Renée Fink (*Scheveningen 12-12-1937) “Nooit opgehouden ouders te missen”
Dit artikel gaat over de Joodse onderduikster Renate Gabriele Laser, die als klein meisje, onder de naam Rita, onderdak kreeg bij de familie Van den Brink op de Lingenskamp 21 te Laren. Op 4 mei 2024 komt dit meisje, de tegenwoordig 86-jarige, in de VS wonende Renée Fink, naar Laren om haar verhaal te vertellen tijdens de officiële dodenherdenking op de Brink.
Dit artikel is afkomstig uit Kwartaalbericht 168 [2024-2]. Leden van de Historische Kring Laren ontvangen het kleurrijke glossy magazine 4 keer per jaar. U kunt hier lid worden. Losse nummers zijn à € 9,50 per stuk in de Lindenhoeve en bij Bruna en de Larense boekhandel te koop, zolang de voorraad strekt.
Tekst: Aaldrik Hermans en Evert Theunissen*
Tijdens mijn onderzoek naar de overlevingskansen van Joodse onderduikers in het Gooi, stuitte ik op de onderduik van Renate Gabriele Laser. Nadat ik haar in de VS getraceerd had, startten we, samen met de gepensioneerde Bilthovense arts Evert Theunissen, een onderzoek naar wat haar familie in de oorlog overkomen is.
Renate is het enige kind van Fritz Laser en Edith Löwenstein (zie strandfoto). Haar ouders vluchten met vier familieleden in 1933 vanuit Breslau naar Scheveningen. Eerst huren ze enige tijd bij de familie Wolzak aan de Zwolsestraat, daarna verhuizen ze in februari 1935 naar Hotel-pension ‘Paviljoenzicht’ aan de Gevers Deynootweg, vlak aan het strand. In 1938 starten ze samen met de familie Monasch een kosher pension in de Berkenbosch Blokstraat 18. In deze sjieke straat ligt ook het Von Wied-strandpaviljoen van Koningin Wilhelmina. Wanneer ze vanwege de bezetter niet langer aan de kust mogen wonen, verhuizen ze in oktober 1940 naar Bilthoven. Op hun nieuwe adres wordt later ook het kantoor gevestigd van de Bilthovense afdeling van de Joodse Raad. Om rond te komen, nemen haar ouders ook Joodse huurders in huis. Beiden werken voor de Joodse Raad en zijn actief betrokken bij het laten onderduiken van lotgenoten: Edith vanaf mei 1942 als secretaresse en Fritz vanaf juli 1942 bij de Verzorgingsdienst. Terwijl oma Else Laser-Sachs, de moeder van Fritz Laser, vanaf december 1942 in Amsterdam aan het Merwedeplein moest wonen, waren haar zoon en schoondochter nog gesperrt in Bilthoven wegens hun werk voor de Joodse Raad. Medio 1943 zijn ze samen in onderduik gegaan in Bilthoven en in november 1943 opgepakt tijdens een razzia op het volkstuinencomplex Woerden waar ze op dat moment ondergedoken zitten.
Uit hun Joodse Raad-cartotheekkaart blijkt dat ze samen met oma Sachs aankomen in kamp Westerbork. Omdat ze in onderduik zijn opgepakt komen ze in strafbarak 67 en worden ze met het eerste transport (op 16-11-1943) naar Auschwitz afgevoerd. Hun dochter Renée Fink zal op 5 mei 2024 in Bilthoven stolpersteine onthullen voor haar afgevoerde en nooit teruggekeerde familie. Zelf vertelt ze hierover ver na de oorlog.

Renée Fink als kind met haar ouders op het strand.
Onderduik in Laren
Renée: “Ik werd vanuit Bilthoven in onderduik gebracht. Voor de oorlog was mijn familie well-to-do. Mijn vader was naar de universiteit geweest. Mijn moeder was secretaresse. Als goed opgeleide, welvarende Joden, waren ze niet gelovig. Ze waren 100% Joods, maar ze leefden niet Joods. Eenmaal in Bilthoven namen mijn ouders huurders in huis. Ik was enig kind. Mijn oom en tante zaten in het verzet, waarbij mijn oom Heinz op 25-jarige leeftijd (in 1943) als lid van de verzetsgroep ‘Oranje Vrijbuiters’ is gefusilleerd. Omdat mijn ouders geen geld hadden, konden ze geen burgerschap aanvragen, ze hadden geen netwerk en stonden er helemaal alleen voor. Toch wisten ze via de ondergrondse papieren te regelen en mij in onderduik te brengen. Ik werd door mijn moeder aan een vreemde overgedragen achterop de fiets. Ik wist niets. Ik weet ook niet hoelang ik op de fiets gezeten heb. Ik was toen 4 jaar oud en wist niet of ik mijn ouders ooit nog zou terugzien. Ik werd ondergebracht bij de familie Van den Brink, het was een katholieke boerenfamilie in Laren. Het waren Gijsbertus (Gijs) Johannes van den Brink en Maria van den Brink-Zoon (zie website Yad Vashem). Het huis was voor m’n gevoel erg groot, het had geen elektriciteit en het was er vaak koud. Het huis had een tuin met fruitbomen, een schuur en een publieke schuilkelder. De directe buren konden vertrouwd worden, want die hadden ook Joodse onderduikers. Andere buurtbewoners wisten niets of zeiden niets. In huis was aan elke deurpost een bakje wijwater en ik werd in het gezin een goed katholiek kind. Ik leerde er de rozenkrans bidden en ging mee naar de basiliek. Tot mijn intrede, was het een gezin van tien (drie zoons en vijf dochters) in de leeftijd van 10 tot 24 jaar. Ze hadden geen idee of ik voor ’n week, ’n maand, zes maanden zou blijven. Uiteindelijk bleef ik er van 1942 tot 4 mei 1945.

Advertentie pension Berkenbosch-Blokstraat uit Nieuw Israëlitisch Weekblad 1 juni 1934.
Ik was zo geïntegreerd in het gezin, dat ik aan het einde van de oorlog het gevoel had dat het mijn broers en zussen waren. Ik was de baby in de familie, met zwart haar en donkere ogen. Ik had ook een weinig grof gezicht, maar iedereen had wel familieleden in huis die ergens vandaan gekomen waren, dus men keek niet erg op van mijn donkere verschijning. Naar de lagere school ging ik niet, omdat dat teveel vragen had opgeleverd. Dat risico kon je niet nemen. Je had het verzet en de verraders en je wist vaak niet wie wat was. Wel zat ik drie jaar lang op de kleuterschool, waar we natuurlijk niet leerden lezen en schrijven. Er was ook geen pen en papier meer. We kregen breipennen en een klein knotje wol en als we klaar waren, werd het weer uitgehaald en begonnen we gewoon opnieuw. Het was een soort Sisyphusarbeid. Elke dag kwamen de nonnen om ons haar te checken op luizen, dus in die zin was ik zichtbaar, maar in een beschermde omgeving. Tegenover ons was een SS-officier komen wonen en dat baarde ons natuurlijk zorgen en hij zal ongetwijfeld gezien hebben dat ik anders was, maar er werd niets van gezegd en het leverde nooit problemen op. Er waren in Laren regelmatig invallen in de huizen, er waren gezins-tellingen om te kijken of er niet teveel waren. Als er huiszoekingen kwamen, dan ging het als een lopend vuurtje door het dorp. Als er te weinig tijd was om me te verstoppen dan werd een van de meisjes voor een boodschap de deur uitgestuurd naar familie, zodat het juiste aantal meisjes in huis was. De Duitsers zochten gelijktijdig ook naar verboden spullen. Wanneer ik in bed lag, zeiden ze tegen de Duitsers dat ik TBC had en dan bleven ze wel uit de buurt van mij. Of als ik te laat was dan zetten ze me met een rare hoed op in de hoek en deden we of ik niet goed bij m’n hoofd was. Het leek dan wel de Middeleeuwen. Het hele gezin riskeerde zijn leven elke dag voor het feit dat ik daar in huis was. De oudste jongens moesten zich verbergen in verband met de Arbeitseinsatz. Dat gaf een hoop angst in huis. Als er genoeg tijd was, gingen we in de ‘bombshelter’ in de schuur. Het was oorspronkelijk de kelder waar de appels en aardappelen opgeslagen werden. Ook was er een gebrek aan kleding en we knipten de voorkanten van onze schoenen af om er op te kunnen blijven lopen. Moeder Van den Brink overleed in december 1944 aan hersenkanker. Dat was afschuwelijk. Ik herinner me dat we tijdens een luchtalarm naar de schuilplaats renden en dan we de moeder achter lieten in huis omdat ze te ziek was om erheen te gaan. Haar man bleef dan bij haar. Mijn oma (van moeders kant) wist waar ik ondergedoken zat. Op een dag – midden in de oorlog – stond ze ineens voor de deur. Ze kwam voor mijn verjaardag. Ze bleef niet lang, maar het was onvergetelijk. Ze had twee nachten gelopen, overdag zich verstopt in het bos, om me te zien. Ze zat op verschillende plekken ondergedoken, dus ik weet niet waar van welke plek ze was komen lopen.”

Na de oorlog
Renée: ‘Ik ben nooit opgehouden mijn ouders te missen. Pas na de oorlog hoorde ik dat ze verraden en vermoord waren. Ik was in Nederland geboren, maar voor de wet stateloos. Ik ben daar nog steeds boos over. Ik had alleen nog mijn tante Ilse Löwenstein en oma Sophie Löwenstein-Moses en verder niemand. Uiteindelijk zijn we naar de VS geëmigreerd.
In 1991 kwamen 1600 onderduikkinderen bij elkaar in het Mariott Hotel in New York, waar ik leerde omgaan met survival guilt. In de zomer van 2005 ben ik naar eenzelfde conferentie in Amsterdam geweest. Helaas waren alle kinderen van mijn onderduikgezin toen al overleden, dus bezocht ik hun kinderen. Ik was heel hecht met mijn pleegbroers en -zussen. Wim van den Brink en zijn vrouw Rikkie kochten zijn ouders huis terug, ver na de oorlog. Hij was timmerman. Ik sliep er tijdens m’n bezoek in m’n oude kamer. De kamer was 10 bij 12 voet en we sliepen er ooit met alle vier meisjes en ik dacht toentertijd dat het een grote kamer was. Ik was er ondergedoken van 1942 tot 1945. Daarna kwam m’n familie me halen en nam me mee naar Bilthoven. In het huis groeide de schimmel op de muren, het was erg vochtig, het was een huis met een plat dak. Ik was zeer verdrietig dat ik bij m’n onderduikfamilie was weggehaald. Ik was er gewend geraakt om elke dag om 6 uur ‘s ochtends naar de kerk te gaan. Mijn progressieve oma wilde best met me naar de kerk gaan, maar niet op dat tijdstip. Ik speelde er voor het eerst buiten en ging naar de Kees Boeke-school. Het was een heel progressieve school en ik hoefde geen schoolgeld te betalen. Ik was van dezelfde leeftijd als de prinsesjes die er ook op school zaten.
Mijn tante Ilse vertrok in 1947 naar de VS en ze trouwde daar en binnen de kortste keren vertrokken wij ook naar de VS. Ik vond dat vreselijk. We gingen in 1952 met het schip de ‘Nieuw Amsterdam’. Het leek wel een hotel met z’n liften (7 dagen overtocht). We werden afgehaald door mijn oom Walter Leipzig. Omdat mijn tante en oom Walter geen geld hadden (hij had aan z’n PhD gewerkt in Breslau en was nu liftbediende) woonde ik eventjes met mijn grootmoeder in een mooi appartement en daarna werd ik opgehaald door de familie.”
Yad Vashem-onderscheiding
In de jaren ’60 werd het contact tussen Renée en de familie Van den Brink hersteld. In 1987 kregen Gijsbertus Johannes van den Brink en zijn vrouw Maria van den Brink-Zoon een Yad Vashem-onderscheiding voor hun verzetswerk (Hierover later meer in een vervolgartikel).
Voordrachten
Tegenwoordig geeft Renée Fink voordrachten op scholen waar ze over haar onderduik in Laren vertelt. Ook legt ze het verband tussen de holocaust en de zorgwekkende tijden waarin we vandaag de dag leven. Renée waarschuwt leerlingen op scholen dat democratie een fragiel bouwwerk is dat van ons allen veel onderhoud vraagt. We verheugen ons op haar komst en zijn nieuwsgierig naar wat ze ons op 4 mei 2024 gaat vertellen over Laren zo’n 80 jaar geleden. De oorlog, het antisemitisme, de Nederlandse bevolking die veelal wegkeek, het lijkt lang geleden, maar soms vraag je je af of we iets leren van onze geschiedenis… υ
*) Aaldrik Hermans is historicus. Hij doet promotieonderzoek naar de overlevingskansen van Joodse onderduikers in het Gooi in de Tweede Wereldoorlog.
Evert Theunissen is gepensioneerd arts in Bilthoven.
Noten:
- Familie: Fritz Laser (*Köningsberg 30-5-1896, Α Polen 31-3-1944) x Edith Löwenstein (*Breslau 15-7-1911, Α Auschwitz 19-11-1943), (*moeder Else Laser-Sachs (*Breslau 12-5-1873, Α Auschwitz 19-11-1943), schoonmoeder Sophie Löwenstein-Moses (*Stargard 25-11-1884) met gezin: Ilse Löwenstein (*Breslau 12-11-1915) en Heinz Löwenstein (*Breslau 17-2-1919, Α Den Haag 29-2-1944, gefusilleerd i.v.m. verzetswerk illegale groep De Vrijbuiters).
- ‘Een wilde bloem’, Oorlogsherinneringen van Jan Derk Boersma, blz. 18-19.
- The Statue of Liberty & Ellis Island/passenger records/Sophie Löwenstein/Nieuw Amsterdam 1952.

De ouders van Renée Fink, Edith Löwenstein en Fritz Laser.

