Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

Erfgooiers en hun gemene gronden (14)

Erfgooiers en hun gemene gronden (14)

Ruim vijfenveertig jaar geleden. De erfgooiers stopten ermee. Om diverse redenen. Zo was het boerenbedrijf van een erfgooier niet opgewassen tegen de grootschalige landbouw en veeteelt, bestond de erfgooiersorganisatie vooral uit niet-scharende erfgooiers, hadden met name Hilversum en Huizen grond nodig voor woningbouw en maakten velen juridisch amok over de erfgooiersrechten. Zeker gezien het feit dat een zeer klein aantal scharende erfgooiers de dienst uitmaakte. Over een enorm gebied. En daarmee over het welzijn van alle Gooiers.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 139 [2017-1]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Deel 14: De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers!

Anton Kos

Een toentertijd perfect storm. De erfgooiers hadden lang in het oog gezeten, maar het besef drong door dat hun eeuwenoude landbouwpraktijk, gebaseerd op collectief eigendom van onder meer meentgronden, op losse schroeven stond. En voordat anderen het ‘erfgooiersprobleem’ gingen oplossen, deden ze dat liever zelf. Bovendien: verkoop van hun gronden zou veel geld opleveren. Zoals eerder vermeld hadden de niet-scharende erfgooiers daar natuurlijk het meeste trek in, want op die manier konden zij eindelijk hun erfgooierschap te gelde maken.
Begin juli 1971 werd het pleit beslecht, tijdens een algemene ledenvergadering in een snikhete Expohal te Hilversum. De Vereniging Stad en Lande van Gooiland telde toen 5041 leden, van wie er ruim drieduizend kwamen opdagen. Men had verstandig genoeg besloten voor deze vergadering geen presentiegeld uit te keren – dat zou immers met een uit te keren bedrag van fl. 7,50 per erfgooier een kostbare zaak zijn geworden. Met 164 stemmen tegen en 3012 voor werd het pleit beslecht; de erfgooiersorganisatie zou ontbonden worden. Enkelen stemden tegen om nostalgische redenen of omdat zij het ‘zonde’ vonden. Toen deze beslissing werd bevestigd bij Koninklijk Besluit van 11 maart 1973, hield dit tevens in dat de ledenlijst van maart 1972 werd ‘bevroren’. Er kwam geen erfgooier meer bij, er ging geen erfgooier meer af.

Gedrukte stemstroken voor de ledenvergadering op 10 maart 1973 over het plan voor de verdeling van de gronden.

De liquidatie ging vrijwel direct erna van start. De Gooise gemeenten kochten 528 hectare voor vijftien miljoen gulden. Dat waren de gronden die geen agrarische bestemming hadden. De weidegronden, bijna vijfhonderd hectare, werden verkocht voor ruim negen miljoen aan scharende erfgooiers die in het Gooi hun bedrijf wilden voortzetten. Zij betaalden twee gulden per vierkante meter, aanzienlijk minder dan de geldende grondprijs. Scharenden die buiten het Gooi, onder andere in Friesland, een nieuw bedrijf wilden opzetten, kregen een uitkering ineens, samen voor iets meer dan elf miljoen gulden.
De uitkering aan de afzonderlijke scharende en niet-scharende erfgooiers bedroeg ongeveer vijfduizend gulden. Dat geld ontvingen zij niet ineens. Eerst kregen alle leden tien bewijzen van deelgerechtigheid uitgereikt, waarop na verloop van tijd uikering volgde. Op 10 december 1973 werd de eerste duizend gulden uitgekeerd via de Rabobanken in de Gooise gemeenten. Na regeling van de afvloeiing van personeel, verkoop van dienstgebouwen en -woningen en verkoop van de roerende bezittingen als landbouwwerktuigen en -machines, kon tot de volledige afwikkeling worden overgegaan. Dat duurde nog tot 1981, maar op 28 april 1979 vond de laatste vergadering van de Vereniging Stad en Lande van Gooiland plaats in de Grote Kerk Naarden, volgens De Gooi- en Eemlander een ‘uitvaartdienst voor de erfgooiers’. Na de laatste hamerslag riep een van hen: ‘De erfgooiers zijn dood, leve de erfgooiers!’.

Erfgooiersidentiteit
En daar had hij, zonder het zelf te weten, gelijk in. Toen de erfgooiersorganisatie ophield te bestaan, was het economisch gezien niet langer noodzakelijk een erfgooiersidentiteit aan te meten. Maar tot op de dag van vandaag blijven veel ‘ex-erfgooiers’ dat doen. Waarom? Omdat ze weten én willen weten waar ze vandaan komen, omdat ze verbonden zijn aan de omgeving, een omgeving die hun voorouders vormgaven en waarin de ‘erfgooiers van nu’ wonen en werken. Deze elementen mogen wat mij betreft in de Gooise instellingen, besturen en stichtingen sterker naar voren komen. De geschiedenis van de erfgooiers wordt weliswaar levend gehouden door de Stichting Stad en Lande van Gooiland, maar daar zouden politici, bestuurders en burgers ook én juist meer aan kunnen bijdragen, door zich er in elk geval van te vergewissen dat de erfgooiers hebben bestaan …
Een voorbeeld. Laten we de erfgooiersidentiteit koesteren door haar op te laten gaan in nieuwe verhalen, zoals dat van de natuurbescherming. Psychiater en schrijver Paul Verhaeghe meent namelijk dat identiteit gaat over het ‘grotere narratief van een bepaalde cultuur. Als dat samenhangende geheel ingrijpende wijzigingen ondergaat, heeft dit zonder twijfel gevolgen voor de daarbij aansluitende identiteiten: die zullen evolueren in de richting van het nieuwe narratief met de nieuwe normen en waarden’. Dat nieuwe narratief is ook bruikbaar ter promotie van de regio; elke regio heeft immers zijn eigen karakter, gevormd door allerlei sociale en culturele fenomenen. Een van de belangrijkste fenomenen in zowel sociaal als cultureel opzicht in onze regio was nu net het erfgooierschap. Het was lange tijd dé verbindende factor in het Gooi. En zelfs daarbuiten; erfgooiers kwamen ook voor in Eemnes en Lage Vuursche, Soest en Kortenhoef, nederzettingen die door opeenvolgende politieke beslommeringen buiten de Gooise grenzen kwamen te liggen.

De uitreiking van de eerste duizend gulden.

Persoonlijke noot
Tot slot een nog persoonlijker noot. Met genoegen heb ik de afgelopen jaren dit feuilleton verzorgd. Enerzijds baseerde ik mij op ‘oud’ onderzoek, anderzijds op nieuw; sinds het verschijnen van de handelseditie van mijn proefschrift heb ik mede door derden veel nieuwe inzichten opgedaan. Ik focus me minder op het juridische aspect en meer en meer op het culturele of mentale. Twee uitgangspunten staan daarbij centraal. Ten eerste een stelling van emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Marita Mathijsen: ‘Er is een gehechtheid aan grond, taal, geluid, smaak die niet met een bekrompen nationalisme of overdreven chauvinisme te maken heeft maar met het gevoel ergens bij te horen’. 1) Mijn tweede leidmotief spruit voort uit het advies dat neuroloog Oliver Sacks (1933-2015) ooit kreeg: ‘Neem bijvoorbeeld de prairies; je verdoet je tijd deze te bezoeken zonder dat je het verhaal van de kolonisten kent, de invloed van het recht en de kerk in andere tijden, de economische problemen, de moeilijkheden in communicatie, en de effecten van succesvolle mineralenvondsten’. 2)
Precies. Wie de geschiedenis van zijn omgeving niet kent, verdoet zijn tijd. En als we nu iets van de erfgooiers kunnen leren, is het zorg dragen voor het collectief bezit en voor het individu binnen het collectief of de vereniging: ‘Het gemene land is mijn eigen land en dat van mijn meentgenoten, en ons ware eigendom via het gewoonterecht. Het is van iedereen, maar niet van een ieder afzonderlijk’, aldus een Engelse commonor in 1652. De erfgooiers voegden daar later nog iets aan toe: ‘Eenheid naar buiten, veelheid van binnen’.

  1. Marita Mathijsen, ‘Het recht op heemgevoel’, in Baudet, T. en G. Mak (red.), Thuis in de tijd (Amsterdam 2014), 28.
  2. Sacks, On the move, 50. Het ging om de zogenoemde homesteaders, mensen die vijf jaar of langer op een plek hadden gewoond, daar een boerderij of huis hadden gebouwd en het gehele complex volgens een speciale wet (1862) als hun privé-eigendom mochten claimen. Dit had grote invloed op de emigratie naar Amerika en het steeds verder westwaarts trekken. Een prairie is te vergelijken met een meent; allebei oorspronkelijk gezamenlijke weidegrond.