Laarder Courant de BEL: De al of niet 100-jarige in de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw
Bol An-schrijver Leo Janssen wierp de Historische Kring de vraag toe hoe lang de Laarder Courant de BEL eigenlijk bestaat: is het nu honderd of honderd en vijf jaar? Zoals hij zelf gelijk al aangaf is het voer voor historici om dit eens goed uit te zoeken en daardoor iets voor de toekomst. Duidelijk is in ieder geval wel dat het blad in 1923 na een wat onduidelijke voorperiode als nieuw gelanceerd werd.
Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 167 [2024-1]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 9,50 per stuk in de Lindenhoeve en bij Bruna en de Larense boekhandel te koop, zolang de voorraad strekt.
Tekst: Peter Vos
Het minstens 100-jarig bestaan vormt de reden voor de Historische Kring om aandacht te besteden aan ‘de BEL’. We doen dit door er een periode uit te lichten die menig lezer van het Kwartaalbericht nog vers in het geheugen kan of zal liggen, de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Voordeel daarvan is dat de dragers van ‘de BEL’ van destijds daar nog prachtig over kunnen vertellen. In de interviews die ik met twee toonaangevende verslaggevers uit deze jaren heb gehouden (Gerard Smit en Antoon Bruggeling) spatte de bevlogenheid en de liefde voor ‘hun krant’ er na zoveel jaren nog steeds vanaf. Het grote doel voor beiden was wekelijks een krant af te leveren, die betekenisvol was voor de dorpse samenleving én een Larens gevoel zou creëren. Maar… hoe deden ze dat?

Korte geschiedenis
Eerst iets over krant zelf. Tot in het jaar 1924 was er sprake van het ‘Weekblad voor Laren en Blaricum’, een abonneekrant, die elke vrijdag werd uitgegeven door uitgeverij Van Gestel uit Laren. Op 21 juli 1924 staat in de kop vermeld Vierde Jaargang, no. 27, waarmee gesuggereerd wordt dat de eerste krant in 1920 verschenen is.
Op zaterdag 13 october 1923 verschijnt No. 1 van ‘DE BEL’ (gratis nieuwsblad voor Blaricum, Eemnes en Laren) met de belofte elke zaterdag te gaan verschijnen. De eerste, digitaal bewaarde ‘Laarder Courant de BEL’ komt uit op dinsdag 29 april 1924 als ‘nieuws- en advertentieblad voor Laren en omgeving, dinsdags en vrijdags verschijnend’. Het betreft no. 47 en wordt uitgegeven vanuit Blaricum door Beversluis*. De laatste vermelding is per uitgave van 10 Juni 1924 veranderd in Bureau Stationsweg 441 Laren N-H. Nummer 47 suggereert dat de eerste krant eind 1923 is uitgegeven, wat correspondeert met de uitgifte van ‘DE BEL’. Tussen 13 october 1923 en 24 april 1924 hebben er aanpassingen plaatsgevonden wat betreft de naam en het verschijnen van de krant.
In de jaren 1960 wordt ‘de BEL’ overgenomen door ‘De Telegraaf’ om vervolgens in 1982 op te gaan in ‘De Gooi- en Eembode’. Waar eerst nog sprake was van een gratis huis-aan-huis-editie op de dinsdag en een editie voor abonnees uitgegeven op de vrijdag, wordt de krant dan één maal per week huis aan huis verspreid. De krant wordt ook dikker, omdat ‘De Gooi- en Eembode’ binnen haar uitgave de Woonbode en de Autokrant herbergde en ‘de BEL’ deze overneemt. Inmiddels is ‘de BEL’ in handen van de Entermedia-groep te Weesp en verschijnt één maal per 14 dagen.
Zonder iets over andere tijdperken te willen zeggen: de jaren zeventig en tachtig kenmerkten zich in Laren, Blaricum en Eemnes door een bruisend verenigingsleven op het gebied van sport, muziek, theater, kunst en buurtwerk. Daarmee bood het voer te over voor twee gedreven en bevlogen verslaggevers die een krant wilden maken die de dorpse samenleving op de kaart zette.
Even voorstellen
Gerard Smit (73) is van 1971 tot 1982 verbonden geweest aan ‘De BEL’. Na in zijn diensttijd kennisgemaakt te hebben met nieuwsgaring ten behoeve van het personeelsblad van de marine treedt hij er als 21-jarige in september 1971 in dienst. De toen nog abonneekrant kwam op de dinsdag uit met de sporteditie en op de vrijdag met de nieuwskrant. De redactie bestond uit chef-redacteur Henk Slop, verslaggever Gerard en fotograaf Karel Huisman.
Antoon Bruggeling is van 1979 tot 2006 verbonden geweest aan ‘De BEL’. Antoon had na de middelbare school in Bussum een journalistieke opleiding gevolgd in Amsterdam en was in aanraking gekomen met de praktijk door mee te schrijven aan de Bussumse Courant en aan Popzien. Met name Popzien, dat wekelijks in ’t Gooi en Amsterdam verscheen en waar hij van 1980 tot 2006 aan verbonden was, sloot hij in zijn hart, niet in het laatst omdat het hem de mogelijkheid bood om even met de nodige bekende artiesten op te trekken. Eigenlijk wilde hij zelf een krant beginnen, maar een vacature bij ‘de BEL’ deed hem alsnog in dienst treden met uiteindelijk het lange dienstverband tot gevolg.
Gerard en Antoon hebben nog enkele jaren samengewerkt. In 1982 vertrok Gerard naar Almere, Henk Slop ging voor de Gooi- en Eembode werken. Antoon bleef en werd ondersteund door Coréanne van Leeuwen en Linda Blok. Bij aanvang van hun carrière vielen zowel Gerard als Antoon met hun neus in de boter.
Voor Gerard was het in september 1971 de aangestoken brand in de Gooise Zwemschool aan het Mauvezand. Zowel Laren als Blaricum werden in die periode geteisterd door een pyromaan die het vooral gemunt had op panden met rieten daken. Er waren wijken die een soort burgerwacht hadden ingesteld om ’s nachts te patrouilleren. Enerzijds om nieuwe branden te voorkomen, anderzijds om te proberen de pyromaan te pakken te krijgen.
Voor Antoon was zijn eerste grote nieuwsfeit de opheffing van de Vereniging van Stad en Lande van Gooiland. Daartoe werd op 28 april 1979 in de Grote Kerk van Naarden een ceremoniële ledenvergadering gehouden. Hiermee kwam officieel een einde aan het eeuwenlange Markegenootschap van de Erfgooiers.
Voor Gerard zou zijn carrière bij ‘De BEL’ (toeval of niet) ook eindigen met een brand. Ditmaal met een fatale afloop. In mei 1982 werd verpleeghuis de Stichtse Hof getroffen door een grote brand, waarbij drie verpleegkundigen in de vuurzee omkwamen.
Antoon staat zijn fantastisch afscheid in ‘Het Bonte Paard’ nog op het netvlies gebrand. Een mooiere blijk van waardering had hij niet kunnen krijgen.

Het uitbrengen van de krant
De krant zetelde in het pand Naarderstraat 29 te Laren. In de tijd van Gerard werd de begane grond bezet door de advertentieafdeling en zetelde de redactie op de eerste verdieping. Waar Gerard van droomde, wist Antoon in 1982 voor elkaar te krijgen: de redactie verhuisde naar beneden, de advertentieafdeling ging naar boven. Een gouden greep, omdat het de redactie dicht bij de lezers bracht. Burgemeesters, correspondenten en burgers bleken al snel binnen te lopen om nieuwtjes uit te wisselen, verhalen te vertellen, tips te geven die het uitzoeken waard waren en artikelen in te leveren. Het werd een beetje een zoete inval, waar zowel Antoon als de bezoekers van genoten. Het draaide om het leggen en onderhouden van contacten en wat tegenwoordig ‘netwerken’ heet zonder van te voren te weten wat het voor de krant zou opleveren. Dát was tegelijkertijd het leuke en het spannende eraan.
Bepalend voor het werk waren natuurlijk de uit te brengen edities op de dinsdag en de vrijdag. Dit zette flink wat druk op de verslaggevers. Aanvankelijk verscheen op de dinsdag de sporteditie en op vrijdag de nieuwskrant. Voor de sporteditie maakte Gerard driftig gebruik van correspondenten, zoals Paul van Heijningen (LVV-voetbal), Carel Versteeg (LFC-voetbal), Frank van den Wal Bake en Bert Bunnik (beide LMHC-hockey). Daarnaast waren er tipgevers en rubriekschrijvers als Gerben van de Woude (Blaricum), Evert de Groot (Eemnes) en later ook Cees en Marcel Meijer (Laren). Deze correspondenten leverden hun stukken in, waarna het aan de verslaggevers was deze met een deadline in de nek te redigeren en waar nodig te corrigeren. Een intensieve klus, omdat er op een typemachine overgetikt diende te worden. Sowieso werd alles nog op de (elektrische) typemachine gedaan, de computer met tekstverwerker zou nog zo’n tien jaar op zich laten wachten. De deadline hield in dat alles op de dinsdag- en vrijdagochtend bij de drukker moest liggen. In de jaren zeventig was dit in Amsterdam, in de jaren tachtig ook, maar werden de kranten naar Hoorn en later Alkmaar gebracht om samengevoegd te worden met de Gooi- en Eembode.
Gerard en Henk gingen wekelijks op de dinsdag- en vrijdagmorgen naar de drukkerij waar ze de opmaak en het zetten van de krant begeleidden. In de tijd van Antoon, waarin vanaf 1982 de krant één keer per week uitkwam, werd het begeleiden ook één keer en wel op de woensdagmorgen. De avond daarvoor moest de krant dan wel af zijn. Regelmatig een dingetje, omdat het laatste nieuws op de dinsdagavond nog in een artikel gegoten diende te worden. Dat werden dan latertjes waar het thuisfront niet altijd even blij mee was. De kopij werd doorgeseind naar de drukkerij, waar zij uiterlijk negen uur ’s morgens aanwezig diende te zijn. Het gebeurde wel dat een tekst ter plekke nog aangepast diende te worden om haar passend binnen de opmaak te krijgen. Het bood echter ook de mogelijkheid om er nog op het allerlaatste moment een belangrijk nieuwsfeit in te fietsen.
De verkoop van advertenties bepaalde de dikte van de krant. In de lente, herfst en winter kwam de editie altijd wel op zes pagina’s (twee voor advertenties, vier voor nieuws). In deze periodes van het jaar was er altijd kopij voorradig. In de zomer besloeg de krant veelal vier pagina’s, omdat met name de sport wegviel en nieuws in de zomer sowieso minder voorradig was.

Dit noopte Gerard tot initiatief en creativiteit. Hij zag het als een uitgelezen moment voor mooie interviews met aansprekende dorpsgenoten, zoals onder anderen Mies Bouwman, Bert Haanstra, Rob Out, Willem Duys, Nick Vollebregt en Kees Brusse. Daarnaast bedacht hij de rubriek ‘Dorpskroniek’ waarin hij aan de hand van oude BEL-jaargangen de lezer meevoerde naar opmerkelijke berichten van vijftig jaar geleden.
Bij Antoon werkte het anders. De BEL kwam inmiddels één keer per week uit. Hij besloot daarom de sporteditie te laten voor wat het was. Het kwam Antoon ook wel een beetje goed uit. Zoals hij zei: “dan stond ik daar bij de honkbal, kende de spelregels niet en dan moest ik er ook nog iets zinnigs over schrijven”. Het kon ook makkelijk doordat de Gooi- en Eemlander op maandag al met een uitgebreid sportkatern uitkwam. Om dan op de vrijdag nog met een sporteditie uit te komen was een beetje mosterd na de maaltijd. Niettemin stuitte ook hij in de zomer op de ‘slappe’ tijd. Hij wist dit creatief in te vullen door een samenwerking met de VVV en onder andere de theaters aan te gaan, waardoor er een uitgebreide activiteitenagenda in de krant kwam.
Wat ons op een ander kenmerk van de krant brengt. Als het even kon, diende de krant kostendekkend te draaien. Reden waarom de advertentie-inkomsten en de abonnementsgelden natuurlijk heel belangrijk waren en daar op gelet werd. Daar tegenover stond echter een grote inhoudelijke vrijheid voor de verslaggevers. Natuurlijk moesten nieuwsfeiten en de artikelen de dorpsbewoners aanspreken, maar hoe ze de krant lezenswaardig en nieuwsgierigheid wekkend maakten, daarin werden ze vrijgelaten.
Het vak van verslaggever
Zowel bij Gerard als bij Antoon draaide het om verhalen maken, het nieuws zoeken en vinden waar het wordt aangeboden door in gesprek te gaan met mensen en interviews af te nemen. Volgens Gerard is de lokale journalistiek de allerbeste leerschool voor een beginnend verslaggever, omdat alles wel langs komt: het harde nieuws, politiek, sport, cultuur, politie, enz. De diversiteit aan zaken, het continu schakelen tussen het een en het ander, prioriteiten stellen en keuzes maken die maakten dat mensen of organisaties soms teleurgesteld raakten omdat het niet in de krant kon komen en natuurlijk, veruit het beste en waar je het allemaal voor doet: het uiteindelijk schrijven van verhalen en artikelen. Zoals Antoon het herhaaldelijk bleef beschrijven: hartstikke leuk!!
Volgens Gerard was hij de ene avond bij een raadsvergadering, de volgende ochtend bij een persconferentie en diezelfde avond woonde hij dan nog een muziek- of toneeluitvoering bij. En… daar moest wel allemaal snel verslag van gedaan worden. Het was buffelen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds en soms nachtelijk laat.
Antoon beaamt wat Gerard hier aanvoert en vult aan dat het vertellen van verhalen, soms uit de duim gezogen, hem bijzonder aansprak. Pasen, Sinterklaas en Kerst vormden daar de meest uitgelezen periodes voor. Hij herinnert zich de commerciële strijd in december tussen Sinterklaas en de Kerstman. Hij verzon een verhaal rond dit thema, waarbij beide heren elkaar besloten te helpen. De Kerstman deed tijdelijk een mijter op en klom het dak op, waarna Sinterklaas enige weken later deze inruilde voor een kerstmuts en zich door rendieren liet vervoeren.
Als je je werk als verslaggever goed doet en snaren weet te raken bij je lezerspubliek dan loopt de nieuwsgaring vanaf een gegeven ogenblik bijna als vanzelf. Gerard peddelde op z’n fiets door Laren, Blaricum en Eemnes, Antoon had zijn bureau waar velen binnenvielen: de manieren verschilden, maar ze werden op de gekste momenten aangesproken door mensen die iets kwijt wilden over allerhande onderwerpen. En… er waren best mooie, maar ook heikele en controversiële onderwerpen aan de orde in de jaren zeventig en tachtig. Sommige zelfs dorpsoverstijgend. Een kleine greep daaruit: de aanleg van een wegenknooppunt bij Eemnes als gevolg van het doortrekken van de A27 die het open weidegebied tussen Laren, Blaricum en Eemnes doorkliefde en de daaraan gelieerde bouw van de Stichtse Brug, de oplevering van het woningbouwplan Heideveld in Laren, de ontwikkeling van de Oostermeent door Huizen en Blaricum en de realisering van de Noordbuurt in Eemnes. Specifiek voor Laren komt daar nog het zwembad aan de Eemnesserweg bij. Wat beiden benoemen als de gebeurtenis die de meeste indruk heeft nagelaten, vooral ook omdat de oplossing zovele jaren in beslag nam: de teloorgang en sloop van Hotel Hamdorff en het gapende gat dat meer dan tien jaar het Larense dorpsbeeld bepaalde.
Wat beiden als heel leuk in hun vak ervaren hebben is het pionieren, zeker in hun begintijd. Ze moesten van alles ontdekken en zelf ervaren, waarbij een beroep werd gedaan op inventiviteit, creativiteit en het soms brutaal zijn. Meestal werden ze daarbij geholpen door de technologische ontwikkelingen: van typemachine, naar elektrische typemachine, naar tekstverwerker, van fax naar email, en van letterloodzetten naar computerprogramma’s die dit in een handomdraai deden. Soms werden ze er ook door gehinderd. Zoals Antoon aangaf: “de eerste computer? Zelfs na een middag cursus had ik geen flauw idee van hoe het werkte. Gelukkig had ik een ondersteuner die het me prima geleerd heeft. En dan die keer dat na een dag schrijven de floppy-disk om de een of andere reden zodanig crashte, dat alles weer opnieuw moest…”.
De basis van het vak (het onderzoeken, het leggen van contacten, het houden van interviews en het schrijven van verhalen en artikelen) en het bedienen en aan de krant binden van een trouw lezerspubliek? We mogen ze er nog best wakker voor maken. Beiden geven grif toe dat ze eigenlijk van elke minuut dat ze dit vak hebben mogen uitvoeren genoten hebben.
Was er dan niets…? Tuurlijk wel. Beiden gaven aan dat het bijwonen van de Raadsvergaderingen niet altijd een feestje was. Regelmatig een hele avond opofferen voor één voor hen van belang zijnd onderwerp? Tja…
Het vak was afwisselend, uitdagend, deed een beroep op allerhande vaardigheden en kende een hoge mate van zelfstandigheid. Het gegeven dat ze door mensen vanuit alle lagen van de bevolking aangesproken werden op wat ze geschreven (of soms ook niet geschreven) hadden en daardoor een zeker aanzien genoten, ze vonden het allebei prachtig en zouden het zo weer doen. Mooi toch?!!
Nabrander
In het interview verzucht Gerard op enigerlei moment dat het werken voor de BEL zo veelomvattend was, dat ze hem gelukkig nog net niet zelf rond hoefden te brengen. Deze verzuchting riep een eigen vervlogen herinnering van ondergetekende uit de jaren zestig op. Om een zakcent te verdienen bracht mijn een paar jaar oudere broer ‘de BEL’ rond in de wijk rondom de Tafelbergweg en de Noolseweg. Ik hielp hem daar soms bij. Hij was twaalf en ik tien jaar. We fietsten naar het Larense Busstation, waar de door Paul van Heiningen keurig per wijk uitgetelde kranten lagen. Vanaf daar trokken we de wijk in. υ
*) Meer over Martien Beversluis stond in Kwartaalbericht 164 (2023-2).

