatig op ‘de Leemzeulder’ te vinden was – omdat mijn vader er achter de mooie huizen naar beneden gaand aan je linkerhand een tijdlang een akkertje had – was de algehele schoonheid van deze straat. 

Van boven naar beneden krijg je het hele nostalgisch Larense langs-het-tuinpad-van-mijn-vader-pakket uitgeserveerd: Bovenaan tot het Raboes links en rechts alleen maar natuur: bos en hei; dan de smalle, lommerrijke glooiing naar beneden, rechts van je het markante Juliana­oord en vandaar verder rustig aflopend naar de Tafelbergweg met aan je rechterhand een groot open landbouwveld en een paardenweide, en links (en verderop ook rechts) mooie, ruime, maar niet-over-de top-woningen met fraai aangelegde en goed onderhouden tuinen. Met  achter die huizen verstopt nog een prachtig groot open terrein met stil verborgen kleine akkertjes. Zo was het zestig jaar geleden en eigenlijk is het nog best goed behouden zo. 

Mijn zoon Job in 1982 met mijn vader Clemens op diens akkertje aan de Leemzeulder.

Paar minpuntjes ten opzichte van de situatie uit mijn jeugd: het wegdek – vooral het asfaltgedeelte –  is zo langzamerhand best aan een grondige opknapbeurt toe (lijkt me in Laren toch oplosbaar…!); de mooie, goed zichtbare tuinen van weleer liggen – zoals veelal ook elders in het dorp – tegenwoordig vaak verstopt achter nog steeds mooi en goed onderhouden groene, maar daarbij ook hoge hagen én de kleine akkertjes achter de huizen zijn verdwenen. 3x jammer! Maar het grote open terrein ligt er nog steeds. Grote delen ervan met verwilderd hoog gras en daartussen een bonte mix van ingezaaide bloemen (dat is dan weer een pluspuntje van deze tijd!) Beslist de moeite waard om via het boerenpaadje tussen nummer 14 en 16 door even om een hoekje te kijken en te genieten van het weidse en in de zomer ook kleurrijke uitzicht daar.

Tja, alles is na ruim zestig jaar uiteraard niet meer hetzelfde, maar de sfeer en uitstraling zijn wat mij betreft nog verrassend goed behouden. Vandaar dat ik – als ik vanuit Soest naar Laren rijd – regelmatig alle voor de hand liggende invalswegen oversla en vanaf de rijksweg bij Crailo via de Prins Hendriklaan de afslag naar de goede oude Leemzeulder (alleen het woord al!) neem en daar met mijn hybride Japanse zeepkist  – veel langzamer dan vroeger, maar nog intenser genietend dan toen – naar beneden glijd langs de mooiste oprijlaan – of zo je wil afrijlaan – naar het aloude centrum van het dorp uit mijn jeugd.