Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

De violist en zijn vrouw

De violist en zijn vrouw

Nap (Nathan) de Klijn werd geboren te Amsterdam op 18 augustus 1909 als zoon van Elkan de Klijn (1874-1928), van beroep diamanthandelaar, en van Betsy Cohen (1882-1936). Nap moest als 19-jarige de kost gaan verdienen. Hij deed dat door viool te gaan spelen in onder andere het Amsterdamse Tuschinski-theater. Later trad hij op bij het VARA orkest en studeerde hij viool aan het Amsterdams Conservatorium waar hij zijn vrouw Alice leerde kennen.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 152 [2020-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

Met kost en inwoning werken bij Nap de Klijn

Alice Heksch werd geboren te Wenen op 12 februari 1912 als dochter van Ferencs (Frans) Heksch en Leopoldina Weiss. Met haar ouders kwam ze in 1920 naar Amsterdam. Op haar vijftiende werd ze toegelaten tot het conservatorium. Ze speelde piano en en slaagde cum laude voor haar eindexamen. Nap de Klijn en Alice Heksch trouwden in 1936 in de Joodse synagoge aan de Rapenburgerstraat in Amsterdam en gingen daarna in Laren wonen.

De oorlog
Samen vormden ze een heel bekend duo en traden ze op in binnen- en buitenland. In 1942 waren zij bezig met muziekopnames aan de P.C. Hooftstraat in Amsterdam toen plotseling de Duitse Grüne Polizei (de orde-politie) binnen viel. Ze werden zonder meer gearresteerd en gescheiden van elkaar opgesloten. Bezoek was niet toegestaan, zelfs niet van de familie. Maar, even onverklaarbaar als waarom zij werden gearresteerd, werden ze na twee maanden weer vrij gelaten. Er was tijdens hun gevangenschap niets ernstigs gebeurd en ze waren ook niet mishandeld. Door deze gebeurtenis wisten zij zeker dat ze nu wel moesten onderduiken en gingen ze op zoek naar een betrouwbaar onderduikadres. 

Kost en inwoning
Tijdens het koffie drinken op onze wekelijkse koffieclub in het Brinkhuis vertelde één van de leden een verhaal over een oudere vrouw die volgens haar in de oorlog bij Nap de Klijn had gewerkt. Daar wilde ik meer van weten en zo kwam ik dan terecht bij Til de Graaf (94) in de Akkerhof. Haar zoon Martin en zijn vrouw Els, die voor de koffie zorgde, waren ook aanwezig. Til vertelde dat ze vroeger in Amsterdam woonde en de jongste uit een gezin van 14 kinderen was. Toen ze ongeveer 17 of 18 jaar was, werd haar gevraagd of ze wilde gaan werken in de huishouding bij een gezin in de Beethovenstraat met kost en inwoning. Nou ja, dat leek haar wel wat. 

En zo kwam ze in het gezin van de violist Nap de Klijn te werken, die op dat adres was ondergedoken. Volgens Til was het er altijd gezellig en er was veel muziek. En er kwamen ook heel veel mensen op bezoek, allemaal muziekliefhebbers. 

Als Til boodschappen moest doen dan mochten ook de kinderen mee. Die trok ze dan een jasje aan waar GEEN jodenster op zat. “Ben je mal”, zei Til, “Ik kon toch ook gewoon met m’n neefjes of nichtjes aan de wandel zijn”.

Ook werden er huiskamerconcerten gegeven en dan moest ik de bezoekers bedienen. Dat was veel werk, maar dan kwam m’n zus even helpen. “En dan hadden we een lol”, vertelde ze. “Op een keer zat er een muis in de keuken en toen zaten mijn zus en ik met onze benen op tafel. En we hoopten maar dat er op dat moment niet werd gebeld om te komen bedienen. Mens, wat hebben we toen gelachen. Na de oorlog ging de familie weer naar Laren. Ze vroegen of ik mee wilde naar Laren. Nou, dat leek me geweldig. Ik was nooit verder geweest dan de Merwedebrug”.

In Laren ging de familie weer wonen aan de Houtweg 16. Daar is Til blijven werken totdat ze ging trouwen. Ze trouwde op 20 oktober 1948 met Gerardus (Gerard) de Graaf, een wever uit Laren. Haar man is overleden en nu woont ze met veel plezier aan het Akkerhof waar ze veel steun heeft van haar zoon.

Na de oorlog
Nap de Klijn en zijn vrouw konden na de oorlog weer optreden met viool en piano. Zowel in huiskamers als ook in bijvoorbeeld het Concertgebouw in Amsterdam of in het Residentieorkest van de VARA. Zij traden op in binnen- en buitenland, ze waren een heel bekend duo. In 1953 hebben ze ook nog opgetreden in het Larense Lumiëretheater.

Alice Heksch kwam op 1 augustus 1957 te overlijden. Ze werd begraven op de Algemene Begraafplaats te Laren.

In 1968 kreeg Nap de Klijn een Koninklijke onderscheiding. Hij werd toen Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. 

Tijdens een interview en een kort optreden voor de KRO, ter ere van zijn 70e verjaardag, is Nap de Klijn op 23 augustus 1979 plotseling overleden. Op het moment dat, na een vlot verlopen repetitie, met de opnamen zou worden begonnen, zakte de violist, tot ontsteltenis van de aanwezigen, op zijn stoel in elkaar. Nap de Klijn is in het harnas gestorven want zijn hele leven stond in het teken van de muziek. Hij werd op 27 augustus 1979 bijgezet in het graf bij zijn vrouw.

Bep (G.L.) De Boer

Bronnen: “De doden zullen herrijzen” door Marc de Klijn; Laarder Courant De Bel; De Telegraaf.