Boerderijen

 

HISTORISCHE

L A R E N

K R I N G

Boerderijen

Rond 1500 telde het dorp Laren vijfenzestig "haertsteden" gegroepeerd rondom de Brink. De kadastrale kaart van 1832 geeft inzicht in het aantal boerderijen, dat begin 19de eeuw in Laren stond. Volgens onderzoeker Van Tol dateren achtenveertig boerderijen van voor 1832.

De rietgedekte panden hebben allemaal een woonhuis- en een stalgedeelte. Ze zijn van het zogenaamde hallehuistype. De oudste boerderijen hebben allemaal een gunstige ligging ten opzichte van de wind. Zo konden ze zware herfststormen doorstaan. Soms hebben de voorgevels een zogenaamd wolfseind , een klein rietgedekt kapje in plaats van een puntige topgevel. De boerderijen hebben forse afmetingen: de gemiddelde lengte bedraagt zo'n 24,5 meter. Woonhuis- en bedrijfsgedeelte werden gescheiden door een zware gemetselde muur, de brandmuur. Hier bevindt zich aan beide zijden een haard. Aan de stalzijde waren vaak de kookpotten voor varkensvoer, aan de woonhuiszijde werden fraaie tegelschouwen aangebracht. In het woonhuisgedeelte bevond zich meestal een kleine kelder met opkamer in een van de beuken. In de kelder waren pekelbakken voor boter- en kaasmaken en het inmaken van vlees. Het woonhuis met de mooie kamers werd in de zomer zelden of nooit gebruikt. De indeling van de stal of deel van de Larense boerderij bestaat altijd uit een driebeukige opzet met ankergebinten. De middenbeuk is open, hierop werden slieten (stammen uit het bos) aangebracht. Op deze slieten werd via een luik in de achtergevel het hooi opgetast. Pas in de 19de eeuw ontstonden vrijstaande hooibergen. De houten achtergevel bestond uit geteerde planken, die via de zogenaamde potdekselmethode over elkaar waren aangebracht. Deze houten achtergevels maakten dat boerderijen makkelijk uit te breiden waren.

Vervolg

 

Zo is de opzet van de Larense boerderij een uitgekiend energiezuinig bouwwerk! In de zijbeuken bevond zich de grupstal.

 

De mest werd opgevangen in een goot en vermengd met stro werd het in de potstal de bodem, waarop de dieren stonden. De deelvloeren waren meestal van leem gemaakt en het vee stond altijd met de koppen naar elkaar. De oudste Larense boerderijen hadden soms fraaie gevels, met getoogde baksteenversieringen boven de vensters. Opvallend bij Larense boerderijen is de zogenaamde kamelenrug. Deze "bult" vormde de overgang tussen het hogere voorhuis en het lagere stalgedeelte. De slechte staat van veel boerderijen in de 19de en vroeg 20ste eeuw zorgde voor golvende nokken. Dit werd gezien als zeer schilderachtig en gaf mede aanzet tot de architectuur van de Gooise landhuisstijl. Klimmende nokken vinden we in begin 20ste eeuwse rietgedekte villa’s terug. Na de Tweede Wereldoorlog neemt het aantal boeren af; boerderijen worden herbestemd, soms wordt de deel omgebouwd tot woning en soms komt er andere bedrijvigheid en enkele boerderijen worden restaurant. Een aantal boerderijen is gesloopt. In de jaren 60 wordt een aantal boerderijen geplaatst op de rijksmonumentenlijst, zodat een stukje geschiedenis bewaard blijft.

Ze zorgden ook voor een goede ventilatie, omdat ze vaak op het oosten lagen, zorgde het hooi (met het vee) voor een natuurlijke warmtebron. In een van de beuken bevond zich de melkstraat. Hier werd gekarnd, op deze plek waren ook waterputten aanwezig. In Laren komen over het algemeen zijbaanders voor, dat wil zeggen dat de deeldeuren aan deze zijkant van de boerderij zitten. Het vee werd via de zijkant, dus dwars, de stal (op de deel) in gebracht. Vandaar dat ook gesproken wordt van het dwarsdeeltype. De deuren liggen meest op de zuidkant, de luwe (en minst koude kant). Soms liggen ze beschut achter een breder woonhuisdeel.

 

 

Copyright 2015 Historische Kring Laren created by Y.Majoor