Burgemeester van Nispenstraat 29, 1251 KE Laren

De ‘Pieter Scheen’ (1750–1850)

De ‘Pieter Scheen’ (1750–1850)

Kunst uit het dorp van Mauve

Het boek dat vernoemd is naar Pieter Scheen is een begrip geworden in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Daarin staan alle schilders, beeldhouwers, tekenaars, grafici en edelsmeden beschreven en gewaardeerd die in deze eeuw maar iets betekend hebben. Zesduizend namen heeft Pieter Scheen jr. op deze wijze gerangschikt, verdeeld over 500 pagina’s, aangevuld met nog honderden pagina’s met reproducties, dit alles in twee dikke delen.

Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 150 [2019-4]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen dit kleurrijke boekje 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 4 per stuk in de Lindenhoeve te koop, zolang de voorraad strekt.

The Dictionairy of Art 1 De ‘Pieter Scheen’ of te wel: Het rode Boek 1 

Mary van der Schaal

Compleet met personalia, opleiding, specialiteit, tentoonstellingen en eventueel musea die werk van de betrokkene hebben aangeschaft.

De vader van Pieter Scheen leefde van 1874-1952. Hij was hoofdonderwijzer en had een sterke interesse in de schilderkunst en het restaureren van schilderijen. In 1916 vestigde hij zich als kunsthandelaar in een benedenwoning aan de Zeestraat 56a in Den Haag. In de bovenwoning huisde de fotograaf Henri Berssenbruggen. In 1920 nam hij het hele huis over zodat Pieter Scheen moest verkassen. Scheen verhuisde naar de overkant, Zeestraat 54, tegenover Panorama Mesdag. Hij begon met een openingsexpositie op de benedenverdieping die een zeer goede recensie kreeg in de Hofstad. Het aanbod was ook veelzijdig. Schilderijen van onder andere: Jozef lsraëls, B.J. Blommers,

Willem de Zwart, Louis Apol, Han van Meegeren en Chris van Es. Het jaar daarop waren het vooral schilderijen van de 19e en twintigste eeuw zoals: Koekoek, Bosboom, Bakker, Korf en Elickert die hij tentoonstelde. Hij kocht vooral schilderijen in bij collega’s in Den Haag en Amsterdam en vooral de Romantische School werd veelvuldig geëxposeerd.

De zoon ook (Pieter (Arie) genoemd), werkte al als vijftienjarige bij zijn vader in de zaak. Studeren was niet zijn liefhebberij (hij was al enkele malen van school gestuurd) en daarom had zijn vader hem onder zijn hoede genomen. Daarnaast kreeg Pieter een baantje in een hoedenwinkel en daarna als vertegenwoordiger in een metaalgieterij. Intussen leerde hij bij zijn vader het kunsthandelsvak.

Het was zijn vader al verschillende malen opgevallen dat zijn zoon een sterke neiging had om alles te noteren in overzichtelijke lijsten en kolommen. Ook maakte hij beschrijvingen van de productie per week/maand en deed hij andere meer voorkomende werkzaamheden. Met zijn sterk documenterende aanleg legde hij zich vooral toe op het verzamelen van gegevens over kunstenaars uit de periode 1750-1850. Hij had al een verzameling over de kunstenaars die zijn vader exposeerde. Ook maakte hij zoveel mogelijk foto’s van de kunstwerken die hij documenteerde. Deze hobby werd zijn levenswerk.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd fotograferen moeilijk en verlegde hij zijn zoektochten naar de Koninklijke Bibliotheek in den Haag waar hij het kunstenaarslexicon van de Thieme/Beeker doorwerkte op zoek naar meer Nederlandse kunstenaars. Zijn doel werd uiteindelijk een lexicon samen te stellen van schilders en tekenaars en anderen uit de periode 1750-1850. In het boek waren opgenomen kunstenaars die na 1750 waren overleden en vóór 1850 geboren.

Voor velen kwam het boek als een volslagen verrassing, getuige een brief uit 1944 van A. Staring aan J. Knoeff, die destijds grote kenner was op het gebied van respectievelijk de achttiende- en negentiende-eeuwse kunst. Zij vroegen zich af wie die Pieter Scheen eigenlijk was. Of ze wel konden afgaan op de gegevens die vermeld werden. Maar in Den Haag op het Rijksbureau voor Documentatie wist men wel beter. Daar was Scheen welbekend en aan hem werd zelfs gevraagd om als volontair te willen toetreden tot de Staf. Dit was echter niet het doel van Pieter. Hij wilde namelijk ook zo’n lexicon aanleggen van Belgische kunstenaars. Dit is echter niet gebeurd.

Enkele jaren vóór de Tweede Wereldoorlog was Pieter Arie Scheen zelf een kunsthandel gestart in de Zeestraat, naast die van zijn vader. Jaarlijks organiseerde hij, en later zelfs tweemaal per jaar, tentoonstellingen waar de aanwinsten van de firma’s te zien waren. Dit waren vooral onbekende werken van de Nederlandse Romantische en Haagse School.

Hij introduceerde ook nog een aantal totaal onbekende schilders uit die tijd 1750-1850. De exposities breidden zich uit naar onder andere Amersfoort, Tilburg en Groningen. Van elke tentoonstelling werd een catalogus aangelegd waarin enkele topstukken werden gereproduceerd. Alle werken die op deze exposities aanwezig waren werden gefotografeerd door fotograaf Dingjan.

Het fotoarchief van de Firma Scheen groeide uit tot een enorme verzameling van duizenden reproducties. Het werd later gebruikt om in geval van twijfel eventuele vervalsingen te kunnen ontmaskeren. In 1952 organiseerde hij zelfs een retrospectieve tentoonstelling van de schilder Wijnand Nuyen in de zalen van ‘Panorama Mesdag’.

De Neerlandicus Gerben Colmjon en Pieter Scheen gaven het samengestelde boek over de Haagse School uit. Het bleek dat het accent van de kunsthandel aan het verschuiven was.

Aan het begin van de jaren 50 had Scheen zijn naam gevestigd. In 1951 werd hij door de minister van Onderwijs Kunsten en Wetenschap benoemd tot commercieel deskundige van het adviesbureau ‘In en uitvoer voorwerpen’ van geschiedenis en kunst van de ‘Stichting van de Kunsthandel’. De zaak Scheen draaide nu zo goed dat de firma in 1953 een groter pand kon betrekken op Zeestraat nummer 50.

De clientèle van de firma Scheen bestond uit vrijwel uitsluitend Nederlandse particulieren en enkele musea zoals het Haagse Gemeentemuseum, het Frans Halsmuseum, het Gemeentemuseum in Arnhem en het Jan Cunenmusium in Oss. Het Cunenmuseum in Oss stond onder leiding van A. de Werd (1906-1977), Kunsthandel Scheen verkocht zeven werken uit de Romantische School. Zes jaar later aan hetzelfde museum een schilderij van Matthijs Maris, (Het betoverde kasteel). Aan het Haags Gemeentemuseum verkocht hij niet alleen schilderijen maar gaf ook advies en assisteerde hij bij de tentoonstelling ‘Meesters van de Haagse School’. Ook hielp hij bij het zoeken van werkstukken die aan buitenlanders waren verkocht.

De Pieter Scheen wordt steeds meer gewaardeerd en het is momenteel zeer moeilijk om nog aan een exemplaar te komen. Ook is het naslagwerk in waarde gestegen.